Historische verhalen en essays

Lied van verzet, het bijzondere levensverhaal van Lin Jaldati en Eberhard Rebling

Op 30 mei 2025 gaf Rimco Spanjer, een van de vertalers van de autobiografie ‘Sag nie, du gehst den letzen Weg’, een lezing over het meeslepende levensverhaal van het beroemde en daadkrachtige kunstenaarsechtpaar Lin Jaldati, artiestennaam van Lien Brilleslijper (1912-1988) en Eberhard Rebling (1911-2008).
Zij groeide op in de Amsterdamse Jodenhoek; hij in Berlijn, in de jaren 30 uitgeweken naar Nederland vanwege zijn communistische sympathieën. Tijdens de lezing klonk muziek gespeeld door Eberhard Rebling en Jiddische liederen gezongen door Lin Jaldati, door de Albert Vogelzaal. Vlak voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog hadden ze nog opgetreden in de Haagse Kunstkring.

Architect Frans Lourijsen – de grote onbekende

architect Frans Lourijsen – de grote onbekende | Peter van Dam
uitgeverij de onderste steen, Nijmegen
2025
ISBN: 978-90-822156-7-0
Op 8 mei 2025 presenteerde auteur, historicus Peter van Dam in de Albert Vogelzaal zijn onlangs verschenen en buitengewoon boeiende boek ‘architect Frans Lourijsen  – de grote onbekende’.
Lourijsen (1889-1934) mag representatief worden genoemd voor de eigentijdse architectuurstroming die bekendheid kreeg als de Nieuwe Haagse School. Als sociale en kunstzinnige ontmoetingsplaats nam  de Haagse Kunstkring hierbij een bijzondere plaats in.

125 jaar jublieum uitgave HKK

Een levende geschiedenis.

Wat in 1891 begon als een eigenzinnig initiatief van schilder Théophile de Bock en veertien geestverwanten boven café Riche aan het Buitenhof, groeide uit tot een vereniging die zijn tijd vooruit was en dat nog steeds is. De Haagse Kunstkring koos vanaf het begin voor ontmoeting tussen disciplines: beeldende kunst, muziek, literatuur, theater, architectuur en design. Die gedachte vormt nog altijd de kern van de vereniging.

Ter gelegenheid van het 125-jarig bestaan verscheen in 2016 deze bijzondere jubileumuitgave:  een rijk geïllustreerde publicatie vol verhalen, beelden, anekdotes en beschouwingen. Met bijdragen van leden en kunstkenners, tekeningen uit de Gouden Boeken, portretten van spraakmakende figuren, affiches, tentoonstellingen en een blik op het DNA van de HKK: samenwerking over de grenzen van disciplines heen, artistieke vrijheid, en een betrokken houding ten opzichte van Den Haag en de wereld.

Het laat zien hoe de Haagse Kunstkring zich telkens opnieuw uitvond, meeging met de tijd en tegelijk zijn eigen karakter bleef bewaren. En waarom een plek zoals deze, open, onafhankelijk en inhoudelijk gedreven, ook vandaag nog steeds van betekenis is.

125 jaar Haagse Kunstkring markeert geen afronding, maar een moment van reflectie. Een tussenstand van een vereniging die blijft maken, denken, tonen en delen.

De volledige jubileumuitgave is via de link hieronder online te lezen.

De Goudsbloemlaan: hoe een prijsvraag van de Haagse Kunstkring een buurt vormgaf

In 1921 speelde de Haagse Kunstkring een onverwacht centrale rol in de vormgeving van een nieuw deel van Den Haag: de Goudsbloemlaan in de Bloemenbuurt. De gemeente schreef een prijsvraag uit voor het ontwerp van 176 woningen, winkels en een centraal plein. Die prijsvraag werd mede georganiseerd door de vereniging Onderneming en Vrijheid en ondersteund door architecten van de afdeling Bouwkunst van de Haagse Kunstkring.

De inzendingen – maar liefst 37 ontwerpen – werden in het gebouw van de Kunstkring tentoongesteld. De jury bestond onder meer uit leden van de Kunstkring, waaronder W. van Boven en H.P. Berlage. Daarmee werd de Kunstkring niet alleen een plek voor debat en ontmoeting, maar ook een podium voor vernieuwende stedenbouw. Wat volgde was een ontwerp dat zowel architectonisch als stedenbouwkundig veel waardering kreeg, met name door het samenspel van woningen, groen, en doordachte gevelstructuren.

Het onderstaande artikel is geschreven door Otto Das, architect. Hij doet onderzoek naar woningbouw uit de twintigste eeuw en de gevolgen van de aanleg van de Atlantikwall voor de stedelijke ontwikkeling in de Bloemenbuurt van Den Haag. In ‘Wijkwijs’ het wijkorgaan van de Bloemenbuurt verschijnen regelmatig publicaties over zijn onderzoeken.

Deze tekst is eerder verschenen in Wijkwijs 2024 een uitgave van het wijkberaad Bloemenbuurt De Hyacint, jaargang 46, maart 2024, nummer 1.

“Haagse Bohème op zoek naar Europa” 1992 / Een reisje naar Brussel

Peter Berger neemt je mee op een persoonlijke en beschouwende treinreis naar de Belgische hoofdstad. Wat begint als een alledaagse werkreis, groeit uit tot een essayistisch avontuur vol herinneringen, overpeinzingen en culturele observaties. Met een scherp oog voor taal en identiteit reflecteert Berger op de verschillen én overeenkomsten tussen Vlaanderen en Nederland, waarbij hij zowel de lichtvoetige als de diepere lagen van deze relatie blootlegt.

