
door Geert van Istendael
De Nederlandse cultuur bestaat niet. Ze kan dus niet worden verdedigd. De Nederlandse taal bestaat wel. Zij behoeft dringend verdediging.
Les pays francophones, ook die landen die maar gedeeltelijk Franstalig zijn, hebben een machtige internationale organisatie in het leven geroepen om hun taal te verdedigen. Os paises lusofonos, de landen waar de officiële taal Portugees is, zijn lid van een vergelijkbare alliantie.
Zij komen op voor een taal en niet voor een cultuur. Dat laatste zou erg moeilijk zijn, aangezien in landen zo uiteenlopend als Angola, Brazilië en Portugal Portugees wordt gebruikt. En het Frans is zo sterk verspreid over de hele wereld dat ik alleen al door de lijst van Franstalige staten over te schrijven een flink deel van de mij toegewezen ruimte in deze bundel zou kunnen vullen.
Moeten wij nou per se dat Latijnse model volgen en onze taal strak, gecentraliseerd, jacobijns en pretentieus beginnen te verdedigen? Ik weet niet precies welk model we moeten volgen. Ik ben ervan overtuigd dat de Nederlandse taal verdediging verdient en de redenen liggen voor het oprapen. Ze is prachtig, uniek, dus onvervangbaar en ze is vooral niet erg groot. En het Engels dan, dat bloeit en groeit en het verdedigt zich niet. Dat Engels redt zichzelf wel. Er zijn meer dan genoeg mensen die het dagelijks spreken en schrijven en dus vind je er meer dan voldoende die zorg dragen voor hun taal, professoren uit Oxford, Lagos of Sydney of schrijvers die in Antibes wegkwijnen of een doodgewone groenteman uit Poughkeepsie. Omdat Engels zo massaal wordt gebruikt, gaat er een bijna onweerstaanbaar wervende werlking van uit. En vergeten we tenslotte niet dat het Engels over een kolossaal commercieel apparaat beschikt dat genadeloos jonge mensen aanrandt waar ook ter wereld. Het middel is eenvoudig: uitsluiting, isolement. Je adoreert Angelsaksische muziek, films, politieromans, filmsterren of je hoort niet bij de groepen waar je zo graag bij wilt horen. In de hele wereld is Engels, zeker Amenkaans Engels, de taal van het geld, dus de taal van de macht, dus drager van een begeerd cultureel model. Wie poen heeft spreekt Engels. Het Engels is de taal van de baas en is dus de baas.
Ik sprak onlangs nog met een Hongaarse vertaalster. Ik ken geen Hongaars, zij spreekt voortreffelijk Nederlands. Hongaarse uitgevers willen niets meer uit het Nederlands vertalen, ze vragen uitsluitend en alleen nog vertalingen van Engelse en Amerikaanse populaire boeken.
Wie ooit gezien heeft welke schitterende boeken de Hongaren, ondanks censuur, tot voor kort uitgaven, weet meteen dat het Angelsaksische cultuurmodel nu ook doordringt tot in gebieden waar het tot dusver uit werd geweerd. Mijn Tsjechische, roomskatholieke vriend, een echte dissident, hij behoort tot de persoonlijke kennissenkring van Vàclav Havel, mijn vriend dus heeft een dochter. Op haar school in Praag moesten de ouders kiezen welke buitenlandse taal voortaan aangeleerd zou worden, Russisch of Engels. Iedereen koos Engels, behalve mijn al lang voor 1989 zéér dissidente vriend en een eenzame communist. Nee, het Engels verdedigt zichzelf wel.
Het Nederlands is ondanks het koloniale verleden niét alomtegenwoordig en niét expansief. Als je ziet hoe Nederlandse politici en zakenmensen paringsdansen rond het Engels uitvoeren, als ik hoor hoe Vlaamse machthebbers en industriëlen het Nederlands met botte marteltuigen bewerken, dan begin ik te vrezen dat het Nederlands weerloos is. «Alles van waarde is weerloos» schrijft Lucebert, die oerhollandse dichter. Het wordt hoog tijd dat het verweer georganiseerd wordt.
