“Haagse Bohème op zoek naar Europa” 1992 / Belle van Zuylen, een Europese geest in de Lage Landen

In 1992 schrijft Simone Dubois over de rol van taal in de culturele identiteit van Europa, met een bijzondere focus op de historische invloed van het Frans en de opkomst van het Engels als dominante wereldtaal. Ze plaatst dit vraagstuk in een breder perspectief van culturele autonomie, economische efficiëntie en de noodzaak om kleinere talen en tradities te beschermen binnen een verenigd Europa.

Aan de hand van het leven en werk van Belle van Zuylen – een Nederlandstalige schrijfster die in het Frans publiceerde – illustreert Dubois hoe taalkeuze en culturele identiteit door de eeuwen heen nauw met elkaar verweven zijn. Ze waarschuwt voor de gevaren van een eenzijdige focus op economische belangen en benadrukt het belang van meertaligheid in een grensoverschrijdend Europa.

Haar inzichten over taalbeleid, vertaling en de bescherming van culturele diversiteit blijven actueel nu de vraag naar een evenwicht tussen globalisering en culturele eigenheid nog steeds speelt

Simone Dubois was een Belgische literatuurhistorica en essayiste, gespecialiseerd in de Europese literatuur van de 18e en 19e eeuw. Ze was vooral bekend om haar onderzoek naar Belle van Zuylen, over wie ze meerdere publicaties schreef. Dubois doceerde Franse literatuur en cultuur aan verschillende instellingen en had een brede interesse in taal, identiteit en de wisselwerking tussen Nederlandse en Franse cultuur.

Haar werk kenmerkte zich door analyse van meertaligheid en culturele overdracht, waarbij ze het belang van taal als drager van identiteit en geschiedenis benadrukte. In haar essays reflecteerde ze op de veranderende rol van het Frans in Europa en de toenemende invloed van het Engels. Ze bleef pleiten voor de bescherming van kleinere taalgebieden binnen een zich verenigend Europa.

 

De Haagse Bohème op zoek naar Europa
De Haagse Bohème op zoek naar Europa Ellen Fernhout, Henri Mühl & Jan Verstegen (red.), De Haagse bohème op zoek naar Europa. Honderd jaar Haagse Kunstkring. Zutphen: Walburg Pers, 1992.

door Simone Dubois (Gent, 29 april 1910 – Den Haag, 5 april 2001) in samenwerking met Pierre Dubois

Ik ben dankbaar voor de uitnodiging een bijdrage te leveren aan de jubileumbundel die de Haagse Kunstkring bij haar eeuwfeest wil uitgeven, vooral wegens het prijzenswaardige initiatief de bundel te willen wijden aan het cultuurbeleid en de toekomst van onze cultuur in een Europa zonder grenzen. Want ik werd gevraagd wegens mijn band met België en mijn bemoeienis met leven en werk van Belle van Zuylen, deze Nederlandse die in het Frans schreef…

De consequentie van die uitnodiging is dat mijn bijdrage daardoor eerder gaan zal over het verleden en de teruggang van de Franse taal in Europa dan over de toekomst, maar misschien leidt dit tot een paar kanttekeningen die daarmee verband houden, o.a. over de toenemende dominantie van het Anglo-Amerikaans en de eventuele invloed daarvan op de eigen taal en de identiteit van kleinere landen.

Over het behoud van de taal die een fundamentele rol speelt in de cultuur van een land, zijn in artikelen en bijeenkomsten, in de pers en voor de televisie, de laatste tijd tal van discussies en polemieken gevoerd.

Sommige mensen laat het probleem totaal onverschillig, zij hebben geen bezwaar tegen een toekomst waarin, in Nederland, het Engels zou gaan overheersen. Voor hen is een versmelting van iedere vorm van communicatie louter praktisch, een economisch voordeel. Anderen daarentegen maken zich zorgen over het ontbreken van een actief, samenhangend algemeen cultureel beleid als kader van een consistent buitenlands beleid dat gericht is op het behoud van de autonomie van nationale en regionale culturen binnen de Europese gemeenschap.

