“Haagse Bohème op zoek naar Europa” 1992 / Appels en Citroenen

Kritiek is een lastig onderwerp, zeker in de Lage Landen. Hoe gaan Nederlanders en Vlamingen ermee om? Volgens Eric de Kuyper op totaal verschillende manieren. In Appels en citroenen onderzoekt hij de culturele houding ten opzichte van kritiek in Nederland en Vlaanderen. Daarbij stelt hij vast dat beide landen moeite hebben met kritiek, maar ieder op hun eigen manier: in Nederland lijkt men kritiek te negeren, terwijl in Vlaanderen kritiek eindeloos rondzingt zonder gevolgen.

De Kuyper zet deze observaties op scherpe en soms ironische wijze uiteen. Hij laat zien hoe Nederlanders kritiek vaak afdoen als overbodig gezeur en het liefst ontkennen dat er iets mis is, totdat een massale ommekeer plots alles afkeurt. Vlamingen daarentegen lijken kritiek te omarmen, maar laten het uiteindelijk verzanden in eindeloos gepraat, zonder daadwerkelijke veranderingen. Met deze analyse plaatst hij zichzelf in de traditie van intellectuelen zoals Roland Barthes en Herbert Marcuse, die kritiek zien als een noodzakelijk instrument om vastgeroeste structuren te doorbreken.

Eric de Kuyper (1942) is een Belgische auteur, cultuurcriticus en filmwetenschapper. Hij werd geboren in Brussel en bouwde een veelzijdige carrière op in Nederland en Vlaanderen. De Kuyper studeerde onder meer film- en theaterwetenschappen en werkte lange tijd als docent en onderzoeker aan de Radboud Universiteit in Nijmegen. Hij staat bekend om zijn essayistische schrijfstijl en zijn scherpe blik op cultuur, media en samenleving. Naast zijn academische werk schreef hij autobiografische romans, waarin hij herinneringen aan zijn jeugd verweeft met bespiegelingen over cinema, kunst en maatschappelijke ontwikkelingen.

De Haagse Bohème op zoek naar Europa
De Haagse Bohème op zoek naar Europa Ellen Fernhout, Henri Mühl & Jan Verstegen (red.), De Haagse bohème op zoek naar Europa. Honderd jaar Haagse Kunstkring. Zutphen: Walburg Pers, 1992.

door Eric de Kuyper

Over kritiek in Nederland en Vlaanderen

«Als mijn wederhelft er niet bij is, spreek ik nooit kwaad over haar. Alleen in haar aanwezigheid lever ik kritiek», zei hij.

Dat leek me zeer wijs. Hetzelfde heb ik altijd zo ’n beetje met Vlaanderen en Nederland trachten te doen. Toen ik in het Zuiden woonde, probeerde ik zoveel mogelijk het afwezige Noorden te verschonen; Vlaanderen daarentegen kreeg dan de volle laag. Nu ik in Nederland woon, komt er geen kwaad woord over Vlaanderen over mijn lippen. (Daar is ook geen aanleiding toe, want Nederland vraagt toch nooit naar mijn mening over het buurland.) Nederland mag dus nu mijn kritiek aanhoren.

Soms ontkom ik er niet aan een zogenaamd vergelijkend onderzoek te doen, omdat ik nu eenmaal en met Nederland en met Vlaanderen iets te maken heb of gehad heb. Ik doe dat niet graag. Ik vergelijk ook niet graag Duitsland met Frankrijk, Engeland met Italië. Maar soms ontkom je er niet aan.

