“Haagse Bohème op zoek naar Europa” 1992 / De Culturele Route van Den Haag naar Brussel en weer terug

In 1991 reflecteerde Hedy d’Ancona, toenmalig minister van Cultuur, op de positie van kunst en cultuur binnen de Europese Gemeenschap. Ze stelde dat de Haagse Kunstkring niet alleen een belangrijke rol had gespeeld in het Nederlandse kunstleven, maar ook in de culturele uitwisseling binnen Europa. De vraag hoe kunst zich zou ontwikkelen binnen een verenigd Europa stond daarbij centraal.

D’Ancona schetste de paradoxen van Europese integratie: terwijl de politieke en economische samenwerking steeds hechter werd, bleef cultuur een terrein waar nationale overheden hun eigen koers bepaalden. Ze benadrukte dat cultuurbeleid per definitie meer was dan een marktmechanisme en dat overheidssteun essentieel bleef om diversiteit en vernieuwing te waarborgen.

Hedy D’Ancona waarschuwde voor de risico’s van een uniform Europees beleid, maar zag ook kansen. Nederland had volgens haar altijd een open cultuur gehad die internationale invloeden absorbeerde zonder zijn identiteit te verliezen. In die open houding lag de kracht voor de toekomst. D’Ancona moedigde kunstenaars en instellingen zoals de Haagse Kunstkring aan om actief deel te nemen aan de internationale culturele dialoog en de mogelijkheden van Europese samenwerking te benutten

Hedy d’Ancona (1937) is een Nederlands socioloog, feminist en politicus die zich haar hele carrière heeft ingezet voor emancipatie, cultuur en sociale rechtvaardigheid. Ze studeerde sociale geografie en sociologie aan de Universiteit van Amsterdam en werd in de jaren ‘70 een van de boegbeelden van de vrouwenbeweging als medeoprichter van Man Vrouw Maatschappij en hoofdredacteur van Opzij.

In de politiek was ze actief voor de Partij van de Arbeid (PvdA), onder andere als staatssecretaris van Emancipatie (1981-1982), minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur (1989-1994) en Europarlementariër. Daarnaast was ze jarenlang voorzitter van Oxfam Novib. Haar werk werd bekroond met onderscheidingen zoals de Aletta Jacobsprijs en de Harriet Freezerring.

D’Ancona blijft een invloedrijke stem in het maatschappelijke debat, met een onverminderde passie voor kunst, cultuur en gelijke rechten.

 

De Haagse Bohème op zoek naar Europa
De Haagse Bohème op zoek naar Europa Ellen Fernhout, Henri Mühl & Jan Verstegen (red.), De Haagse bohème op zoek naar Europa. Honderd jaar Haagse Kunstkring. Zutphen: Walburg Pers, 1992.

door Hedy d’Ancona

Culturele Actie in het kader van de Europese Gemeenschap

Bij het 100-jarig bestaan van de Haagse Kunstkring is er alle reden om terug te kijken op en tegelijk ook vooruit te kijken naar de plaats van de kunsten in Den Haag. Er is ook een weidser perspectief denkbaar, namelijk de plaats van de kunsten in Europa. Dit meer weidse perspectief is er één dat in het verleden ook door de Haagse Kunstkring zelf geboden is, en waaraan elders in dit boek aandacht wordt gegeven. Het Europese perspectief voor de kunsten en voor de kunstenaar is echter niet een perspectief uit het verleden. En als het Europese perspectief al in de toekomst zou liggen, dan is die toekomst – wat mij betreft – al begonnen.

Paradoxen

Met Europa is iets vreemds aan de hand. Aan de ene kant zijn wij bezig om de Europese Gemeenschap te vervolmaken tot een eenduidige Politieke Unie, waarin steeds meer elementen van politiek en maatschappeLijk handelen samenvallen. Dat gebeurt dan op het moment dat in Oosten Midden-Europa ontwikkelingen aan de gang zijn die ook in cultureel opzicht van revolutionair belang zijn. De nieuwe openheid van Oost- en Midden-Europa staat in schril contrast tot de opvatting dat de Europese Gemeenschap zou kunnen uitgroeien tot een gesloten blok in dat «nieuwe» Europa dat zich aan het vormen is. Ik deel die opvatting niet, maar het is een feit dat er sprake is van twee trajecten en die trajecten moeten nog wel in hetzelfde spoor worden gebracht.