Eerst schoppen we valse bescheidenheid de deur uit. In Europa is het Nederlands géén kleine taal. Niet eens drie keer meer mensen spreken Frans, Engels, Italiaans, Spaans. Pools is iets groter dan Nederlands, Duits behoorlijk, Russisch veel groter. Kleiner zijn Tsjechisch, Slovaaks, Grieks, Servokroatisch, Hongaars, Sloveens, alle Scandinavische talen samen, en zeker alle Baltische of Keltische talen samen. Het Roemeens is ongeveer even groot.
Wie neerkijkt op het Nederlands omdat het zo’n klein taaltje zou zijn, heeft dus ongelijk. Niemand vindt het vreemd dat Zweden Zweeds of Finnen Fins spreken. Maar het lijkt wel alsof er aanstoot aan wordt genomen dat wij Nederlands spreken, erger, het komt me voor dat Nederlanders en Vlamingen er zélf aanstoot aan nemen dat ze Nederlands spreken. We hebben daar elk zo onze eigen manier voor.
Wij, Vlamingen, koesteren ons met overgave in het bedompte warmte van ons Vloms. Vloms bestaat natuurlijk niet maar we doen maar wat graag alsof. Dat West-Vlaamse, Kempense of Voerense dialecten veel meer met Zeeuws-Vlaams, Noord-Brabants of Maastrichts te maken hebben dan met elkaar, kan ons niet deren. En ik wil geen kwaad woord horen over die dialecten, die zijn allemaal even sterk, waardig en, op zijn tijd, uitbundig vrolijk. Daar gaat het nu eens niét over. Maar dat driekwart van ons gezellige debielen-taaltje Belgisch is, dus half verteerd en krom vertaald Frans en geen dialect, dat proberen we hardnekkig te vergeten. Het is van ons, het is toch zo vertrouwd en, enorm voordeel, we hoeven niet de geringste inspanning te leveren voor onze taal. Die hebben we toch al geleverd zeker of kennen jullie onze taalstrijd niet? Nee, we kunnen lekker lui op onze Vlomse kont blijven zitten en de sappige Vlomse vruchten proeven, al zijn die dan ook voos. Ons smakken klinkt verrukt maar onze kaken plakken.
Drommen Nederlanders zijn dan weer beschaamd dat ze Nederlands moeten spreken, dat godvergeten gerochel uit de kleffe polders. Ze schakelen panisch op Engels over als ze een kilometer ver een buitenlander vermoeden en onder elkaar hebben ze hun mind nog niet opgemaakt of het gebruik van het Nederlands nog wel fashionable of überhaupt een issue is die worth while is om er brain over te stormen. Trots zijn op je taal, daar wordt lacherig laatdunkend op gereageerd. Trots op je taal zijn, ach, je kunt misschien nog beter als volwassene in een padvindersbroek rondwandelen. Of anders is de reactie vijandig, trots op je taal zijn, dat ruikt naar bloed en bodem. Of anders wordt gereageerd met onbegrip en onverschilligheid. Wie is nou nog trots op zijn taal? Je moet wel achterlijk zijn, morgen spreekt toch iedereen Engels.
Daarnaast tref je in Nederland en vooral in de Randstad een zo mogelijk nog bekrompener taalopvatting dan in België aan. Elk woord dat niet past in de randstedelijke woordenschat is verkeerd, bestaat niet, is Vlaams, is dialect. Telkens als ik zulke opmerkingen hoor, ga ik in Van Dale kijken en keer op keer stel ik vast dat heel gewone, fraaie Nederlandse woorden door de Hollandse spraakmakende gemeente niet worden geduld, beestig bijvoorbeeld of het werkwoord waarborgen of een woord als uitstalraam.
Beide vormen van luiheid verafschuw ik, de eerste omdat ze onze taal in haar bestaan zelf bedreigt, de tweede omdat ze grote delen van onze taal amputeert. Noch de Vlaamse, noch de Hollandse luiheid kunnen we ons veroorloven. Als we ervan uitgaan dat de Nederlandse taal verdediging verdient, dan is de eerste defensielijn al de eenheid van de taal. Is die eenheid dan niet evident? Vergeet het maar. Zelfs eminente Neerlandici zeggen ons dat de taal in Vlaanderen toch wel zeer sterk verschilt van de taal in Nederland. Zij hebben dat wetenschappelijk vastgesteld. Prachtig. We moeten hun wetenschappelijk werk lezen, met aandacht, maar zeker niet met veel eerbied. Dan weten we tenminste waar de problemen voor onze defensie liggen.