Er bestaan grote verschillen tussen beide leefculturen. Heel wat meer verschillen dan overeenkomsten vind ik. Gelukkig maar, want wie wil er nu een tweede Vlaanderen, of een tweede Nederland. Een van elk volstaat ruimschoots. Al zijn er veel verschillen tussen beide landen, er is toch ook een grote overeenkomst: beide landen hebben het moeilijk met het verschijnsel «kritiek». In al haar verschijningsvormen: zowel de kunstkritiek die in Noord en in Zuid een moeizaam bestaan kent, als wat ik de «dagelijkse kritiek» zou willen noemen. Maar ook de meer subtiele activiteit die tot de taak van de intellectueel behoort: het kritisch onderzoeken en analyseren is sporadisch ontwikkeld. Roland Barthes heeft deze activiteit mooi omschreven als het doen openbarsten, het openscheuren van wat is vastgekoekt. Kritiek is immers etymologisch verwant met «krisis», met het Griekse «krinein», wat zoveel betekent als openscheuren. Het is zo iets als het met geweld afrukken van de klitte-band of daarentegen het zorgvuldig los peuteren daarvan. Waarna de brokstukken, de verkeerde samenhang, geobserveerd en geanalyseerd worden, en op basis daarvan een voorstel wordt gedaan om de elementen beter op elkaar af te stemmen, ze opnieuw en harmonischer op elkaar te laten inspelen. We herkennen hierin inderdaad de functie van de intellectueel. En niet alleen zijn functie, maar ook wat ik maar zal noemen, zijn temperament. Het zal dus niet verbazen dat zowel Vlaanderen als Holland, die beide niet goed beseffen wat «kritiek» is, op gespannen voet staan met hun intellectuelen. In geen van beide culturen blijkt de bodem erg geschikt voor deze mooie fauna. In Nederland heeft men voor dit onkruid een reservaat ontworpen. «Intellectuelen» stopt men er in «columns». «Columnisten» worden ze dan ook genoemd. Ze worden gerespecteerd, populair, ze mogen er risicoloos hun gang gaan zoals vroeger de hofnarren. Soms mogen ze deze functie vanuit het buitenland voltrekken. Maar buiten dit reservaat is kritiek uit den boze en wordt ze zo goed als niet beoefend. De gewone man die ambitie of aanleg voor deze intellectuele activiteit toont, wordt ten zeerste afgeraden, zo al niet expliciet verboden deze kunst te leren, laat staan te beoefenen. In het dagelikse leven, op straat, in trein of tram, of aan het postloket zul je in Nederland nooit een geurtje kritiek opsnuiven. Kritiek op feiten, wat iets anders is dan gekanker. In een kroeg beluister je veel gekanker, nooit kritiek op bijv. de erbarmelijke bediening, wat een feit is. Daar hadden we Carmiggelt en Rubinstein voor en verder hebben we «vraagbaken» en ombudsmannen.

Maar Nederland zou Nederland niet zijn, en Vlaanderen niet Vlaanderen, als er ook geen hemelsbreed verschil tussen beide bestond in de omgang met het verschijnsel kritiek. Het lijkt wel alsof elk van beide culturen met opzet (?) een tegenpool is wat stroeve houding betreft.

In Vlaanderen is het net alsof er alleen maar «kritiek» bestaat. Met een wellust die vaak masochistische afmetingen aanneemt, wordt er elke vorm van kritiek tot in het eindeloze vermenigvuldigd. Op kritiek volgt tegenknitiek; het kan niet op. Men zwelgt erin. Maar het is als in een moeras: alle scherpe kantjes, alle venijnige of haarfijne ontledingen zinken in een drassige bodem weg. Iedereen knikt en knikkebolt. Men is er mee eens. Altijd mee eens. Kom we drinken nog een pint. En ondertussen gaan we gewoon verder.

De ideale plek voor kritiek is hier uiteraard het café. Kritiek, op welk niveau ook aangezet, eindigt onvermijdelijk in gebazel en geleuter. Resultaat. Nul. Consequenties hoeven er niet aan verbonden te worden; op deze manier holt kritiek zichzelf op de meest efficiënte manier uit. Een wonder van repressieve tolerantie zou Marcuse haar genoemd hebben, als hij Vlaanderen zou hebben gekend. En Barthes zou, als hij Vlaanderen had gekend, tot wanhoop zijn gedreven. Voor hem kon kritiek alleen maar functioneren op rotsachtige bodem, hij zag haar als een soort «seismologie», als een kunst van het doen openbarsten van de aardkorst. en niet als een bezigheid die zich in de drabbigheid van de Belgische bierbodem afspeelt.

