
door H. Heestermans
Over taal en cultuur van Nederland en België
Inleiding
Als iemand zegt dat hij garagist is, weten we bijna zeker dat hij een Vlaming is. Helemaal zeker zijn we van zijn herkomst als hij het heeft over duimspijker («punaise»), nagel («spijker») of als hij ons toevoegt dat we hem zijn botten (laarzen) kunnen kussen. Met dat laatste geeft hij te kennen dat hij niets met ons te maken wenst te hebben.
De Nederlander en de Vlaming spreken een en dezelfde taal, maar er zijn in de loop der eeuwen duidelijk regionale varianten in die taal ontstaan.
Soms gebruikt de Vlaming hetzelfde woord, maar in een andere betekenis. Voor ons is een borstel een hardharig voorwerp waarmee gereinigd kan worden. Voor een Vlaming is het een verfkwast of zelfs een penseel.
«Onze pa … liet hem dan met echte borstels, echte olieverf, op een echt klein doekje schilderen.»
herinnert Lia Timmermans zich haar vader Felix, de auteur van onder meer het overbekende «Pallieter».
Een andere keer kent men in Vlaanderen een woord dat in het Noorden volledig onbekend is. Hubert Lampo schrijft in zijn boek «De prins van Magonia» (1976):
«De andere knapen in de klas zaten stilletjes te gniffelen. Voor hen stond vast, dat hij voor een bolwassing op het matje werd geroepen.»
Uit de context is duidelijk dat een bolwassing een standje, een uitbrander, een reprimande is, maar geen enkele Nederlander zal dit toch niet onaardige woord ooit actief gebruiken. Datzelfde geldt voor bibbergeld dat voorkomt voor «gevarengeld».
Nog vaker gebeurt het dat de Vlaming een goed Nederlands woord gebruikt, waar wij onbekommerd het Franse synoniem in de mond durven nemen. Als er iets op Vlaamse scholen wordt uitgeslagen, dan zijn het wel de Franse woorden of de gallicismen. Jaren geleden leidde ik de Vakantiecursus voor Belgische leraren en directeuren en op een zeker moment liet ik mij ontvallen dat ik iets een saillant detail vond. Dat werd mij, Noordnederlander en bovendien nog de bewerker van Van Dale, kwalijk genomen. Kon ik er niet het gewone Nederlandse equivalent (daar heb je t weer) voor gebruiken? – Overigens, wat zou dat moeten zijn: een in het oog springend onderdeel?
De Vlaming is gespitst op het vermijden van Franse woorden of van op Frans voorbeeld gesmede woorden, de gallicismen, want het Frans is het bedreigende monster voor zijn taal. Daarom gebruikt hij betoelaging voor «subsidie», bestemmeling voor «geadresseerde», bagagedrager voor «imperiaal». Van de andere kant is het natuurlijk verklaarbaar dat er zoveel Frans in het Vlaams is doorgedrongen. Zeventig jaar geleden werd er in Vlaanderen alleen nog maar dialect gesproken; de standaardtaal was niet het Nederlands, maar het Frans. Dat verklaart woorden als agglomeratie voor «bebouwde kom, woonwijk», ajusteur voor «bankwerker», amateur voor «liefhebber» (hij is een amateur van goeie sigaren), ambetant voor «vervelend, naar, onaangenaam of hinderlijk» (van het Franse embêtant, dat zelf weer is samengesteld uit en– en bête, «beest»).
In allerlei winkels zijn reclameborden te zien waarop staat dat er solden «koopjes» (dus «uitverkoop») zijn en dat iets te «bekomen» is aan 50 frs, dat wil zeggen dat het «voor» 50 frs te verkrijgen is. Het gallicisme aan voor het Franse «à» schijnt onuitroeibaar te zijn.
Kortom, de verschillen tussen de Vlaamse taal en het Nederlands zijn overduidelijk, al was het alleen maar omdat het officiële België heel andere instellingen kent dan Nederland. Het assisenhof is in ons land volstrekt onbekend. Het is het rechtscollege (met jury), zetelend in de hoofdplaats van iedere provincie, belast met het vonnissen van zware misdrijven, alsook van politieke en persdelicten. Attaché is in België de officiéle benaming voor een functionaris bij een (ministerieel) departement die als specialist op een bepaald domein de minister advies geeft en een directie-attaché is het gewone woord voor «directiesecretaris».
Er zijn zoveel kenmerkende varianten bezuiden de rijksgrens dat er zelfs een «Zuidnederlands Woordenboek is samengesteld (1) waaraan ik al de bovengenoemde voorbeelden heb ontleend.
Drie vragen kunnen gesteld worden. Ten eerste: hoe is het verschil Vlaams-Nederlands historisch te verklaren? Ten tweede: heeft Vlaanderen recht op zijn eigen varianten? Ten derde: vormt 1992 een bedreiging voor het Nederlands?