Zijn stijl is herkenbaar: speels, melancholiek, ironisch, maar altijd doordrenkt van een liefde voor taal en cultuur. Berger schetst Brussel als een stad van grandeur en kitsch, van politieke intriges en culinaire verleidingen, terwijl hij ondertussen subtiel reflecteert op bredere thema’s zoals nationale identiteit, historische verbondenheid en de rol van taal in culturele beleving.

Het stuk ademt Berger’s fascinatie voor de Nederlandse taal en de Vlaams-Nederlandse cultuurverhouding, een onderwerp dat hem zijn hele leven heeft beziggehouden. Zijn observaties over het Belgische zelfbeeld, de Vlaamse emancipatie en de neiging van Nederlanders om zich in het Engels te werpen zodra ze een buitenlander tegenkomen, zijn even treffend als vermakelijk.

Peter Berger, erelid van de HKK (1949-1992) was een Nederlandse journalist, schrijver, dichter en ambtenaar. Hij begon zijn carrière bij de krant Het Vaderland en maakte later de overstap naar de overheid, waar hij jarenlang werkzaam was als hoofd van de afdeling Letteren bij het Ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk (CRM), de voorganger van het huidige Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW). In deze functie speelde hij een rol in literaire en cultuurpolitieke vraagstukken. Naast zijn ambtelijke werk was Berger actief in het culturele leven en schreef hij regelmatig essays en artikelen over literatuur, taal en identiteit. Zijn scherpe pen en onafhankelijke geest maakten hem tot een invloedrijke stem in het culturele debat. 

“Haagse Bohème op zoek naar Europa” 1992 / Apologie van de Nederlandse taal en al haar culturen

In Apologie van de Nederlandse taal en haar culturen uit 1992 houdt Geert van Istendael een pleidooi voor het behoud en de verdediging van het Nederlands. Hij stelt dat de Nederlandse taal geen vanzelfsprekendheid is, maar een erfgoed dat bescherming verdient. In een tijd waarin Engels steeds dominanter wordt, waarschuwt hij voor de risico’s van taalinvloed en culturele vervlakking. Terwijl grote talen zoals Engels en Frans vanzelfsprekend hun positie in de wereld verstevigen, blijkt het Nederlands juist kwetsbaar.

Van Istendael hekelt de valse bescheidenheid waarmee Nederlanders en Vlamingen met hun taal omgaan. Nederlanders zouden zich te gemakkelijk aanpassen aan het Engels, terwijl Vlamingen hun taal soms reduceren tot dialect. Hij benadrukt dat het Nederlands in Europa geen kleine taal is, en dat de eenheid van de taal – over de landsgrenzen heen – een essentiële verdedigingslinie vormt. De band tussen Nederland en Vlaanderen moet niet alleen op papier bestaan, maar ook in onderwijs, literatuur en cultuur actief worden uitgedragen.

In dit scherpe betoog roept Van Istendael op tot een bewuster taalbeleid, waarin samenwerking tussen Nederland en Vlaanderen een sleutelrol speelt. Taal is meer dan een communicatiemiddel; het is een drager van identiteit, geschiedenis en cultuur. Wie zijn taal niet verdedigt, loopt het risico zijn eigen culturele fundamenten te verliezen.

Geert van Istendael (1947) is een Belgische schrijver, dichter, essayist en journalist. Hij studeerde sociologie en filosofie aan de KU Leuven en werkte jarenlang als journalist bij de Belgische openbare omroep BRT (later VRT). Van Istendael is bekend om zijn scherpe analyses van taal, cultuur en politiek, vaak met een kritische blik op Vlaanderen, België en Europa. Zijn werk omvat romans, essays en poëzie, waarbij hij zijn stem laat horen in het debat over taal en identiteit.

 

“Haagse Bohème op zoek naar Europa” 1992 / Cultuur als ‘accord des sensibilités’

Wat is cultuur en welke rol speelt het in de vorming van een samenleving? In Cultuur als Accord des Sensibilitésbeschrijft J.L. Heldring hoe cultuur zowel in enge zin – kunst, media en erfgoed – als in brede zin een samenleving vormt. Niet alleen de kunsten, maar ook gewoonten, omgangsvormen en historische achtergronden bepalen de identiteit van een volk.

Heldring stelt dat nationale en regionale culturen, zoals de Nederlandse en Vlaamse, ondanks hun gedeelde taal, elk een eigen ontwikkeling hebben doorgemaakt. Hij verwerpt het idee van een uniforme Europese cultuur en pleit voor culturele autonomie, vooral voor kleinere culturen binnen de Europese Gemeenschap. Volgens hem is samenwerking tussen kleinere landen, zoals Nederland, Denemarken en Portugal, essentieel om culturele eigenheid te behouden in een Europa waar politieke en economische macht steeds meer centraliseert.

Met zijn heldere en nuchtere stijl biedt Heldring een kritische reflectie op de verhouding tussen cultuur, identiteit en internationale samenwerking. Zijn pleidooi voor culturele diversiteit benadrukt het belang van eigenheid binnen een veranderend Europa.

J.L. Heldring (1917-2013) was een Nederlands journalist en columnist. Hij studeerde rechten aan de Universiteit Leiden en was decennialang verbonden aan NRC Handelsblad, waar hij tussen 1968 en 2012 de invloedrijke column Dezer Dagen schreef. Heldring stond bekend om zijn scherpe, onafhankelijke analyses over internationale politiek, cultuur en samenleving. Hij werd gewaardeerd om zijn heldere stijl en kritische blik.