Helemaal anders, extreem anders, is de Nederlandse verhouding tot kritiek (en zelfkritiek). Kort en goed gezegd: men is er aan beide oren doof voor. En helpt de hardhorigheid niet, dan steekt men de kop maar in het zand. Nukkige struisvogels. «lets dat niet zo goed zou functioneren? Hoezo? Waar heb je het over?», «Een eigenaardigheid van de volksaard» waar je even bij wil blijven stilstaan. Een mogelijkheid die niet wordt benut, een kans die men voorbij laat gaan». Stilte. Men kijkt ie met een ongelovige blik aan, schudt het hoofd en begrijpt niet waarover je het hebt. Wel is het zo dat in het democratisch paradiis ieder op de publieke tribune er recht op heeft zijn mening te zeggen. Ook diegene die «kritiek» (lees: onzin) uitkraamt. Meewarig en geduldig word je aanhoord. Waarna men tot de orde van de dag overgaat. De kritiek wordt genotuleerd. We beleggen nog een vergadering.

De uitkomst is in Noord en in Zuid hetzelfde, namelijk nul. Alleen de strategie om tot dat resultaat te komen is volledig anders.

Er is wel degelijk verschil. Ik hoef mijn «kritiek op Vlaanderen» hier uiteraard niet eens te verklaren of te verantwoorden. Zij wordt door de Vlamingen zelf zo maar geaccepteerd; en de Nederlander zal het worst wezen wat er in Vlaanderen gebeurt of wat er over Vlaanderen wordt gezegd. Voor de ongelovige Nederlander echter ben ik gedwongen de zojuist geformuleerde constatering nauwkeuriger te staven. Ik moet enkele voorbeelden geven, want de Nederlander herkent zich natuurlijk niet in dit portret. (De Vlaming trouwens ook niet in het zijne, maar wat kan het hem schelen! Een beetje meer of minder kritiek, wat maakt het uit in dit land!)

Mijn Nederlandse voorbeeld dus. Ik ben een waarnemer van het dagelijkse leven, eerder dan van de politiek waar ik niets van begrijp. Hoe de mensen dag in dag uit leven, vind ik boeiend, en dat vertelt me heel wat over het land waarin ik woon. Ik begrijp dat ook een beetje. Dat is mijn vak zal ik maar zeggen.

Sedert ik in Nederland woon heb ik het verschijnsel openbaar vervoer, meer bepaald de Nederlands Spoorwegen bestudeerd. Telkens nu wanneer ik uiting gaf aan mijn kritische bevindingen schudde men, afhankelijk van de virulentie van mijn betoog of de lichtgeraaktheid van mijn gesprekspartner (soms de Nederlandse Spoorwegen in persoon) meewarig het hoofd of men ontkende botweg. Zo werd bijvoorbeeld botweg ontkend dat er op de Nederlandse perrons nooit voldoende zitplaatsen zijn («wie wil er nu zitten op een perron!»), dat de borden onleesbaar zijn, dat het nuttig zou zijn om niet alleen de vertrektijden maar ook wel verschillende aankomsttijden per station te kennen, enzovoort.

Mijn bevindingen over een aspect van de organisatie van het dagelijks leven, die nochtans op geen enkel moment de bedoeling hadden onhoffeliik laat staan revolutionair te zijn, werden gewoonweg genegeerd. Het was wat Stendhal «la mauvaise foi» noemde, ik ken er niet zo direct een goed equivalent voor in het Nederlands. Freud noemde het “Verneinung”. We zullen maar zeggen dat het aan de volksaard ligt. Het leven is inderdaad ingewikkeld genoeg.