Ik denk dat er over deze zaken veel verwarnng en misverstand bestaat. Ik denk dat er een regionale cultuur bestaat en ik denk vooral dat er geen nationale cultuur bestaat, maar cultuur-talen, die niet noodzakelijk aan nationale grenzen gebonden zijn. Zo wordt er in Europa Nederlands gesproken in Nederland en België, Frans in Frankrijk, België en Zwitserland, Duits in Duitsland, Zwitserland, Oostenrijk, in delen van andere landen van midden-Europa; Italiaans in Italië en Zwitserland, etc.

Economische factoren speelden vroeger een minder overheersende rol dan tegenwoordig. Desondanks is het opmerkeliik dat een «wereldtaal als het Frans, twee eeuwen geleden en gedurende twee eeuwen in de verschillende landen waar die taal werd bestempeld als de «culturele» en «diplomatieke» taal, de autonomie van de cultuur niet heeft vervreemd.

Het Anglo-Amerikaans dat het Frans in snel tempo verdringt, wordt in de eerste plaats gezien als de taal van handel, techniek, economische doeltreffendheid, ongetwijfeld ook elementen van algemene cultuur. Omdat de «geestelijke tak» daarvan echter niet rendabel is wordt die verwaarloosd en wat erger is, tot een rendabel object gedenatureerd.

Het verschil ligt niet in de taal, niet in de cultuur, maar in het gebruik van de taal en de waardebepaling van de cultuur. Daarom vooral is waakzaamheid geboden, vooral in kleinere gebieden, om zich niet door de internationale taal en de waardebepaling daarin van de cultuur te laten overspoelen.

Als ik nu even Belle van Zuylen als voorbeeld neem – mede daarom immers nodigde u mij uit – wil ik vooral onderstrepen dat zij, in een zo sterk door het Frans (maar niet steeds door Frankrijk) gedomineerd Europa als het achttiende-eeuwse, de enige auteur was in Holland, naast de filosoof Frans Hemsterhuis (wiens werken in het Latijn gesteld zijn), die in het Frans schreef. Daar zijn verklaringen voor.

Belle van Zuylen was in 1750, toen 10 jaar oud, met een Zwitserse gouvernante ongeveer een jaar in Genève geweest, waar ze alleen maar Frans om zich heen hoorde; ze reisde door Zwitserland en Frankrik en bracht een korte tijd door in Parijs. Bij haar terugkeer in Nederland was zij haar moedertaal praktisch ontwend.

In haar familiekring werd ook voor haar vertrek, naast Nederlands, Frans gesproken en geschreven en het is opmerkelijk dat de werking van die taal in de achttiende eeuw, om zo te zeggen spontaan was. Het heeft later in sommige landen heel wat moeite gekost, toen overal het taalbewustzijn nationale vormen ging aannemen, die invloed in te dammen. Verschillende factoren hadden destijds tot de verspreiding van het Frans in Europa bijgedragen: het begon het Latijn te vervangen, waardoor het een internationale en diplomatieke voertaal werd; maar ook de intolerantie tegenover de protestanten had tot gevolg dat duizenden Frankrijk verlieten en zich in Duitsland, Engeland, Zwitserland en Nederland vestigden. Velen oefenden in die landen beroepen uit als uitgever leraar of dominee. Dat droeg er sterk toe bij dat het Frans zich niet meer beperkte tot de diplomatie en het milieu van wetenschap en cultuur.

«Dank zij de Franse onderwijzers», schreef Belle van Zuylen, «leren de Duitse, Hollandse en Engelse kinderen La Fontaine uit het hoofd zodra ze kunnen spreken; sinds veertig jaar zijn de brieven van Mme de Sévigne in handen van alle Duitse, Hollandse en Zwitserse vrouwen die een beetje opvoeding hebben genoten en de regering van Lodewijk XIV kennen ze beter dan onverschillig welke periode uit hun eigen geschiedenis». Door de Franse Revolutie, met wederom talloze emigranten en vervolgens de overheersing van Napoleon, heeft het Frans zich in verschillende landen lang kunnen handhaven, zij het van toen af met nationalistische tendenties. Maar zelfs toen Frankrijk de grote vijand was geworden, was er nog altijd een culturele band met de Franse taal zelf.