Het is toch zeer vreemd dat de eenheid van bijvoorbeeld de Duitse taal nooit wordt aangevochten, hoewel Duits wordt gesproken in Duitsland, Oostenrijk, Zwitserland, Italië en België. Als je de criteria van onze neerlandici op het Duits zou toepassen dan had je drie of vier talen en toch is er maar één Duits. Daar hebben de Oostenrijkers zich nooit iets van aangetrokken. Kafka? Een Tjechische jood, hoort bij de Duitse literatuur, schreef Prager Deutsch. Stefan Zweig, een joodse Oostenrijker van onder meer Moravische afkomst, hoort bij de Duitse literatuur en was goed bevriend met René Schickele, een Elzasser, eerst Duits, dan Frans, de Fransen schreven zijn naam altijd Schickelé, maar hij hoort bij de Duitse literatuur. Ben ik hier nou een bruin gekleurd pleidooi aan het houden voor Gross-Deutschland? Allerminst. Ik ril bij de gedachte alleen al. Ik wil slechts zeggen dat mensen die uit verschillende landen en sterk verschillende culturen afkomstig zijn, toch één taal kunnen spreken, ook al wonen ze niet in hetzelfde land en dat je heel goed vanuit allerlei onverwachte hoeken deel kunt hebben aan de grensoverschrijdende cultuurvormen die verbonden zijn met die taal.
De Fransen verdedigen graag la francophonie buiten de grenzen van de Franse Republiek. Maar ze horen niet graag dat in een paar oostelijke departementen honderdduizenden mensen Duits spreken. Dat is geen Duits, c’est tout-à-fait différent, dat is alsacien of lorrain, vous n’aurez pas l’Alsace et la Lorraine, alles wat je maar wilt maar géén Duits. Volgens die opvatting wordt iedere afwijkende taal een streektaal, dus minderwaardig, en kan de overheersende positie van het officiële Frans makkelijker gehandhaafd blijven.
Uitgerekend dat trucje hebben de Franstaligen in België ooit met het Nederlands willen uithalen. Toen negeren niet meer kon, toen brute onderdrukking niet meer hielp, probeerden ze te verdelen en zo te heersen: «Jullie willen toch niet beweren dat jullie Nederlands praten!??!! Ah, non! C’est tout-à-fait différent! Jullie spreken Vlaams!»
Dat kon je horen uit de mond van mensen die nauwelijks Nederlands kenden, ten hoogste een paar woorden dialect.
Het ongelooflijke is nu dat Nederlanders én Vlamingen nog elke dag dat onderscheid hanteren, een onderscheid dat werd uitgevonden door mensen die onze taal hebben proberen te vernietigen en, toen dat niet lukte, haar tot een folkloristisch verschijnsel wilden terugbrengen. Gelukkig heeft de Vlaamse emancipatiebeweging al heel vroeg gekozen voor de eenheid van de Nederlandse taal. Dat was in de eerste helft van vorige eeuw helaas géén evidentie. Zo verzetten de taalparticularisten, bijvoorbeeld Guido Gezelle, zich daar heftig tegen, uit roomse overtuiging vaak. En hoewel volgens de Belgische grondwet het Nederlands en niet het Vlaams in België officieel wordt erkend, tooien de Belgische Nederlandstaligen zich nog altijd met de bekrompen, zelfgenoegzame en historisch door en door valse naam Vlaams gemeenschap. De Belgische Franstaligen gebruiken inderdaad de groepsbenaming «Communauté historisch door en door valse naam Vlaamse gemeenschap. De Belgische française de Belgique». Zo logisch waren wij niet en zijn wij nog altijd niet. Een politieke discussie over die pijnlijke fout bestaat niet. De stommiteit wordt nou eenmaal niet ingezien. Het is dus niet zo verbazend dat die eerste verdedigingslinie, de eenheid van de Nederlandse taal, het allernoodzakelijkste dus, er zo verwaarloosd bijligt.
