“Haagse Bohème op zoek naar Europa” 1992 / Cultuur als ‘accord des sensibilités’

Wat is cultuur en welke rol speelt het in de vorming van een samenleving? In Cultuur als Accord des Sensibilitésbeschrijft J.L. Heldring hoe cultuur zowel in enge zin – kunst, media en erfgoed – als in brede zin een samenleving vormt. Niet alleen de kunsten, maar ook gewoonten, omgangsvormen en historische achtergronden bepalen de identiteit van een volk.

Heldring stelt dat nationale en regionale culturen, zoals de Nederlandse en Vlaamse, ondanks hun gedeelde taal, elk een eigen ontwikkeling hebben doorgemaakt. Hij verwerpt het idee van een uniforme Europese cultuur en pleit voor culturele autonomie, vooral voor kleinere culturen binnen de Europese Gemeenschap. Volgens hem is samenwerking tussen kleinere landen, zoals Nederland, Denemarken en Portugal, essentieel om culturele eigenheid te behouden in een Europa waar politieke en economische macht steeds meer centraliseert.

Met zijn heldere en nuchtere stijl biedt Heldring een kritische reflectie op de verhouding tussen cultuur, identiteit en internationale samenwerking. Zijn pleidooi voor culturele diversiteit benadrukt het belang van eigenheid binnen een veranderend Europa.

J.L. Heldring (1917-2013) was een Nederlands journalist en columnist. Hij studeerde rechten aan de Universiteit Leiden en was decennialang verbonden aan NRC Handelsblad, waar hij tussen 1968 en 2012 de invloedrijke column Dezer Dagen schreef. Heldring stond bekend om zijn scherpe, onafhankelijke analyses over internationale politiek, cultuur en samenleving. Hij werd gewaardeerd om zijn heldere stijl en kritische blik.

De Haagse Bohème op zoek naar Europa
De Haagse Bohème op zoek naar Europa Ellen Fernhout, Henri Mühl & Jan Verstegen (red.), De Haagse bohème op zoek naar Europa. Honderd jaar Haagse Kunstkring. Zutphen: Walburg Pers, 1992.

door J.L. Heldring (1917-2013)

Soms voel ik, zo moet ik bekennen, enige sympathie voor de beruchte uitspraak die een persoon in het toneelstuk Schlageter van Hanns Johst doet: «wenn ich ««Kultur»» höre, entsichere ich meinen Browning». Immers, er wordt over cultuur veel gebazeld. Het minste dat we kunnen doen teneinde enige helderheid te scheppen is, alvorens we de spraakverwarring nog groter maken, een definitie te geven van wat wij onder cultuur verstaan.

Welnu, wanneer ik hier over cultuur spreek, gebruik ik niet wat minister d’Ancona de «enge cultuuropvatting» noemt: de sectoren kunsten, media, letteren en bibliotheken en het terrein van het culturele erfgoed: musea, monumenten en archieven. Ik gebruik de «brede, bijna antropologische cultuuropvatting», de opvatting die cultuur gelijk stelt met samenleving, way of life, zo men wil, identiteit. Ik wil ook wel verklaren waarom ik aan de laatste opvatting de voorkeur geef: bij cultuur-in-engere-zin is niet de hele samenleving betrokken, maar slechts een elite, en vaak heeft zo’n elite meer binding met elites in andere landen dan met de eigen bevolking. Dat is op zich zelf helemaal niet erg of afkeurenswaardig, maar wanneer we, bijvoorbeeld, over Nederlandse cultuur spreken, wordt het soms erg moeilijk het typisch Nederlandse van zo’n elitecultuur aan te geven. Cultuur door een Nederlander geschapen is niet noodzakelijkerwijs typisch Nederland. Daarmee spreek ik geen veroordeling uit; ik constateer slechts dat, wanneer we de enge cultuuropvatting hanteren, we moeite hebben tot een definitie te komen van de Nederlandse cultuur (ik zeg nu Nederlandse, maar kan dit net zo goed van andere culturen constateren).