Het meest frappante voorbeeld van de suprematie van het Frans in de achttiende eeuw is Duitsland. De koning van Pruisen, Frederik II, wilde alleen Frans spreken en schreef zijn gedichten en memoires in die taal. Aan zijn hof, zoals trouwens aan de meeste Europese hoven, werd alleen Frans gesproken. In Nederland correspondeerden prins Willem V en zijn echtgenote Wilhelmina van Pruisen, een nicht van Frederik II, met hun kinderen uitsluitend in het Frans zoals blijkt uit de uitgave van Johanna Naber.

De enige novelle die Belle van Zuylen, toen ze nog in Nederland woonde, publiceerde was «Le Noble» (1764) en het is grappig dat de Duitse filosoof Jacobi dit werkje liet herdrukken met een inleiding van zijn hand, waarin het Duitse publiek op de korrel werd genomen omdat het zijn eigen auteurs nog slechts via Parijs in vertaling las, maar daarbij vergat dat ook Belle in een taal schreef die niet de hare was!.

Het Frans dat in Nederland tot het eind van de negentiende eeuw standhield, heeft vele Nederlandse schrijvers beïnvloed, maar Belle van Zuylen is de uitzondering die zich de taal zo eigen had gemaakt dat ze er ook in kon publiceren. Voor en na haar waren er schrijvers die uitstekend Frans lazen, spraken en erin correspondeerden, maar alleen in hun moedertaal publiceerden. Het is een feit dat Belle van Zuylen door in de achttiende eeuw voor het Frans te hebben gekozen beter bekend is in het buitenland – en niet alleen in Franstalige landen – dan andere Nederlandse schrijvers die het van vertalingen moeten hebben. Dat wil niet zeggen dat schrijvers er beter aan zouden doen in een andere taal te schrijven die een groter bereik heeft. Frans, Duits of – vooral – Engels.

Belle van Zuylen schreef in het Frans omdat zij zich daarin beter uitdrukte dan in het Nederlands. Zij vond daarin haar eigen stijl. Het interessante is dat die stijl gekenmerkt werd door een geest en een mentaliteit die men in de internationale wereld niet als typisch Frans herkende, ook al was de taal klassiek Frans. Belle koesterde het ideaal «van alle landen te zijn» en het Frans was toen de meest verspreide «Europese» taal, maar haar geest en mentaliteit waren Nederlands, haar cultuur Europees, of als men wil universeel.

Wat de cultuur in het Nederlandse taalgebied betreft, dus in Nederland en België, is er verschil tussen de situatie in beide landen. In het Vlaamse gedeelte van België d.w.z. de provincies West- en Oost-Vlaanderen, Antwerpen, Limburg en een gedeeite van de provincie Brabant heet het Frans een langere en diepere werking gehad dan in Nederland. Daarom moeten we even terug naar 1585 toen de noordelijke provincies van de zuidelijke wegens de godsdienstoorlogen gescheiden werden. Het Noorden, de Verenigde Provincies genaamd (nu Nederland), onderging in de loop der eeuwen die erop volgden minder Europese invloeden dan het Zuiden (nu België), dat achtereenvolgens Spaanse, Oostenrijkse en Franse bezettingen kende en daardoor meer bij Europa betrokken was dan Nederland. Daarbij kwam dat Belgie dichter bij Frankrijk ligt en een deel van België Waalse provincies heeft, waardoor het land in zijn geheel sterker de invloed van de Franse taal onderging dan Nederland.

Belle van Zuylen door Simone en Pierre Dubois

Toen in 1815 de noordelijke en de zuidelijke provincies (België en Nederland) weer tot één land werden verenigd, een koninkrijk onder Willem I van Oranje, bleek dat de beide delen door een scheiding van drie eeuwen een verschillende evolutie hadden ondergaan en van elkaar zo vervreemd waren dat er «onverenigbaarheid van karakter» was ontstaan, waarbij ook de politiek een belangrijke rol speelde. Na een kortstondige strijd ontstond opnieuw een scheiding en werd het zuiden eveneens een koninkrijk onder Leopold I van Saxen-Coburg. De vervreemding werd misschien nog sterker aangevoeld door de Vlamingen dan door de Walen omdat het Nederlands zich in het noorden had ontwikkeld, terwijl in het zuiden het Frans de officiële taal was en de meeste Vlamingen onder elkaar een Vlaams dialect spraken. Hun moedertaal had zich niet gecultiveerd en het Frans was de cultuurtaal. Dat heeft tot in de twintiger jaren van deze eeuw geduurd.