Maar nu komt het merkwaardigste. Nadat ik jarenlang op deze manier had gezeurd, slaat op een dag plotseling de publieke opinie en masse om. Sedert kort zijn de Nederlandse Spoorwegen het «bête noire» van het Nederlandse volk geworden. Niets deugt er meer en sinds enige tijd vult een weekblad een graag gelezen rubriek met alle rampen en ongemakken die ons Nederlandse treinreizigers teisteren. Hoe kan dat nu, vraag ik me af. Ik begin nu van de weeromstuit de Nederlandse Sooorweaen zelf een beetie in bescherming te nemen. Maar ik vrees dat het nooit meer goed komt.

Raar verschijnsel, dat Hollandse extremisme. Want zo mag je het toch wel noemen. Eerst wil men van niets horen, en dan plots is het hek van de dam. Is het daarom misschien dat men zo hardnekkig alle vormen, alle neigingen tot kritisch handelen de kop indrukt? Is men namelijk bang dat kritiek een lawine zou losmaken die niet meer te stuiten is?

Zowel de ene houding – die van nukkig onbegrip – als de andere – die van tomeloze zelfdestructie – bewijzen voor mij nog maar eens dat het hier niet goed gaat met de manier waarop men met kritiek omspringt. En om er nog een historische dimensie aan te geven: kijk of herinner u, gedurende een kwart eeuw is alles onveranderlijk, gestold en vermolmd, en van de ene dag op de andere breekt er revolutie uit, met als gevolg dat het weer eens een kwart eeuw gezapig aan toe kan gaan (zie Nederland, voor tijdens en na de jaren zestig).

Wat hier gebeurt – en het is ook dagelijks te lezen in de krant – is zoiets als het negeren van het geheugen, het systematisch verzwijgen van het verleden, het ontkennen van tradities. Men staart zich letterlijk blind op het heden.

Resumerend kan men zeggen dat men aan de ene kant van de grens te lange tenen heeft en helemaal geen tenen aan de andere kant van de grens.

Hoe zou zoiets komen, vraag ik mij af. Freudiaans gesproken valt een dergelijk gedrag onder de categorie van de complexen: het minder-of meerder-waardigheidscomplex. In beide gevallen gaat het om een slechte omgang met het eigen beeld, en met het gezag. Het verraadt een inherente onzekerheid over het eigen beeld: enerzijds wordt dit genegeerd, anderzijds al te nadrukkelijk bevestigd…. Ja zoiets moet het wel zijn. Voor een intellectueel is dat geen prettige of stimulerende sfeer om in te gedijen. Maar goed, de intellectueel gehoorzaamt zijn toeping niet omdat hij dat zo prettig vindt, maar omdat hij nu niet anders kan.

Ook vraag ik me af of dit gedrag iets te maken heeft met de omvang van het land of van de cultuur? Is deze pathologische onzekerheid of de ze overdreven zelfverzekerdheid het noodlot van kleine landen? Van Denemarken weet ik te weinig al, en ik zou daarvan in dit verband graag meer willen weten. In Oostenrijk, ja, daar bespeur ik ook steeds een quasi-hysterie rond het fenomeen van kritiek en zelfkritiek (zie om slechts een voorbeeld te noemen: Thomas Bernhard). En Zwitserland vertoont wat dit aangaat een vreemde mengeling van het Vlaamse en Nederlandse: Dürrenmatt en Frisch; het leek wel alsof ze hun werk in een Vlaamse herberg moesten doen. Alles mocht, het deerde toch niemand: Frisch en Dürrenmatt, weet je, onze grootste schrijvers. Maar los daarvan mocht je geen kwaad woord zeggen over het Zwitserse systeem, of je kreeg de wind van voren. Dat was zo, want het is aan het veranderen. Kritische analyses van het fenomeen Zwitserland verschijnen er bij de vleet, meestal geschreven door Zwitsers zelf. Zou het gedaan zijn met die arrogante zelfgenoegzaamheid, die ik zo goed ken en herken in Nederland, een land dat zoveel verwantschap vertoont met het bergland, maar voor geen geld ter wereld daarmee op dezelfde voet zou willen worden geplaatst. Het merkwaardige van het verschijnsel Zwitserland is dat over het overkoepelende geheel (de mythe Zwitserland) alleen maar goeds mocht worden gezegd en gedacht, maar dat het ene kanton het andere het licht niet in de ogen gunt. Het standpunt van Zwitserland en dat van het kanton zijn in Zwitserland twee totaal verschillende werelden. Ze tekenen de Zwitserse schizofrenie die wel eens de onze zou kunnen worden na 1992. (Waarmee ik maar wil zeggen dat we heel veel te «leren» hebben van Zwitserland… )