Gelukkig bestaat het Taalunieverdrag. Het is dan ook zonde en jammer dat de Taalunie als belangrijkste, zeg maar enige doel heeft de productie van bedrukt papier in de Benelux tot indrukwekkende hoogten op te voeren. Waar zijn de scherpe, officiële protesten wanneer een of andere buitenlandse Beotiër het durft te hebben over Nederlands en Vlaams?
Waar is het tijdschrift dat in het buitenland de Nederlandse taal verdedigt? Waarom vindt het lichtende voorbeeld van «Septentrion. Revue de culture néerlandaise» van de Stichting Ons Erfdeel en vooral van de onvermoeibare Jozef Deleu geen navolging in het Engels of het Duits? En ik knies niet over dat woord «culture» waar ik het niet mee eens ben.
Waar is de radio-omroep die in een half dozijn talen vertelt hoe schitterend en belangrijk het Nederlands is? Gezanik over bevoegdheden zou niet mogen worden geduld. De ambtenaren van de Taalunie moeten tegen hun bevoegdheden aanbonken tot de ministers van cultuur hoofdpijn krijgen. En van ministers van cultuur gesproken, waarom richten mevrouw D’ancona en meneer Dewael niet samen een cultuurraad op voor het héle taalgebied? Toen ik dit schreef was meneer Dewael een nieuwe cultuurraad voor Vlaanderen aan het maken, tégen de verzuiling in, hulde, hulde. We zullen nog zien of dat originele initiatief niet in de kiem gesmoord wordt. Politiek Vlaanderen begint er steeds meer uit te zien als het laatste bolwerk van Oosteuropese bekrompenheid en onbekwaamheid. Het laatste wat geduld wordt, is onafhankelijkheid, vrijmoedigheid, een daad of woord dat afwijkt van de van boven op de zuilen gedecreteerde verstarring. Ik wens de niet verzuilde Cultuurraad dus het allerbeste. Ik verwacht het allerslechtste. Maar «point n’est besoin d’espérer pour entreprendre…»
Alleen werd die Cultuurraad helaas beperkt tot de (brrr) Vlaamse Gemeenschap? Intussen heeft een Comité van Wijzen in opdracht van de Vaste Gemengde Commissie ter uitvoering van het Cultureel Verdrag tussen Nederland en Belgie een rapport klaar waarin het wenselijk wordt geacht een «Nederlands-Vlaamse Culturele Raad» op te richten. De Vlaamse en Nederlandse regering hebben dat rapport gekregen, excuses hebben de politici niet meer. Maar de Nederlanders mogen nu eens even niet te ambtelijk doen en de Vlamingen zouden hun waanzinnig makende politieke gekonkel moeten vergeten. In die raad moet een beperkt aantal wijze vrouwen en mannen zitten; niet té wijs, wel eigenan nig, wars van politiek, een tikkeltje brutaal en letterlijk grensverleggend dienen ze op te treden.
Het Nederlandse taalgebied in Europa ligt bijna uitsluitend in twee landen. Onze verdedigingslinie vertoont een lelilke, oude barst. De bevolking van het koninkrijk Nederland is twee en een half keer zo groot als de Nederlandstalige bevolking in Belgie. Het numerieke overwicht van de ene groep op de andere is dus niet zo verpletterend als dat van de Fransen op de Franstalige Zwitsers of Belgen of dat van de verenigde Duitsers of de alemannische Zwitsers en de Oostenrijkers. De kleinere groep Nederlandstaligen laat zich niet iets opdringen door de grotere, onder meer omdat in die kleinere groep het besef leeft dat ze de Nederlandse taal helemaal alleen heeft behoed en verdedigd zonder veel hulp van de grotere taalgenoot. Het sterk ontwikkelde staatsbewustzijn van de noordelijke Nederlandstaligen bracht hen er in het verleden toe zich tot de andere staat, België dus, te richten, hoe Franstalig die ook officieel was en hoezeer die ook het voortbestaan van de Nederlandse taal bedreigde. Het Nederlandse koninkrijk wantrouwde de Vlaamse emancipatiebeweging zeer. Bovendien ontbrak belangstelling voor de meest elementaire feiten over het gebied beneden de zuidergrens.