“Haagse Bohème op zoek naar Europa” 1992 / Europa’s kleinere culturen

Wat betekent culturele identiteit in een steeds verder integrerend Europa? In Europa’s kleinere culturen beschrijft Maarten Mourik hoe de veelvormigheid van culturen binnen Europa door de eeuwen heen de beschaving heeft gevormd. Hij stelt dat de Europese beschaving niet alleen geworteld is in de klassieke tradities van Athene, Rome en Jeruzalem, maar ook in de vaak vergeten voorchristelijke Keltische en Germaanse culturen.

Mourik waarschuwt voor de gevolgen van uniformering en centralisatie binnen de Europese Unie. Hij laat zien hoe kleinere culturen, van Friesland tot Baskenland en van Vlaanderen tot Hongarije, voortdurend onder druk staan en soms zelfs dreigen te verdwijnen. Tegelijkertijd pleit hij voor het behoud van culturele diversiteit als een essentiële kracht binnen Europa. De botsing en uitwisseling tussen culturen ziet hij als de motor van vooruitgang, en hij stelt dat het verdwijnen van culturele identiteit een verarming van de beschaving betekent.

Zijn essay uit 1991 is zowel een historische analyse als een politieke oproep: Europa moet zijn culturele diversiteit koesteren en beschermen om zijn ware kracht te behouden.

Maarten Mourik (1924-2013) was een Nederlands diplomaat, schrijver en publicist. Hij studeerde rechten in Leiden en bekleedde diplomatieke functies in onder andere België, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk. Mourik specialiseerde zich in internationale betrekkingen en culturele politiek. Naast zijn diplomatieke werk schreef hij essays en boeken over Europese geschiedenis, cultuur en geopolitiek. Zijn werk kenmerkt zich door een grote historische kennis en een kritische blik op de ontwikkelingen binnen Europa.

“Haagse Bohème op zoek naar Europa” 1992 / Appels en Citroenen

Kritiek is een lastig onderwerp, zeker in de Lage Landen. Hoe gaan Nederlanders en Vlamingen ermee om? Volgens Eric de Kuyper op totaal verschillende manieren. In Appels en citroenen onderzoekt hij de culturele houding ten opzichte van kritiek in Nederland en Vlaanderen. Daarbij stelt hij vast dat beide landen moeite hebben met kritiek, maar ieder op hun eigen manier: in Nederland lijkt men kritiek te negeren, terwijl in Vlaanderen kritiek eindeloos rondzingt zonder gevolgen.

De Kuyper zet deze observaties op scherpe en soms ironische wijze uiteen. Hij laat zien hoe Nederlanders kritiek vaak afdoen als overbodig gezeur en het liefst ontkennen dat er iets mis is, totdat een massale ommekeer plots alles afkeurt. Vlamingen daarentegen lijken kritiek te omarmen, maar laten het uiteindelijk verzanden in eindeloos gepraat, zonder daadwerkelijke veranderingen. Met deze analyse plaatst hij zichzelf in de traditie van intellectuelen zoals Roland Barthes en Herbert Marcuse, die kritiek zien als een noodzakelijk instrument om vastgeroeste structuren te doorbreken.

Eric de Kuyper (1942) is een Belgische auteur, cultuurcriticus en filmwetenschapper. Hij werd geboren in Brussel en bouwde een veelzijdige carrière op in Nederland en Vlaanderen. De Kuyper studeerde onder meer film- en theaterwetenschappen en werkte lange tijd als docent en onderzoeker aan de Radboud Universiteit in Nijmegen. Hij staat bekend om zijn essayistische schrijfstijl en zijn scherpe blik op cultuur, media en samenleving. Naast zijn academische werk schreef hij autobiografische romans, waarin hij herinneringen aan zijn jeugd verweeft met bespiegelingen over cinema, kunst en maatschappelijke ontwikkelingen.

“Haagse Bohème op zoek naar Europa” 1992 / Belle van Zuylen, een Europese geest in de Lage Landen

In 1992 schrijft Simone Dubois over de rol van taal in de culturele identiteit van Europa, met een bijzondere focus op de historische invloed van het Frans en de opkomst van het Engels als dominante wereldtaal. Ze plaatst dit vraagstuk in een breder perspectief van culturele autonomie, economische efficiëntie en de noodzaak om kleinere talen en tradities te beschermen binnen een verenigd Europa.

Aan de hand van het leven en werk van Belle van Zuylen – een Nederlandstalige schrijfster die in het Frans publiceerde – illustreert Dubois hoe taalkeuze en culturele identiteit door de eeuwen heen nauw met elkaar verweven zijn. Ze waarschuwt voor de gevaren van een eenzijdige focus op economische belangen en benadrukt het belang van meertaligheid in een grensoverschrijdend Europa.

Haar inzichten over taalbeleid, vertaling en de bescherming van culturele diversiteit blijven actueel nu de vraag naar een evenwicht tussen globalisering en culturele eigenheid nog steeds speelt

Simone Dubois was een Belgische literatuurhistorica en essayiste, gespecialiseerd in de Europese literatuur van de 18e en 19e eeuw. Ze was vooral bekend om haar onderzoek naar Belle van Zuylen, over wie ze meerdere publicaties schreef. Dubois doceerde Franse literatuur en cultuur aan verschillende instellingen en had een brede interesse in taal, identiteit en de wisselwerking tussen Nederlandse en Franse cultuur.

Haar werk kenmerkte zich door analyse van meertaligheid en culturele overdracht, waarbij ze het belang van taal als drager van identiteit en geschiedenis benadrukte. In haar essays reflecteerde ze op de veranderende rol van het Frans in Europa en de toenemende invloed van het Engels. Ze bleef pleiten voor de bescherming van kleinere taalgebieden binnen een zich verenigend Europa.

 

“Haagse Bohème op zoek naar Europa” 1992 / De duimspijker van de garagist

In 1992, met de komst van de Europese eenwording, onderzocht Hans Heestermans de verschillen tussen het Nederlands in Vlaanderen en Nederland. Hoe kwamen deze taalverschillen tot stand, en heeft Vlaanderen het recht om eigen varianten van het Nederlands te gebruiken?