Aan de andere kant is er een proces gaande, waarin toenemende Europese integratie tegelijk steeds meer vragen oproept: een paradox waarin het eenwordingsproces zijn eigen twijfels genereert. Al naar gelang de Europese Politieke Unie naderbij komt, vermenigvuldigt zich het aantal vragen en twijfels. Dat is misschien ook een oorzaak van de moeizame onderhandelingen in het kader van de Europese Politieke Unie.

Maar de richting is nog steeds duidelijk, en ook al kunnen we niet springen, met kleine stappen gaat het integratieproces toch steeds verder. Betekent dit nu dat we ook in cultureel opzicht langzaam zullen opgaan in de nog nevelige sfeer van de Europese Gemeenschap? De vraag stellen is hem beantwoorden, maar de neveligheid ontneemt vooralsnog een heldere blik op de toekomst. Toch moeten we onze weg vinden.

Daarbij zijn er mogelijk een paar bakens te ontwaren waar we op kunnen koersen. Voordat ik aangeef wat die bakens zouden kunnen zijn, wil ik eerst iets zeggen over het beginpunt van de culturele route die we dwars door de Gemeenschap volgen en over het kruispunt, waarop we inmiddels zijn aanbeland.

Brussel I

De Europese Gemeenschap is vooral ontstaan vanuit de behoefte te komen tot één interne markt. Een economisch uitgangspunt derhalve. Dat doet niets af aan de oorspronkelijke idealen van de «founding fathers», om deze economische gemeenschap op den duur uit te laten groeien tot een meer-omvattend geheel van supranationale samenwerking, c.q. van integratie in één Europese Politieke Unie. Toch heeft het lange tijd geduurd voordat ook de culturele sector als apart aandachtsterrein in het geheel van communautair beleid werd opgenomen en zelfs die opname is niet volledig.

Eind 1982 kwamen de ministers van cultuur van de Gemeenschap voor het eerst – informeel – in Napels bijeen om van gedachten te wisselen over noodzaak en wenselijkheid van culturele actie. Enkele jaren daarvoor had de Europese Commissie trouwens al voor het eerst een actieprogramma voor de culturele sector geformuleerd. Dat is echter toen grotendeels in de goede bedoelingen blijven steken.

Een belangrijke stimulans voor nauwere culturele samenwerking binnen de Gemeenschap werd geboden door de zgn. «Plechtige Verklaring over de Europese Unie» van de regeringsleiders die in juni 1983 in Stuttgart bijeen waren. Plotseling stond het er allemaal: er moest gewerkt worden aan het Europese culturele bewustzijn, aan intensieve culturele uitwisseling, aan de bescherming van het Europese culturele erfgoed en aan coördinatie van de culturele samenwerking met landen buiten de GemeenSChap. Dit alles betrof dan met name de intergouvernementele samenwerking, d.w.z. de samenwerking tussen de Lidstaten onderling. Van een echt communautair, dus supranationaal programma was op dat moment nog geen sprake.

Daarvan is nog steeds geen sprake en nog sterker: er bestaat überhaupt geen mogelijkheid tot een gemeenschappelijk cultuurbeleid, domweg omdat de Europese grondwet, het EEG-Verdrag, voor een dergelijk cultuurbeleid geen aanknopingspunten biedt. Wat gebeurt is deels een voortzetting van de intergouvernementele samenwerking, en deels – voor zover het wèl om communautair beleid gaat – een afgeleide van het EEG-Verdrag: in dat Verdrag wordt het vrije verkeer van goederen, diensten, personen en kapitaal geregeld via geldende «markt»-principes.

Bepaalde culturele terreinen of activiteiten kunnen [ten dele] ook tot dat marktprincipe worden gerekend. Als we spreken over de auteursrechten bijvoorbeeld, of over de audiovisuele sector, of over het verkeer van culturele goederen, dan is er natuurlijk van een dergelijk marktbeginsel sprake. Maar dat is één kant van het verhaal.