De laatste jaren stel ik bij Nederlandse journalisten die geaccrediteerd zijn in Brussel, bij Nederlandse uitgevers, schrijvers en theatermensen, in kranten, radio en televisie een steeds grotere aandacht voor Vlaanderen vast. We beschimpen elkaar al zo gauw en zo gemakkelijk. Geen van de twee is groot en sterk genoeg om de ander het zwijgen op te leggen en een derde om ons op onze dwaasheden te wijzen is er niet.
Nederlanders blinken misschien uit in tactloosheid – in Vlaanderen kweken we maar al te graag een smartelijk minderwaardigheidscomplex. «De Nederlanders hebben ons in de steek gelaten toen onze taal door het Frans werd bedreigd en nu minachten ze ons». In beide verwijten zit wel waarheid maar het is niet de volledige waarheid. Dat dankzij het Hollandse Bewind (1815 – 1830) en dank zij de autocratische, Hollandse koning Willem I de Nederlandse taal in België van de totale ondergang werd gered, vergeten we gemakshalve. Zonder Willem I en de al te korte vereniging met Nederland zou nu in België nauwelijks meer Nederlands gesproken worden dan in de omgeving van Steenvoorde en Hondschoote, dus in het Département du Nord in Frankrijk, u weet wel, la Flandre française. Dat we ons in 1830 losgescheurd hebben van Nederland omdat we ten achteren waren en onze roomse geestelijkheid geloofden, die, wat dacht u dan, niet het belang van de parochianen maar wel dat van de Kerk diende, dat ontgaat ons, Vlamingen, wel eens.
Dat bijna heel onze Vlaamse literatuur alleen maar werd uitgegeven dank zij Hollandse uitgevers, weten we dat eigenlijk wel? Geen Claus, geen Boon, geen Elsschot zonder de Bezige Bij, de Arbeiderspers en Van Kampen. Achter mij in de boekenkast staat het verzamelwerk van Van de Woestijne – dank zij de goede zorgen van C.A.J. van Dishoeck uit Bussum. En de grollen en grappen van Felix Timmermans ontlokken de beroemde gulle Vlaamse lach aan de gemoedelijke Vlamingen dank zij, alweer, P.N. van Kampen & Zn. uit Amsterdam. Het kon ook niet anders. De Nederlandse taal was in België te zeer bezig met het barre gevecht om haar naakte leven te redden. En voor het overige was er, zeker in het Vlaamse land, wel de Kerk die het zedelijke peil van de boeken controleerde. Hoewel het gevecht grotendeels achter de rug is en de Kerk steeds minder controleert, blijven de Nederlandse uitgeverijen Vlamingen aantrekken. Nolens, De Kuyper, De Martelaere, Hemmerechts, Lanoye, Van Vliet, Van hee en Uw dienaar voelen zich uitstekend thuis bij die Nederlanders.
Gebrek aan belangstelling, wederzijdse beschuldigingen, zelfgenoegzaam en wat minachtend de ander bekijken vanachter de veilige rijksgrens, nee. Als we willen dat onze gemeenschappelijke taal in Europa overeind blijft, laten we dat wederzijdse onbegrip beter heel snel varen. We horen samen onze taal in Europa te verdedigen omdat zij de draagster is van een erfgoed dat Europa niet mag, zelfs niet kan missen.
De Nederlandse taal overkoepelt zoals geen enkele andere in Europa, behalve misschien het Hongaars, de tweespalt tussen calvinisme en rooms-katholicisme. In je eigen taal bots je telkens weer op de overkant, dat andere, die vreemde woordenschat, die buitengewoon bizarre, zo verschillende wereld. In de Nederlandse poëtische traditie tref je èn Achterberg aan èn Gezelle, èn Gerhardt èn Kemp, èn Revius èn Claus. Je hoeft niet over te stappen naar een vreemde taal om te kunnen zwerven van wierook tot psalm, van predestinatie tot biecht.