Door de geschiedenis heen heeft de taal in Noord en Zuid zich anders ontwikkeld. Vlaamse migranten brachten in de 16e en 17e eeuw hun invloed mee naar het Noorden, terwijl in Vlaanderen het Frans lange tijd de dominante taal bleef. Pas in de 20e eeuw ontstond daar een standaardtaal gebaseerd op het Nederlands, maar met eigen woordkeuzes en uitdrukkingen. Heestermans stelde de vraag: moet Vlaanderen zich volledig aanpassen aan het Nederlands uit de Randstad, of is er ruimte voor een eigen identiteit binnen de taal?

Daarnaast keek hij naar de mogelijke gevolgen van een open Europese markt. Zou het Nederlands, en vooral de literatuur, onder druk komen te staan door economische krachten?

Heestermans biedt een boeiende kijk de  discussie die vandaag nog steeds speelt: hoe gaan we om met taalverandering en regionale verschillen binnen één taalgebied

Hans Heestermans (1943) is een Nederlandse taalkundige en lexicograaf, gespecialiseerd in historische taalkunde en dialectologie. Hij studeerde Nederlandse taal- en letterkunde aan de Katholieke Universiteit Nijmegen en promoveerde in 1979 op een proefschrift over de betekenisontwikkeling van voorzetsels in Nederlandse dialecten. Heestermans was betrokken bij diverse lexicografische projecten en speelde een belangrijke rol in de ontwikkeling van woordenboeken en etymologische studies. Hij werkte mee aan het Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT) en was redacteur van het Etymologisch Woordenboek van het Nederlands. Daarnaast publiceerde hij over taalgeschiedenis, dialectologie en taalverandering in zowel wetenschappelijke als populaire uitgaven. Hij heeft zich ook beziggehouden met de variatie binnen het Nederlands en de verschillen tussen het Nederlands in Vlaanderen en Nederland. Zijn publicaties en onderzoek hebben bijgedragen aan een beter begrip van taalontwikkeling en de invloed van maatschappelijke en culturele factoren op taalgebruik.

 

“Haagse Bohème op zoek naar Europa” 1992 / Een Verenigd Europa: Leve de Europese Film

De geschiedenis van de Europese film is er een van voortdurende wisselwerking tussen nationale identiteit en internationale invloed. In de vroege jaren van de film was Europa leidend in artistieke en technische ontwikkelingen, maar door de impact van de Eerste Wereldoorlog nam Hollywood de dominante positie over. Europese filmmakers probeerden zich daarna staande te houden, met zowel avant-garde experimenten als pogingen tot commerciële concurrentie.

De oorlogsjaren brachten een radicale wending. In nazi-Duitsland werd de filmindustrie ingezet voor propaganda, terwijl in Nederland en andere bezette landen Joodse en linkse filmmakers werden uitgesloten of moesten vluchten. Tegelijkertijd groeide het nationalisme in de filmwereld, met een sterke nadruk op nationale identiteit en censuur.

Na de oorlog ontstond een nieuw filmklimaat, waarin Europese regisseurs experimenteerden met nieuwe vertelvormen, zoals het Italiaans neorealisme. Met de komst van de Europese eenwording in 1992 rees de vraag of nationale filmculturen overeind zouden blijven of dat de film een grensoverstijgende kunstvorm zou worden. Nico J. Brederoo (1942-2000) schets de spanningen en ontwikkelingen die de Europese film door de 20e eeuw heen hebben gevormd.

Nico J. Brederoo  was kunsthistoricus,  auteur en onderzoeker, bekend om zijn bijdragen aan de studie van film en beeldende kunst. Hij schreef over  Charley Toorop, het boek “Charley Toorop: Leven en Werken”. Daarnaast publiceerde hij artikelen in vakbladen, waaronder het “Tijdschrift voor Mediageschiedenis”.  Hij doceerde aan de Rijksuniversiteit Leiden en integreerde film daar binnen de opleiding kunstgeschiedenis. In 1990 werd hij in Amsterdam benoemd tot bijzonder hoogleraar in de Geschiedenis en Sociologie van de Film bij de Universiteit van Amsterdam. Zijn werk laat zijn grote interesse zien in hoe verschillende kunstvormen elkaar beïnvloeden en in welke context ze ontstaan en zich ontwikkelen.

“Haagse Bohème op zoek naar Europa” 1992 / Waar staan de beeldende kunsten?

In 1992 analyseerde Frank Boenders  de staat van de Beeldende Kunst en haar rol in de samenleving met scherpe observaties en kritische kanttekeningen. Hij beschreef hoe kunst steeds meer werd opgenomen in een systeem van marktwerking, spektakel en institutionele belangen, waardoor de essentie van kunst dreigde te verdwijnen in een stroom van productie en consumptie. Inmiddels, ruim dertig jaar later, blijkt zijn analyse nog altijd relevant. Musea zijn nog verder geëvolueerd tot culturele merken, kunstbeurzen bepalen mede de waardering van kunst, en de kunstwereld is steeds meer verstrengeld geraakt met economische en sociale dynamieken. Tegelijkertijd blijft de behoefte aan betekenis en reflectie binnen de kunst bestaan. Boenders’ oproep tot een herbezinning op de essentie van kunst blijft daarmee actueel.