De andere kant is dat cultuurbeleid – bijna per definitie – een beleid is dat haaks staat op economische principes: cultuurbeleid is marktaan vullend en marktcorrigerend beleid.

Het vrije spel van economische en maatschappelijke krachten laat nauwelijks voldoende ruimte voor nieuwe experimenten en ontwikkelingen of voor culturele pluriformiteit en eigenheid. Om die – culturele – principes daadwerkelijk tot gelding te brengen is ondersteuning en stimulering nodig. Dat kan voor een deel vanuit de markt zelf. Voor het merendeel zal dat echter vanuit het mecenaat, particulier of publiek, moeten geschieden.

In Europa hebben we wat dat betreft een lange traditie opgebouwd van ondersteuning van de schone kunsten. Die traditie is nog steeds actueel: ik ontleen daar voor een deel de legitimering van mijn portefeullle aan.

Maar het gaat nog verder. Vooral onder invloed van de technologische ontwikkelingen en van processen van internationalisering zou de wereld wel eens een «global village» kunnen worden. Een wereld waarin politieke, economische én ook culturele samenhangen steeds nauwer worden. Juist om tegenover het culturele geweld van Dallas en Dynasty nog een beetje culturele eigenheid en verscheidenheid op te houden, is misschien meer dan ooit een actief cultuurbeleid vereist. Een beleid dat naast contact met buitenlandse culturen ook de verbinding met de eigen culturele ontwikkeling nadrukkelijk vasthoudt.

Brussel II

Op dat laatste punt, de eigen culturele ontwikkeling, is er sprake van weer een andere paradox. In het Europa zoals wij dat kennen, zijn tradities van overheidsmecenaat diep geworteld. Maar de Europese Gemeenschap beschouwt iedere vorm van overheidsinterventie in principe als strijdig met het EEG-Verdrag. Naar de letter van het Verdrag gemeten mogen overheden in de Lidstaten geen subsidies verstrekken die uitsluitend ten goede komen aan eigen ingezetenen. Dat zou binnen de Gemeenschap als geheel leiden tot discriminatie naar nationaliteit en aldus oneerlijke vormen van concurrentie bewerkstelligen en daarmee strijdig zijn met het uitgangspunt van het vrije verkeer.

In theorie zou dit kunnen betekenen dat bijvoorbeeld de Nederlandse overheid niet langer gemachtigd is subsidies te verstrekken aan Nederlandse filmers of Nederlandse auteurs, als deze subsidies niet tegelijkertijd ook aan buitenlandse filmers en auteurs kunnen worden verstrekt. De rentesubsidie-regeling, die mede bedoeld is voor de stimulering van aankoop van Nederlandse beeldende kunst, zou vanuit dezelfde optiek evenmin door het kritische oog van de Gemeenschapsnaald kunnen kruipen. In de praktijk, d.w.z. aan de hand van toetsingsprocedures tot nu toe blijkt het in zekere zin nog wel mee te vallen met de rekkelijkheid van het EEG-Verdrag op dit punt. Maar op andere terreinen, zoals met betrekking tot het leenrecht en het omroepbeleid, geeft het Gemeenschapsoptreden toch al aanleiding tot noodzakelijke aanpassingen.

Er is, kortom, sprake van principiële onverenigbaarheid van Gemeenschapsrecht en cultuurbeleid, of op zijn minst van praktische onduidelijkheid in de relatie tussen die beide grootheden.

Om die reden heeft de Nederlandse regering indertijd tegelijk met andere landen voorstellen ingediend voor een nadere regeling binnen het EEG-Verdrag voor de culturele sector.

Deze voorstellen hebben de basis gevormd voor de tekst van het cultuurartikel dat nu is toegevoegd aan het EEG-Verdrag en voor de nieuwe bepaling in artikel 92, derde lid, inzake steunmaatregelen op het terrein van de cultuur.