Wanneer we daarentegen de brede cultuuropvatting bezigen, dan wordt het gemakkelijker. De Nederlandse cultuur – als we bij Nederland mogen blijven – is per definitie alles wat de Nederlanders (ik weet wel dat ik voorzichtig moet zijn met dat lidwoord de, sinds een collega-commentator daar laatst over gestruikeld is), in denken en doen, smaak en omgang, onderscheidt van anderen. Daar valt, bijvoorbeeld, zeer bepaald de eetcultuur onder die ons al dadelijk onderscheidt van onze Vlaamse taalgenoten. Deze cultuuruitingen spelen in het leven van een natie een veel grotere rol dan de uitingen van de cultuur-in-engere-zin, die daarom – en daarom alleen – oppervlakkiger zijn. De uitingen van cultuur-in-brede-zin hebben vaak, zonder dat we het zelf weten (of willen weten), te maken met het godsdienstige verleden van de natie, dat verschillend is van dat van andere. Zij vormen een geheel van gevoelens en gevoeligheden waarin men elkaar herkent. Andre Malraux gaf dan ook eens deze definitie van cultuur: «un accord des sensibilités». (1)

Cultuur-in-brede-zin is natuurlijk net zomin als cultuur-in-enge-zin een constante factor. Met het ontstaan van de film is zij steeds meer aan invloeden van buitenaf onderhevig geworden, invloeden die door televisie en reismogelijkheden (gevolg van grotere welstand) aanzienlijk vergroot zijn. Kon je in mijn jeugd Duitse kinderen onmiddellijk herkennen aan hun kleren of haardracht, dat is nu niet meer mogelijk. Er is een jeugdcultuur, die het hele Westen – en weldra ook Oost-Europa – omvat. Maar dat wil op zich zelf nog niet zeggen dat het «accord des sensibilités» groter is geworden. Zo schijnen anti-Duitse gevoelens, om welke redenen dan ook, op het ogenblik sterker te zijn bij jongeren dan bij ouderen. En zo slepen Nederlandse – en trouwens ook Duitse – toeristen nog altijd hun aardappelen en andere inheemse etenswaren mee op hun jaarlijkse trek naar mediterrane campings. Ze worden overigens, door hun gedrag en verteringsgewoonten, in zuidelijker streken – en die beginnen al in België – onmiddellijk herkend als Nederlanders. De internationalisering van de cultuur is nog maar pas begonnen. Zij heeft de diepere lagen van de nationale culturen nog niet aangetast. Ook een cultuur vindt haar reden van bestaan in het verschil met andere. En zelfs de dragers van een elitecultuur zijn niet vrij van de «sensibilités» van hun nationale omgeving en achtergrond.

Dat alles is van belang wanneer we spreken over internationale culturele samenwerking. Laten we dan, om te beginnen, al dadelijk een eind maken aan het gepraat over een Europese cultuur. Die bestaat niet – althans niet in de zin van een cultuur waaraan alleen Europeanen – dus van Noren tot Portugezen – deel, maar niet-Europeanen, zoals Amerikanen en Australiers, géén deel hebben. Zo’n cultuur bestaat niet, al was het slechts omdat, bijvoorbeeld, de Nederlandse cultuur meer gemeen heeft met de niet-Europese Noord-Amerikaanse cultuur dan met de wel Europese Spaanse cultuur. En kunnen we van een Europese Cultuur spreken wanneer, zoals een vroegere directeur van het Maison Descartes te Amsterdam terecht constateerde, Amsterdam niet verder van Parijs ligt dan Lyon, maar tot een totaal verschillende culturele kring, ja tot een andere wereld behoort? (2) Kortom, dat gepraat over een Europese cultuur is intellectuele milieuvervuiling. Dan kunnen we beter spreken van een Atlantische cultuur (wat André Malraux trouwens doet in dat interview uit 1945). Maar dan moet de definitie zo veel omvatten, dat ze onbruikbaar wordt in het intellectuele discours.