Frans Boenders (Antwerpen 1942)  Vlaams radio- en televisieproducent, schrijver en filosoof. Hij studeerde Germaanse filologie en filosofie aan de Katholieke Universiteit Leuven. Hij werkte ruim vijfentwintig jaar voor de Vlaamse publieke omroep als producent van radio- en televisieprogramma’s. Schrijver van een tiental boeken en essays over schrijven, schrijvers en literaire ethica. Hij schreef voor verschillende Vlaamse en Nederlandse literaire en culturele tijdschriften en was hoofdredacteur van magazine Kunst en Cultuur. Hij werkte mee aan kunsttentoonstellingen en -catalogi van onder andere de surrealistisch Belgische kunstschilder René Magritte en art nouveau.

 

“Haagse Bohème op zoek naar Europa” 1992 / Laudatio op het werk van Jirí Kylián

 In 1991 hield Rudy Fuchs, destijds directeur van het Haags Gemeentemuseum, een toespraak bij de uitreiking van de Prijs van de Kritiek aan choreograaf Jirí Kylián. In zijn speech gaat het over de kracht van dans en de manier waarop Kylián hem wist te raken, ondanks zijn beperkte achtergrond in ballet.

Fuchs beschrijft hoe hij aanvankelijk weinig affiniteit had met dans, maar door Kyliáns werk gegrepen werd. Hij vergelijkt de beweging in ballet met beeldende kunst, waarin hij zelf thuis was en ziet in Kyliáns choreografieën een combinatie van precisie, ritme en transformatie. Hij spreekt over de magie van dans als een kunstvorm die stilstand en beweging moeiteloos in elkaar laat overgaan en benadrukt het belang van samenwerking tussen disciplines.

Met humor en persoonlijke anekdotes schetst Fuchs de invloed van Kyliáns werk en de rol van het Nederlands Dans Theater, dat onlosmakelijk met hem verbonden was. Hij  knipoogt naar de beeldende kunst: waar schilders en schrijvers het zonder applaus moeten doen, staat Kylián hier terecht in de spotlights,  bewonderd en erkend.

Rudi Fuchs (1942-2022)  Museumdirecteur en Kunstcriticus studeerde kunstgeschiedenis in Leiden en promoveerde in 1975. Dat jaar werd hij directeur van het Van Abbemuseum in Eindhoven, waar hij vernieuwende tentoonstellingen organiseerde. Later leidde hij het Haags Gemeentemuseum en was hij hoofdcurator van documenta 7 in Kassel (1983). Van 1993 tot 2003 was hij directeur van het Stedelijk Museum Amsterdam, waar zijn tentoonstellingsbeleid zowel invloedrijk als omstreden was. Na zijn vertrek bleef hij actief als schrijver en curator. Fuchs zag kunst als een ervaring, niet als iets om uit te leggen, maar om écht te zien.

 

“Haagse Bohème op zoek naar Europa” 1992 / De Culturele Route van Den Haag naar Brussel en weer terug

In 1991 reflecteerde Hedy d’Ancona, toenmalig minister van Cultuur, op de positie van kunst en cultuur binnen de Europese Gemeenschap. Ze stelde dat de Haagse Kunstkring niet alleen een belangrijke rol had gespeeld in het Nederlandse kunstleven, maar ook in de culturele uitwisseling binnen Europa. De vraag hoe kunst zich zou ontwikkelen binnen een verenigd Europa stond daarbij centraal.

D’Ancona schetste de paradoxen van Europese integratie: terwijl de politieke en economische samenwerking steeds hechter werd, bleef cultuur een terrein waar nationale overheden hun eigen koers bepaalden. Ze benadrukte dat cultuurbeleid per definitie meer was dan een marktmechanisme en dat overheidssteun essentieel bleef om diversiteit en vernieuwing te waarborgen.

Hedy D’Ancona waarschuwde voor de risico’s van een uniform Europees beleid, maar zag ook kansen. Nederland had volgens haar altijd een open cultuur gehad die internationale invloeden absorbeerde zonder zijn identiteit te verliezen. In die open houding lag de kracht voor de toekomst. D’Ancona moedigde kunstenaars en instellingen zoals de Haagse Kunstkring aan om actief deel te nemen aan de internationale culturele dialoog en de mogelijkheden van Europese samenwerking te benutten

Hedy d’Ancona (1937) is een Nederlands socioloog, feminist en politicus die zich haar hele carrière heeft ingezet voor emancipatie, cultuur en sociale rechtvaardigheid. Ze studeerde sociale geografie en sociologie aan de Universiteit van Amsterdam en werd in de jaren ‘70 een van de boegbeelden van de vrouwenbeweging als medeoprichter van Man Vrouw Maatschappij en hoofdredacteur van Opzij.

In de politiek was ze actief voor de Partij van de Arbeid (PvdA), onder andere als staatssecretaris van Emancipatie (1981-1982), minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur (1989-1994) en Europarlementariër. Daarnaast was ze jarenlang voorzitter van Oxfam Novib. Haar werk werd bekroond met onderscheidingen zoals de Aletta Jacobsprijs en de Harriet Freezerring.

D’Ancona blijft een invloedrijke stem in het maatschappelijke debat, met een onverminderde passie voor kunst, cultuur en gelijke rechten.

 

“Haagse Bohème op zoek naar Europa” 1992 / Nederland en Vlaanderen samen in Europa

In 1991 schreef Patrick Dewael, toenmalig Vlaams minister van Cultuur, over de rol van kunst en cultuur in het Europese eenwordingsproces.

Hij benadrukte hoe de Haagse Kunstkring al honderd jaar een platform was voor internationale uitwisseling en de dialoog tussen Nederlandse en Vlaamse kunstenaars bevorderde.