In het Nederlandse taalgebied slaagde èn mislukte de belangrijkste opstand tegen het koninklijke gezag en de pauselijke corruptie uit de Europese geschiedenis. De opstandelingen kwamen aanvankelijk vooral uit het zuiden, uit het al vermelde Steenvoorde, het zuiden dat later aan de Spaanse bezetter ten prooi viel. En eeuwen later zouden in onze taal de meest gedurfde en vernieuwende boeken over roomse theologie verschijnen die Europa ooit zag, onder meer geschreven door een Vlaming die in Nederland woont.
In het Belgische deel van het taalgebied dreigde het Nederlands te verdwijnen maar het werd gered door taai volgehouden, vredelievend en democratisch gestructureerd verzet, vaak van heel gewone mensen. Ik wil hier geen enkele fout van de Vlaamse emancipatiebeweging verdonkeremanen maar ik blijf volhouden dat de geweldloosheid en het respect voor de parlementaire democratie de kern vormen van de Vlaamse ontvoogdingsstrijd. Europa kan daar veel van leren, juist nu in de landen die pas het socialisme hebben afgezworen het nationalisme van deelgebieden met dikwijls oude beschaving gewelddadig wordt tegengewerkt. Het is geen toeval dat Oost- en Centraal Europese delegaties in België komen kijken hoe je een netelig nationaliteiten vraagstuk zonder bloedvergieten oplost. Ook dat kun je mededelen in het Nederlands.
In het Nederlandse deel bestaat een eeuwenoude, breeddenkende, genereuze en zorgvuldige uitgeverstraditie. Van de «Principia Philosophiae en de «Discours de la Méthode» van Descartes tot de brieven van Belle van Zuylen bewijzen Nederlandse uitgevers dat zij uit de evolutie van de Europese culturele traditie niet weggecijferd kunnen worden. Welnu, die mensen spraken, spreken, schreven, schrijven Nederlands in het dagelijkse leven, in het uitgeverswerk van elke dag.
Hoewel in de achttiende eeuw de hele Europese adel elegante Franse conversaties voerde, denk ik toch dat nergens anders de contacten met de Franse taal en cultuur zo intensief waren als in Vlaanderen. Zo intens was het contact, zo lang heeft het geduurd, tot diep in de twintigste eeuw, dat we er bijna aan stierven. Maar zelfs de meest bedreigende onderdrukking kan voordelen hebben. Je zou, een beetje rancuneus, zelfs kunnen stellen dat we onze beste schrijvers aan de Franse taal hebben verloren, Charles de Coster, Emile Verhaeren, Maurice Maeterlinck, Michel de Ghelderode. Jevgeni Jevtoesjenko zei me ooit dat in zijn jonge jaren de Russische vertaling van «La légende d’Ulenspiegel» zijn lievelingsboek was. Alleen wist hij niet dat Charles de Coster het in het Frans had geschreven, zo Vlaams, Brabants, Nederlands dus is dat boek. Ik vind dat diepgaand contact met het Frans gecultiveerd dient te worden in ons taalgebied, al was het maar om de beate aanbidding van het Engels te ontluisteren.
Ik zou het hier nog kunnen hebben over de zeer verschillende vrouwenculturen in ons taalgebied, over de allochtone culturen die moeizaam proberen de weg te vinden tussen aanpassing en behoud van traditie. We zouden eens kunnen nadenken over de bijdrage die allerlei culturen leveren tot onze ene Nederlandse taal. Nederlandse schrijfsters hebben de Antwerpse Anna Bijns tot symbool uitgeroepen, een grensoverschrijdende prijs draagt haar naam. Surinamers, Marokkanen, Turken en wat voor broeders en zusters er nog allemaal door Vlaamse klei of Hollandse modder ploeteren, ze beginnen op een uiterst interessante manier onze taal en literatuur te verrijken. Dat verdient steun, hulp, aanmoediging. We zijn het de grote geschiedenis van onze Nederlandse taal verschuldigd.