Wanneer ik in Nederland vertel, hoe Frans een Vlaamse stad als Gent was in mijn kinderjaren, wordt dat vaak niet geloofd en toch was het zo. Maar de Vlamingen, vervreemd van Nederland en met weinig of geen steun, lange tijd zelfs met tegenwerking van de centrale regering in hun land, hebben letterlijk en figuurlijk voor hun taal gevochten, tot dat in 1830 de Gentse Universiteit eindelijk werd vervlaamst. De kreten «Gand français» en «Gent Vlaams» klinken mij nog in de oren. Toen de verandering goed op gang kwam, brak de Tweede Wereldoorlog uit; de Vlaamse gevoelens van sommigen werden politieke obsessies door de afkeer van Frankrijk en het Frans. Net als in de oorlog van 1914-1918 gebeurd was, richtten zij zich op Duitsland. Gelukkig was dat maar een gering deel van de bevolking en hun sympathieën waren meer Vlaams-nationalistisch dan nationaal-socialistisch.

Wat ik vooral wil opmerken is dat niettegenstaande de lange periode waarin de Vlaamse taal traag evolueerde er toch schrijvers naar voren begonnen te komen die, hoewel zij het Frans goed beheersten, in hun moedertaal publiceerden.

Ik denk dan niet zozeer aan Gezelle, die vanuit zijn gewestelijk Vlaams een pure poëzie schreef, of aan de eerste Vlaamse romanschrijver Hendrik Conscience, maar aan kleurrijke populaire auteurs als Claes en Timmermans, die, al bedoel ik het niet denigrerend, toch nog steeds gebonden waren aan een streek, en vooral aan auteurs die dat te boven gingen als Buysse, Van de Woestijne, Streuvels, Vermeylen, Teirlinck, nog helemaal afkomstig uit een tijd waarin het Frans ook in Vlaanderen domineerde.

Naast hen was er een aantal Vlaamse schrijvers die zich in het Frans uitdrukten. Ook hun toestand was niet altijd gemakkelijk; meestal zagen zij zich verplicht zich in Parijs te vestigen en hun boeken in Frankrijk uit te geven om in de Franse letteren naam te kunnen maken. Schrijvers als Maeterlinck, Van Lerberghe, Verhaeren zijn echte Vlamingen, meestal schrijvend over Vlaanderen maar in het Frans. De Gentse schrijver Maurice Maeterlinck is zelfs tot nu toe de enige schrijver uit Vlaanderen en Nederland die zijn werk bekroond zag met de Nobelprijs voor literatuur.

Ook die tendens is gebleven: er bestaat een voortdurende stroom Vlaamse schrijvers die, in het Frans opgevoed, in die taal schrijven, maar van wie de geaardheid Vlaams of Nederlands is. Van Suzanne Lilar die enkele jaren geleden «Une enfance gantoise» publiceerde, werden geregeld in Parijs toneelstukken opgevoerd en haar dochter Françoise Mallet-Joris, in Antwerpen grootgebracht, werd voorzitster van de jury van de Franse ‘Prix Femina’. Het toneelwerk van Michel de Ghelderode, wiens oeuvre bij Gallimard verscheen en in Frankrijk en in heel Europa werd opgevoerd is, hoewel in het Frans geschreven, oer-Vlaams. Ik wil daarmee zeggen dat cultuur geen nationaal maar een internationaal begrip is, dat landsgrenzen niet noodzakelijk samenvallen met taalgrenzen en taalgrenzen niet met cultuurgrenzen; eenzelfde cultuur kan in verschillende talen tot uitdrukking komen en mede daardoor worden bepaald.

Wie regelmatig met Vlamingen en Nederlanders spreekt, ontdekt dat er de laatste jaren zeker vooruitgang in wederzijdse contacten is gemaakt, maar dat er nog altiid meningsverschillen zijn wanneer het gaat om een gezamenlijk beleid, ook wat taal en cultuur betreft, in het toekomstige Europa.