Dewael vond dat culturele samenwerking verder moest gaan dan uitwisseling alleen. Hij pleitte voor een sterker gezamenlijk optreden van Nederland en Vlaanderen in de internationale kunstwereld, onder meer op grote evenementen als de Frankfurter Buchmesse en de Biënnale van Venetië. Daarnaast wees hij op de risico’s van een eengemaakte Europese markt, waarin kleinere culturen onder druk konden komen te staan. Om dit te voorkomen, zette hij zich in voor een cultuurparagraaf in het EG-verdrag, die culturele diversiteit zou waarborgen. Dit verhaal laat zien hoe kunst niet alleen een uiting van creativiteit was, maar ook een middel om identiteit en samenwerking binnen Europa vorm te geven

Patrick Dewael (1955) is een Belgisch politicus van Open Vld en een belangrijke liberale stem in Vlaanderen. Hij studeerde rechten aan de VUB en begon zijn politieke carrière in 1985 als Kamerlid. Vervolgens was hij Vlaams minister van Cultuur (1985-1992), minister-president van Vlaanderen (1999-2003) en federaal minister van Binnenlandse Zaken (2003-2008). Daarnaast was hij driemaal voorzitter van de Kamer en van 1995 tot 2024 burgemeester van Tongeren. Na de verkiezingen van 2024 trok hij zich terug uit de nationale politiek maar bleef lokaal actief. Dewael staat bekend om zijn liberale standpunten en decennialange invloed in de Belgische politiek.

 

“Haagse Bohème op zoek naar Europa” 1992 / Voorrede

Honderd jaar geleden werd de Haagse Kunstkring opgericht naar het internationale voorbeeld van de ‘Cercles d’arts’, een nieuw verschijnsel. Kunstenaars wilden de verschillende kunsten met elkaar in aanraking brengen en een internationale uitwisseling bevorderen. De Haagse Kunstkring heeft het jubileum in 1992 aangegrepen om zich te bezinnen op zijn functie binnen een nieuwe Europese culturele samenleving. De situatie tussen enerzijds de grensoverschrijdende kunstbeoefening en anderzijds het behoud van de taalgebonden, nationale, regionale en zelfs lokale identiteit, wordt door verschillende bijdragen in het boek “Haagse Bohème op zoek naar Europa”, in een nieuw daglicht geplaatst.

Jurri Rooyackers, toenmalig voorzitter, schreef een reflectie op de geschiedenis en toekomst van de Kring. Zijn voorrede, in Haagse Bohème op zoek naar Europa, gaat in op de oorsprong van de Haagse Kunstkring en de veranderende culturele context waarin de vereniging zich bevond.

Rooyackers belicht de internationale oriëntatie van de Kring en de wisselwerking tussen Nederlandse en Vlaamse cultuur. Hij stelt vragen over de rol van kunst in een groter geheel: hoe verhoudt een lokale kunstenaarsvereniging zich tot een breder Europees cultureel landschap? Moet een kunstenaarsvereniging zich vasthouden aan tradities of juist actief inspelen op internationale ontwikkelingen?

Hiermee werd destijds een discussie geopend over de betekenis van kunst en cultuur in een veranderende wereld. 

Haagse Kunstkring: werk verzameld 1977 / Letterkunde en Toneel

De Haagse Kunstkring na de oorlog.

In de jaren na de Tweede Wereldoorlog speelde de HKK een actieve rol in het culturele en maatschappelijke leven van Den Haag. Kunstenaars, schrijvers en musici experimenteerden met nieuwe vormen, terwijl de Kring ruimte bood voor debat en samenwerking. Politiek engagement speelde hierin regelmatig een rol. In de jaren dertig waren leden als Paul Schuitema en Piet Zwart al betrokken bij progressieve en socialistische kringen, en ook na de oorlog bleef de Kring een platform voor geëngageerde kunstenaars en schrijvers. Onderwerpen als dekolonisatie, sociale ongelijkheid en de invloed van kunst op de samenleving kwamen aan bod in lezingen, manifestaties en discussies.

Nico Wijnen (1918-1995), schrijver en dichter, was zelf actief in het culturele debat en speelde een rol in literaire kringen, onder andere via tijdschriften als Maatstaf. Als bestuurslid van de Haagse Kunstkring had hij oog voor zowel de artistieke als de maatschappelijke positie van kunst.

In dit artikel brengt hij die perspectieven samen en schetst hij een beeld van een periode waarin kunst en engagement nauw met elkaar verweven waren.

Haagse Kunstkring: werk verzameld 1977 / afdeling: Toonkunst

De Haagse Kunstkring heeft lange tijd een belangrijke rol gespeeld in het muziekleven van Den Haag. In dit verhaal onderzoekt Chris Verhoog de geschiedenis van de ‘Vierde Afdeling Toonkunst’, die musici en componisten een podium bood. De concerten trokken bezoekers uit verschillende kringen, onder wie leden van het Koninklijk Huis en internationale componisten.

Verhoog laat zien hoe muziek binnen de Kunstkring werd georganiseerd, welke musici er optraden en welke werken er werden uitgevoerd. Hij baseerde zich op archiefmateriaal, programma’s en kritieken en plaatst de ontwikkelingen in een bredere context. Zijn verhaal maakt duidelijk hoe muziek een vaste plaats had binnen de Kunstkring en hoe dat in de loop van de tijd veranderde.

Chris Verhoog (1923-2001) was bas-bariton, dirigent en koorleider. Hij studeerde zang en stemvorming bij Jitske Steendam en leidde verschillende koren, waaronder Gouda’s Liedertafel en het Koninklijk Schiedams Mannenkoor Orpheus. Naast zijn werk als uitvoerend musicus hield hij zich bezig met koorscholing en de opleiding van dirigenten.

 

Het verhaal van de uithuiltegel van Paul van Solingen bij de HKK

Voor de deur van de Haagse Kunstkring ligt een kunstwerk dat misschien niet iedereen meteen opvalt: de ‘Uithuiltegel’ van Paul van Solingen.