Wij kunnen ons zelfs afvragen of er een Nederlandse cultuur bestaat die het eigenlijke Nederland en het Nederlandstalige deel van België, tegenwoordig Vlaanderen genoemd, omvat. Zeker, Nederlanders en Vlamingen spreken en schrijven dezelfde taal. Dat is een belangrijke voorwaarde voor een cultuur. Maar ook een voldoende? (Misschien niet eens een nodige – denk aan Zwitserland). In elk geval zijn Nederland en Vlaanderen de laatste vier eeuwen aan totaal verschillende invloeden onderhevig geweest (globaal: de Reformatie, resp. de Contrareformatie). Bovendien is Nederland die vier eeuwen een zelfstandige natie, een tijdlang zelfs een grote mogendheid geweest, terwijl Vlaanderen eigenlijk pas de laatste tientallen jaren zijn emancipatie heeft voltooid. Dit verschil in achtergrond heeft, met de staatkundige scheiding, tot verschillende culturen geleid. Minister d’Ancona had dus niet zo erg ongelijk toen zij, op 28 april 1990, in Brussel door een van haar ambtenaren liet zeggen dat Nederland en Vlaanderen wel een taal-, maar geen cultuurgemeenschap vormden. Daarmee wekte ze de boosheid op van veel Vlamingen, maar Jozef Deleu, als hoofdredacteur van Ons Erfdeel niet de eerste de beste, was het met haar eens. «Door te praten over de Nederlandse cultuur wordt de relatie tussen Vlaanderen en Nederland alleen maar getroebleerd», zei hij in een interview in het Cultureel Supplement van NRC Handelsblad van 2 november 1990.

Er is op het gebied van cultuur-in-enge-zin voldoende te doen voor Nederland en Vlaanderen samen (hoewel minister d’Ancona, merkwaardig genoeg, juist op dat gebied aanvankelijk de boot wilde afhouden – later is ze bijgedraaid). In elk geval is een gemeenschap van cultuur-in-brede-zin niet nodig voor samenwerking op het gebied van cultuur-in-enge-zin. Samenwerking met Vlaanderen ligt dan, op grond van onze taalgemeenschap, het meest voor de hand. Maar als het waar is dat de Europese Gemeenschap, behalve de economische en politieke, ook de culturele autonomie van de lidstaten in beginsel aantast – wat de kleine cultuureenheden meer zouden komen te voelen dan de grote – dan is samenwerking met Vlaanderen niet voldoende. Dan zal het nodig zijn om ook andere kleinere cultuureenheden voor het karretje van de culturele autonomie te spannen. Dus: politieke samenwerking tot dat doel met landen als Denemarken, Portugal en Griekenland, met welker culturen we misschien weinig gemeen hebben. Dit is des te nodiger omdat het buitenlands beleid van België nog altijd zaak is van de centrale regering, waarin van de Waalse leden niet direct verwacht kan worden dat ze zullen opkomen voor de belangen van een autonome Vlaamse, laat staan een groot-Nederlandse cultuur.

Het is nog niet gebleken dat het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken veel begrip heeft voor het belang van cultuur voor het buitenlandse beleid. Wanneer het eraan denkt, is het op z’n hoogst in termen van schilderijententoonstellingen en muziekuitvoeringen, dus cultuur-in-engere-zin (en dan ook nog als sluitpost). Maar cultuur is meer dan dat. Cultuur is identiteit, en het kan wel eens zijn dat, als de economie en de politiek inderdaad allemaal eens overgeheveld zullen zijn naar Brussel, er voor Buitenlandse Zaken niet veel meer te doen zal zijn dan het verdedigen van Nederlandse culturele autonomie. Maar dan zal het zich toch nu al op die taak moeten voorbereiden.

  1. In het Zwitserse maandblad Labyrinthe, 15 febr. 1945.
  2. Jean-Clarence Lambert in De Gids, mrt. 1987.
Jérôme L. Heldring