De Nederlandse taal omarmt trouwens dagelijks de Franse en een reeks andere Europese en overzeese talen en wel in de grootste stad van ons taalgebied, het tweetalige Brussel. Ik beweer niet en heb nooit beweerd dat die coëxistentie zonder problemen verloopt. Wie iets wil lezen over de botsingen tussen Nederlands en Frans neme «Het Belgisch labyrint».
Hier wil ik alleen zeggen dat zowel Vlamingen als Nederlanders er zich weinig of geen rekenschap van geven dat in Brussel de Nederlandse taal en de culturen die zij uitdrukt zich elke dag opnieuw moeten meten met een reeks andere Europese en niet-Europese culturen. Dat heeft soms bizarre gevolgen. In Nederlandstalige Brusselse scholen zitten twintig, dertig, het kan oplopen tot negentig procent kinderen die thuis geen Nederlands spreken. Ik ken schoolmeisjes die thuis naar de RTBF en France Trois kijken en tevens de boeken van Paul Biegel en Tonke Dragt verslinden. Het Nederlandstalige theater, dat zo wordt bewonderd in Holland, krijgt waarderende besprekingen in Brusselse Franstalige kranten. In Brussel horen Eurocraten uit Griekenland, Denemarken of Frankrijk voor het eerst Nederlands, op hun werk, zeker, maar net zo goed op straat en in de metro. In Brussel staat het Nederlands open voor Europa. Het hoofdstedelijke Brusselse Gewest heeft een goed uitgebalanceerd tweetalig statuut, het zoveelste voorbeeld van secuur Belgisch meet- en paswerk om de rechten van de twee talen te garanderen. Dat is een veelbelovend uitgangspunt. Nu is het dringend nodig dat Vlaanderen en Nederland samen een cultuurbeleid beginnen te ontwerpen dat zelfbewust gebruik maakt van de mogelijkheden die een grote stad met veel culturen biedt. Een vergelijkbare culturele ruimte vind je niet zo gauw. Oh ja, er was ooit het Tsjechisch-Duits-Joodse Praag, de briljante hoofdstad van Masaryks republiek der vele volkeren. Maar van die samenleving blijft alleen de herinnering over. Brussel kan een nieuwe kans bieden. Tot nu toe betekent Europa in het algemeen dat ten behoeve van machtige financiële en industriële conglomeraten een economische ruimte wordt gevormd waarin ze zich ongebreideld kunnen verrijken en dat in de Europese hoofdstad Brussel alles wat binnen het bereik van de Europese instellingen ligt brutaal en op grote schaal wordt vernield.
Vlaanderen en Nederland hebben de plicht om juist in Brussel samen op te komen voor de culturele waarde van Europa, al was het maar omdat Brussel oorspronkelijk en eigenlijk tot voor kort een bijna uitsluitend Nederlandstalige stad was, maar al net zo goed omdat het institutionele Europa lak heeft aan cultuur en omdat onze taal en onze culturen buitengewoon sterke voorbeelden zijn van Europa’s culturele waarde bij uitstek, de verscheidenheid.
In de Lage landen bestaat een uitzonderlijk rijke traditie van culturele verscheidenheid en daar is onze middelgrote taal de draagster van. Wie de minder grote talen in Europa wil laten vervangen door Engels of Frans dient dan ook bestreden te worden. En als Nederlanders of Vlamingen redden dat op de universiteit de colleges voortaan maar beter in het Engels worden gegeven, dan zullen we hen alleen maar niet in een vochtige kerker werpen omdat wij dank zij de Nederlandse traditie humaan zijn en omdat de vrije meningsuiting ons zo lief is. Maar de grens van het toelaatbare is wel bereikt. Je kunt toch niet toestaan dat je bestaan zelf in twijfel wordt getrokken. Welnu, de mensen die het Nederlands willen vervangen door het Engels omdat het Nederlands ongeschikt zou zijn voor internationaal verkeer bedreigen ons allemaal. Hun brein is zo ontwikkeld als de binnenkant van mijn p.c., dit wil zeggen dat het onvoorstelbaar primitief is. In dit Nederlandse boek laat ik een waarschuwing horen. Wij in Vlaanderen weten precies wat het betekent als mensen je komen vertellen dat je taal niet geschikt is om te worden gebruikt in de grote, serieuze wereld. Tientallen jaren hebben ze ons dat verteld in het Frans, de mensen die ons diep verachtten, die ons wilden dwingen tot een eeuwig verblijf in de achterkeuken of nog liever in de stal.