Dit werk werd in 1981 door de kunstenaar illegaal geplaatst op het Lange Voorhout, als symbolisch gebaar om verdriet achter te laten en opnieuw te beginnen. De gemeente verwijderde de tegel, maar uiteindelijk kreeg hij een permanente plek bij de HKK.

Sinds 1984 ligt de ‘Uithuiltegel’ daar als een stille getuige van de wisselwerking tussen kunst en openbare ruimte.  

 

Henk Bremmer, een kunstpaus in Den Haag

Henk Bremmer: Kunstpaus en inspirator in de Haagse kunstwereld

Henk Bremmer (1871-1956) was een invloedrijke kunstpedagoog, criticus en adviseur die tussen 1910 en 1940 een belangrijke rol speelde in de Nederlandse kunstwereld. Hij gaf les aan welgestelde kunstliefhebbers, voornamelijk vrouwen, en beïnvloedde met zijn inzichten niet alleen hun smaak, maar ook de manier waarop kunst werd verzameld en gewaardeerd. Zijn naam is onlosmakelijk verbonden met grote verzamelaars zoals Helene Kröller-Müller, voor wie hij aankopen deed en die mede dankzij zijn advies een indrukwekkende kunstcollectie opbouwde.

In haar verhaal over Bremmer, naar aanleiding van het recent verschenen boek Bremmerianen – Julie de Graag en haar kring van Jan Paul Hinrichs, schetst Margreet den Buurman, auteur en lid van de Haagse Kunstkring, een beeld van Bremmers invloed en de kunstenaars en verzamelaars om hem heen. Den Buurman is literatuurhistoricus en biograaf, gespecialiseerd in kunst- en cultuurgeschiedenis.

Haar artikel werpt een blik op de invloed van Bremmer binnen de Haagse kunstwereld en zijn connecties met vrouwelijke kunstenaars, waaronder Julie de Graag. Een fascinerend inkijkje in een periode waarin kunstonderwijs, netwerken en de rol van vrouwen in de kunstwereld een belangrijke verschuiving doormaakten.

Paradijsvogels van de Haagse Kunstkring in het 19e eeuwse fin de siècle.

Willem Leuring: Kunstverzamelaar, mecenas en lid van de Haagse Kunstkring

Sommige leden van de Haagse Kunstkring hebben een blijvende invloed gehad op de kunstwereld. Willem Jan Hendrik Leuring (1864-1936) was zo’n figuur. Als kunstverzamelaar, mecenas en dermatoloog was hij vanaf de oprichting in 1891 betrokken bij de Kunstkring. Hij had een grote interesse in moderne kunststromingen en was nauw verbonden met kunstenaars als Johan Thorn Prikker.

Leuring speelde waarschijnlijk een rol bij de eerste Van Gogh-tentoonstelling in Nederland, die in 1892 in de Haagse Kunstkring plaatsvond. Later organiseerde hij een grote Van Gogh-expositie in Groningen en liet hij in Den Haag de bekende Art Nouveau-villa De Zeemeeuw ontwerpen door Henri van de Velde.

Dit verhaal is geschreven door Margreet den Buurman, auteur en lid van de Haagse Kunstkring. Den Buurman is literatuurhistoricus en biograaf, gespecialiseerd in kunst- en cultuurgeschiedenis. Ze publiceerde onder meer een biografie over Thomas Mann en een dubbelbiografie over de Haagse schilderbroers Willem en Pieter de Zwart. In haar werk brengt ze de verhalen van kunstenaars en culturele figuren tot leven, waarbij de Haagse Kunstkring een belangrijke rol speelt.

 

“Haagse Bohème op zoek naar Europa” 1992 / Anatomie van de Haagse melancholie

In de jubileumuitgave ter gelegenheid van het 100-jarig bestaan van de Haagse Kunstkring in 1991, schreef Peter Berger (1936-2000) een treffend portret van Den Haag en haar kunstenaars. Met een scherp oog voor detail en een diep gevoel voor melancholie, schetst Berger in Anatomie van de Haagse melancholie niet alleen het karakter van de stad, maar ook de rol van de Haagse Kunstkring als bron voor creativiteit en inspiratie.

De HKK, ontmoetingsplek voor schrijvers, schilders, musici en andere kunstenaars, speelt in Berger’s verhaal een bijna mythische rol. Het is de plek waar de ziel van Den Haag tot uiting komt: verfijnd, weemoedig en altijd in beweging. In zijn verhaal neemt Berger je mee langs de statige lanen, sfeervolle cafés en artistieke kringen van Den Haag, waarin grote namen als Louis Couperus, Willem Kloos en Jacques Bloem de toon zetten.

Met gevoel voor de tijdsgeest weet Berger de unieke Haagse combinatie van grandeur en vergankelijkheid te vangen. Anatomie van de Haagse melancholie  is een ode aan de stad en de kunstenaars die haar gemaakt hebben, maar ook aan de Haagse Kunstkring zelf: een onmisbare spil in het culturele leven van Den Haag. Het verhaal laat zien hoe kunst en literatuur de stad tot leven brengen en hoe de Kunstkring altijd een thuis biedt aan de Haagse bohème.

Een bijzonder en hier en daar vilein verhaal, ervaar hoe Den Haag, haar kunstenaars en de Haagse Kunstkring samenkomen in een meeslepend portret van kunst en melancholie.

Peter Berger was behalve dichter ook de soms meedogenloze woordvoerder van de jaren ’60. Hij was 25 jaar lang hoofd letteren bij het Ministerie van CRM/ WVC. Harry Mulisch noemde hem ooit de enige ambtenaar aan wie hij de beoordeling van literatuur durfde over te laten.