Met de veranderingen in het EEG-Verdrag heeft als het ware een nuancering plaatsgevonden, waarmee – om in de Brusselse terminologie te blijven – het specifieke karakter van culturele goederen en diensten wordt erkend en als zodanig ook wordt benaderd. Het gaat er uitdrukkelijk niet om het cultuurbeleid van de Lidstaten naar Brussel te verhuizen en daar op te laten gaan in één gemeenschappelijke aanpak. Hooguit dient de Gemeenschap een ondersteunende of coördinerende rol te vervullen t.o.v. de Lidstaten. Geen surrogaatrol dus.

Tegelijk met Nederland hebben ook andere landen soortgelijke voorstellen ingediend. Die voorstellen maken deel uit van een omvangrijker pakket van maatregelen die momenteel besproken worden in het kader van de Europese Politieke Unie. Hopeliik kan – in ieder geval over het cultuur-onderdeel – al positief besloten worden tijdens de Topontmoeting van Maastricht, eind 1991, maar daarover bestaat twee maanden voor dato nog geen zekerheid.

Brussel III

Het Europese integratieproces biedt voor het cultuurbeleid in de Lidstaten dus zekere problemen. Deze acht ik echter oplosbaar. Sommigen denken dat dit problemen van secundaire aard zijn. Primair in hun opvattingen staat de overtuiging dat de gehele Nederlandse culturele identiteit in het groeiende Europa teloor zal gaan, en zo niet de Nederlandse culturele identiteit, dan toch in ieder geval de Nederlandse taal. Zo pessimistisch ben ik niet gestemd.

Ik geloof dat we de redenering die hier gevolgd wordt, en die tegenwoordig breeduit in dagbladpublikaties wordt uitgemeten, ook kunnen omdraaien. De Nederlandse cultuur is altijd een open cultuur geweest, die veel internationaal-culturele invloeden heeft geabsorbeerd zonder zelf wezenlijk te worden aangetast. Juist de veelvuldige en intensieve contacten met omringende culturen hebben de Nederlandse cultuur alleen maar verrijkt, versterkt en verder ontwikkeld. Dat is een proces dat in het gunstigste geval door de Europese integratie en door wegvallende grenzen alleen nog maar kan toenemen.

Dat laatste hebben we zelf in de hand. Althans voor zover wij blijven beschikken over een eigen cultuur-politieke speelruimte, waarin we zelf mede sturing kunnen blijven geven aan het soort van culturele ontwikkeling waarover we het met elkaar in dit land eens zijn. De Nederlandse taal en cultuur zijn sowieso sterk genoeg om «de confrontatie» met het buitenland aan te gaan. Sterker nog: die confrontatie is ook nodig om continuë ontwikkeling en versterking van onze eigen taal en cultuur ook in de toekomst te garanderen. Dat vereist dus zelfbewustheid en actieve deelname aan de internationale ontwikkelingen. Binnen de EG moeten we ervoor zorgen dat daarvoor ruimte bestaat. Maar in die ruimte liggen onvermoede en belangrijke kansen voor een geprofileerde Nederlandse positie op de culturele kaart van Europa en de wereld. Die kansen moeten we hoe dan ook grijpen, daar ben ik van overtuigd.

Den Haag

En dan keer ik weer terug in eigen land, meer specifiek: in de regio «Den Haag» waarin de Haagse Kunstkring én de minister van cultuur actief zijn. In die regio valt mijn verhaal wellicht samen met de ontwikkeling die ook de Haagse Kunstkring heeft doorgemaakt in de laatste 100 jaar: een kring vormen om de kunst en cultuur die ons ter harte gaan.

Maar met één belangrijke kanttekening.

Iedere kring ontleent zijn bestaansrecht en identiteit aan het bestaan van andere kringen en tegenover die andere kringen moeten we de luiken openhouden. Het besef van een «open» kring, waarin invloeden van buitenaf niet bij voorbaat worden geweerd, maar opgenomen en ter eigen ontwikkeling en versterking aangewend. Een gezonde argwaan ten opzichte van de vermoede bedreigingen van buitenaf en tegelijk het grijpen van de onvermoede kansen die eveneens in die confrontatie met de grote buitenwereld liggen. Dat is het kruispunt van twee wegen waarop we zijn aanbeland. Beide wegen moeten we gaan. Op die reis wens ik de Haagse Kunstkring voor de volgende 100 jaar veel voorspoed toe.

Rijswijk, december 1991