Het Engels is geen haar beter. Frans en Engels, dat zijn grote talen. Hun nadelen zijn zo groot als zijzelf. Het Nederlands is veel kleiner en dat is een voordeel. Niet alleen kunnen wij door onze culturele rijkdom rustig concurreren met de grotere cultuurgebieden in Europa. Ons voordeel is vooral dat wij veel minder op onszelf zijn gericht. In plaats van te verzuipen in het Engels leren we ook nog Frans en Duits en Spaans en Russisch en Sloveens voor mijn part. Maar het Nederlands mogen we niet opgeven, nooit.
Ik pleit hier dus onbeschaamd voor taalnationalisme. Op school dient trots op de hele taal, op de hele literatuur in de hoofden van de leerlingen te worden geheid. Ik las onlangs dat middelbare scholieren in Nederland bijna geen belangstelling hebben voor boeken van Vlaamse schrijvers. Dat is onduldbaar, er worden genoeg goede boeken door Vlamingen geschreven, er is genoeg keuze na Ruyslinck of Lampo. Eigenlijk zou er geen verschil mogen bestaan in het taal- en literatuuronderricht van de twee landen. Handboeken en leraars/leraressen zouden volkomen uitwisselbaar moeten zijn.
Het is een gruwel dat de Stichting Vertalingen kapot is gegaan. De Vlaamse minister van cultuur Dewael zei bij de voorstelling van zijn recente boek «De warme hand» dat de Vlaamse Gemeenschap sindsdien veel meer doet voor de promotie van Vlaamse auteurs in het buitenland. Het is natuurlijk prachtig dat Vlaamse auteurs in het buitenland worden gelezen maar die afzonderlijke benadering is verkeerd. Buitenlanders moeten wel denken dat er een Vlaamse en Hollandse literatuur is en dus ook dat er een afzonderlijke Vlaamse en Hollandse taal is. Alweer, de taaleenheid is en blijft de eerste verdedigingslinie. We kunnen ons geen verspreide slagorde permitteren, laat staan twee legers. De Vlaamse auteurs horen dus samen met de Nederlandse door een enkele Stichting Vertalingen in het buitenland aangeprezen te worden. Een kleingeestige ruzie als die welke de Stichting Vertalingen ten gronde heeft gericht, is uit den boze.
Eén Fonds der Letteren hebben we nodig, één subsidiëringssysteem voor toneel, ik zei het al, één blad, één radio-omroep die onze taal in allerlei andere talen bekend maken, één… kortom, we hebben één minister van cultuur nodig. Nu weet ik wel dat de twee ministers elk voor hun eigen parlement verantwoording moeten afleggen en dat elk parlement controleert hoe de belastingscenten van zijn soevereine volk worden besteed. Maar misschien is een originele, rare Belgische oplossing mogelijk. Naar noodlijdende steenkoolmijnen en staalgieterijen hebben wij indertijd superdeskundigen uit het buitenland laten komen. In die bedrijven zaten miljarden overheidsgeld, dus ook belastingcenten. Toch werden die aan een meneer toevertrouwd die helemaal niet was verkozen. Oh, hij werd gecontroleerd door de regering, hij pleegde op geregelde tijdstippen overleg met de verkozenen des volks, maar in feite deed hij wat hij goed vond.
Samenwerking is volop aan de gang. Ze wordt vooral gehinderd door nationale structuren, door bekrompenheid en inertie. Dat is natuurlijk vreselijk hinderlijk, maar het kan worden overwonnen. Minister Dewael, Minister D’Ancona, topambtenaren van de Taalunie, ze zijn allemaal volstrekt onbelangrijk. Belangrijk is wat ik nu zie gebeuren, in uitgeverijen, in boeken, in tijdschriften, op de planken, in gesprekken tussen Nederlanders en Vlamingen. Belangrijk is dat onze ontroerende mooie, gevoelige, soepele, schampere, betoverend rijke Nederlandse taal standhoudt in Europa.