 

“Haagse Bohème op zoek naar Europa” 1992 / Een gezellige en nuttige vereniging

De Haagse Kunstkring en het kunstverenigingsleven rond 1900

Aan het eind van de 19e eeuw veranderde het kunstklimaat in Nederland. Kunstenaars zochten nieuwe vormen van samenwerking en voelden zich niet altijd thuis bij gevestigde verenigingen zoals Pulchri Studio en Oefening Kweekt Kennis. In deze periode ontstond de Haagse Kunstkring (1891), een vereniging waarin schilders, schrijvers, musici, architecten en toneelspelers samenkwamen.

In De Haagsche Kunstkring in het kunstverenigingsleven rond 1900 onderzoekt literatuurhistoricus Ton van Kalmthout de positie van de Kunstkring binnen deze veranderingen. Van Kalmthout, senior onderzoeker literatuurgeschiedenis verbonden aan het Huygens Instituut en hoogleraar aan de Universiteit Leiden, belicht in dit artikel hoe de Haagse Kunstkring zich onderscheidde van andere genootschappen en hoe zij uitgroeide tot een platform waar vernieuwende kunst werd gepresenteerd en beoefenaars en liefhebbers elkaar ontmoetten.

Van Kalmthout neemt ons mee naar het kunstleven rond 1900 en laat zien hoe de Haagse Kunstkring niet alleen een reactie was op bestaande kunstverenigingen, maar ook een impuls gaf aan nieuwe vormen van samenwerking en artistieke expressie. Dit verhaal, afkomstig uit de publicatie De Haagse bohème op zoek naar Europa (1992), biedt een helder beeld van een periode van grote veranderingen in het Haagse kunstleven.

Haagse Kunstkring: werk verzameld 1977 / eerste afdeling: Schilder en Beeldhouwkunst

Dit verhaal van kunsthistoricus Ronald de Leeuw, voormalig directeur van het Van Gogh Museum en het Rijksmuseum, gaat over de eerste afdeling van de Haagse Kunstkring. Vanaf de oprichting in 1891 tot aan de jaren zeventig laat het zien hoe deze afdeling, die begon als Schilder- en Beeldhouwkunst en nu Beeldende Kunst en Architectuur en Design heet, zich ontwikkelde.

Van Théophile de Bock, een van de oprichters, tot Hermanus Berserik en zijn generatie: het verhaal laat zien hoe kunstenaars hier samenkwamen, werkten en exposeerden. Tentoonstellingen, discussies en nieuwe ideeën speelden een grote rol.

Een heel bijzonder moment was de allereerste Van Gogh-tentoonstelling in Nederland, georganiseerd door de Haagse Kunstkring in 1892. Kunstenaar Jan Toorop stelde deze tentoonstelling samen en toonde het Nederlandse publiek voor het eerst een overzicht van Van Goghs werk, op een moment dat hij nog onbekend was.

Dit verhaal geeft een helder beeld van hoe kunst en kunstenaars zich binnen de Haagse Kunstkring hebben bewogen en hoe deze afdeling een blijvende invloed had op het kunstklimaat in Den Haag.

Haagse Kunstkring: werk verzameld 1977 / tweede afdeling Architectuur en Kunstnijverheid

Sinds de oprichting van de Haagse Kunstkring in 1891 speelt de tweede afdeling, tegenwoordig bekend als Architectuur en Design, een cruciale rol in de ontwikkeling van architectuur en kunstnijverheid in Den Haag. Deze afdeling bood architecten en ontwerpers een platform voor tentoonstellingen, debatten en samenwerkingen, waardoor zij bijdroegen aan de evolutie van de moderne bouwkunst.

Vanaf de eerste exposities tot de vernieuwende aandacht voor stadsuitbreiding en volkswoningbouw in de twintigste eeuw stond de wisselwerking tussen vorm, techniek en esthetiek centraal. De afdeling fungeerde als een broedplaats voor ideeën en experimenten, waarbij de dynamiek van de Haagse stedelijke ontwikkeling steeds werd weerspiegeld in de thema’s en activiteiten.

In 1977 beschreven Rudolphine Eggink en Peter Fuhring deze rijke geschiedenis, waarin de invloed van de afdeling op de stad Den Haag onmiskenbaar is. Hun verhaal laat zien hoe de discipline van architectuur en design zich binnen de Haagse Kunstkring heeft ontwikkeld en een blijvende stempel op de stad heeft gedrukt.

 

 

Haagse Kunstkring werk verzameld 1977 / derde afdeling Fraaie Letteren

Dit verhaal van Albert Vogel jr uit 1977 beschrijft de geschiedenis van de afdeling Fraaie Letteren, nu bekend als de afdeling LTF (Letteren, Theater, Film), binnen de Haagse Kunstkring. Vanaf de oprichting in 1891 tot na de Tweede Wereldoorlog speelde deze afdeling een rol in het literaire en artistieke leven van Den Haag.
Vogel gaat in op de invloed van schrijvers als Marcellus Emants, Louis Couperus en Paul Verlaine, maar besteedt ook aandacht aan minder bekende leden die de dynamiek van de Haagse Kunstkring mede bepaalden. Hij laat zien hoe literatuur, theater en voordrachtskunst zich binnen de HKK ontwikkelden en hoe zij in wisselwerking stonden met andere kunstvormen, zoals muziek, toneel en schimmenspelen.
Ook experimentele initiatieven komen aan bod, waaronder de eerste Nederlandse Dada-bijeenkomst in 1923. Het schetst de Haagse Kunstkring als een plek waar schrijvers, kunstenaars en performers elkaar ontmoetten en waar nieuwe ideeën en stromingen samenkwamen.