Ik heb het ziektebeeld geschetst. Is er ook nu zoiets als een therapie? De malaise vindt haar oorzaak duidelijk hierin dat de verhouding met de «ander» niet gezond is. Men denkt of gedraagt zich in termen van «meer» of «minder» (-waardigheid). Men gaat zich expliciet (Vlaanderen) of impliciet (Nederland) vergelijken met de anderen. Dat hoeft niet. Anders zijn dan de ander is voldoende. Er hoeft echt geen vergelijking aan te pas te komen. Laten we maar zijn zoals we zijn, en doen zoals we doen. Liefst met behoorlijk wat zelfanalyse en zelfkritiek. Want dat is het waaraan het schort bij ons beider opvatting van het hele gebied kritiek. Ik heb dat, toen ik nog doceerde, herhaaldelijk ervaren bij studenten: eerst stonden ze weigerachtig tegenover kritiek (de bewuste Nederlandse valse nederigheid: wie ben ik om? enzovoort; een verfijnde vorm van intellectuele luiheid) vervolgens toen ze eenmaal hadden «geaccepteerd» dat het legitiem is om kritiek uit te oefenen, dachten ze dat kritiek het uiten van een mening betekende. Maar de mening is niet eens het belangrijkste van de gehele kritische activiteit. Veel belangrijker en heel wat moeilijker is uiteraard de arbeid die er aan vooraf dient te gaan: de nauwgezette, scherpe en niet zo eenvoudige analyse. Pas dan volgt een mening. En of de kritiek wel of niet constructief is, zoals dat heet, is ook al van bijkomstig belang. De analyse van een situatie, van een verschijnsel, van een specifieke handeling is, althans voor de intellectueel, per definitie een constructieve bezigheid. Ze vergt vorming, intelligentie, fijngevoeligheid, studie en inspanning. Het tegendeel van het spuien van meningen. Dat kan immers, zoals elke kroegbaas weet, een ieder die een glaasje te veel op heeft. (Beangstigende gedachte: zouden deze zo ijverige landen intellectueel lui zijn?)

De reacties op dit stuk kan ik mij nu al inbeelden. In Vlaanderen: «ja, ja, zeer juist, dat wisten we allemaal al. Ga zo verder. . ». In Nederland: stilzwijgende verontwaardiging. En dan: « Ja, maar in Frankrijk… ». Nee, het ging nu eens niet over Frankrijk, niet over Duitsland en ook niet over Engeland. Het ging over ons. Alleen heb ik er mij aan bezondigd om Vlaanderen met Nederland, en Nederland met Vlaanderen te willen vergelijken. Appels met citroenen. Of zoals ik vaak zeg: andere planeten. En waarom zou je geen andere planeet kunnen en mogen zijn?

«Misschien hebben beide wel dezelfde moeder», opperde hij, «Maar dan zijn de vaders toch afkomstig uit andere werelddelen».

Eric de Kuyper