De vaak zelfingenomen houding van sommige Nederlanders prikkelt vele Vlamingen. Deze laatsten vinden met verkeerd begrepen trots dat zij net zo goed hun dialect mogen blijven spreken en niet hoeven over te gaan naar het AN dat in hun oren stijf klinkt. Dat schept opnieuw een barrière, niet alleen in de relatie tot Nederland maar ook tot andere Vlamingen die wel geneigd zijn het Nederlands te kiezen als cultuurtaal en dat ook al doen in het belang van hun rol in de Europese Gemeenschap.

Ik beperk mij in mijn opmerkingen maar tot de taal, omdat daarin het probleem van de culturele uitdrukking het meest direct gelegen is. Bij schilders, componisten, etc. speelt het land van culturele herkomst natuurlijk eveneens een rol, maar hun expressie hoeft niet vertaald te worden om elders toegankelijk te zijn, al kan hun succes ook afhangen van het wel of niet aanvoelen van hun werk in andere landen.

Annie Romein-Verschoor schreef in 1947 in haar Boekje «Slib en Wolken» dat de taal een drempel is en dat bewoners van kleine landen gedurende eeuwen, als zij contact zochten met de internationale literaire wereld hun bagage aan de grens achter moesten laten, zodat ze met lege handen in andere Europese gemeenschappen terechtkwamen en de indruk hadden als kinderen een volwassen wereld binnen te gaan of als een jonge bruid haar entree te maken in een kring van oude dames.

De laatste tijd is daar gelukkig verandering in gekomen en heeft «de jonge bruid» dank zij een groter aantal en betere vertalingen dan voordien met haar literatuur in het buitenland al een bescheiden plaats weten te veroveren; maar vertalen zal nog op grotere en bredere schaal moeten gaan gebeuren in het Europa van morgen. Want het lijkt ons dat voorlopig de Nederlandse en Vlaamse schrijvers niet zullen overgaan tot het produceren van creatief werk in een andere cultuurtaal, het Engels bijvoorbeeld, een taal die wel de meeste kans lijkt te hebben een belangrijke rol te gaan spelen in de internationale contacten en in alles wat met efficiency te maken heeft, economie en commercie voorop, maar niet met artistieke vormen en cultuur.

In een verenigd Europa waar landsgrenzen wegvallen of niet meer tellen, blijven taalgrenzen bestaan. Culturen die zich in een bepaalde taal uitdrukken worden niet bedreigd door een Europese eenwording, alleen door de dominantie van de economische en commerciële efficiency door het gebrek aan evenwicht tussen baatzucht en onbaatzuchtigheid, door het profijtbeginsel, door de idee dat wat niet rendabel is niet kan bestaan.

Trouwens ook in grotere taalgebieden zal men andere Europese talen moeten leren voor de uitoefening van de efficiency omdat andere talen toch niet de exclusieve overheersing van een grote taal zullen aanvaarden dan alleen voor zeer praktische zaken. Het is nu al duidelijk dat Engelsen Frans en Duits leren, Fransen Duits en Engels en Duitsers Engels en Frans. En zelfs is mij gebleken dat er een opmerkelijke groei bij de faculteiten germanistiek in Frankrijk en Duitsland te constateren valt voor het bijvak Nederlands!

Wat Nederland betreft lijkt het noodzakelijk dat op de middelbare scholen de drie belangrijkste Europese talen weer verplicht gesteld worden. Willen we in het Nieuwe Europa op een soepele wijze meedoen dan moeten we, net als vroeger, behalve de eigen taal, ook Frans, Duits en Engels kennen. Dat wordt in het Europa van morgen noodzakelijk voor alle Europese landen. Het enige verschil is dat de kleinere landen hun eigen taal niet mogen verwaarlozen. Daarin zal hun cultuur zich blijven uitdrukken.

De kans van een Europese Gemeenschap en van ons deel daarin zal m.i. dus vooral afhangen van deze elementaire zaken en van de goede wil en nuchterheid van velen. De cultuur hoeft zich niet bedreigd te voelen als er aandacht blijft voor artistieke ontwikkelingen die niet worden opgeofferd aan economische en technische.

Simone Dubois