De geschiedenis
Al in het begin van de 80-jarige oorlog vluchtten veel hervormden uit de Vlaamse gewesten om uit handen te blijven van de gehate Roomse Spanjaard. De grote stroom kwam echter na de val van Antwerpen in 1585. De zuidelijke uitwijkelingen waren over het algemeen niet degenen die laag op de maatschappelijke ladder stonden. Het waren de rijke kooplieden, de kunstenaars, de intelligentsia. Zo begroette Nederland geleerden als Simon Stevin en Daniél Heinsius, de boekdrukker Christoffel Plantijn en de burgemeester van Antwerpen en waarschijnlijke dichter van het Wilhelmus, Marmix van St. Aldegonde. Hoeveel het er precies waren weten we niet. We kennen wel andere cijfers die tot de verbeelding spreken en waaruit we kunnen opmaken om welke getallen het gaat. Zo bestaat rond 1620, dus 35 jaar na de val van Antwerpen en 52 jaar na het begin van de 80-jarige oorlog, 67% van de totale bevolking van Leiden uit gevluchte Zuid-Nederlanders. Van de 44.745 inwoners van die stad waren er derhalve bijna 30.000 afkomstig uit Antwerpen, Brabant of Vlaanderen.(2)
In Haarlem was het aantal wat minder, maar toch nog altijd 51%; dat betekent dat tot de 39.455 inwoners van Haarlem ongeveer 20.000 inwijkelingen behoorden.
Nog wat andere «saillante» cijfers. In Amsterdam bestond 33,4% van de totale bevolking uit Vlamingen, te weten 35.000 van de 104.932. Het gemiddelde aantal Vlamingen in 9 grote steden (Alkmaar, Amsterdam, Delft, Dordrecht, Gouda, Haarlem, Leiden, Middelburg en Rotterdam) was 42,4% van de totale bevolking. Bijna de helft. En het ligt voor de hand dat deze rijke, geleerde en kunstzinnige Vlamingen grote invloed op de Nederlandse cultuur hebben uitgeoefend. De Verenigde Oost-Indische Compagnie zou nooit die bloei hebben bereikt zonder de inzet van de uitgewekenen; een rederijkerskamer als ’t Wit Lavendel is ondenkbaar zonder de zuidelijke inbreng. Kortom: handel en industrie, staatkunde en stadsbestuur, leger en cultuur voeren zeer wel bij de komst van de refugiés.
Het is bekend dat de taal die wordt gesproken door mensen met aanzien, invloed, macht en rijkdom, een hoge status heeft. Die taal, het accent en de woorden en zinswendingen van die taal gelden als norm en ze worden overgenomen door anderen. Dat gebeurde ook met de taal van de Vlamingen. De 17de-eeuwse Amsterdamse koopman en dichter Roemer Visscher heeft daarover geschreven. Hij verwijt de deftige, beetje nuffige Amsterdamse meisjes van zijn tijd dat ze de Brabantse uitspraak fatsoenlijker en deftiger vonden dan de Amsterdamse.
«Op Brabants spreken sy alle gaer:
Op Brabants singhese haren sangh:
Op Brabants makense haren gangh:
Amsterdams Dochters doet mijn bescheyt,
Schaemt ghy u van de Hollantsche botticheyt.»
Jonker Jan van der Noot, schrijver van «Het Bosken» (1567) is lyrisch over de «Brabantse» taal: de taal die in de provincies Antwerpen, Brabant en Vlaanderen werd gesproken; «Brabants» is hier net zo’n overkoepelende term als «Hollands» voor «Nederlands» en «Vlaams» voor alles wat er bezuiden de rijksgrens aan Nederlands wordt gesproken:
«Alzoo wordt in Brabant met d’allersuetste voys Gesproken en ghe-bruyct het alderbeste duyts.»
Het aanzien van de taal van het Zuiden blijkt sterk uit «Het Bancket-werck van goede gedachten» (1657) van de Zeeuw Johan de Brune:
«Men zeght dat een schoone vrouw moet hebben een Neerlands lijf, een Enghelands aenghezicht, een Brabands tongh en een Hollands hert.»
Opvallend is in 1992 dat nog allerlei woorden die in de 17de eeuw uit het Vlaams zijn overgenomen, gelden als de deftige variant. Zo klinken gaarne, zenden, gij, nu, werpen en huwen formeler, archaïscher dan de van oudsher Nederlandse variant: graag, sturen, jij, nou, gooien en trouwen.
Was het gevolg van de Vlaamse immigratie voor Nederland positief, de gevolgen voor Vlaanderen waren rampzalig. De koopmansgeest was weg, de industrieën hadden geen bekwame bestuurders meer, de wetenschap verdween en de cultuur daalde tot een nulpunt. Steden en dorpen verpauperden.
Ook de gevolgen voor de taal waren groot. In het Noorden ontstond geleidelijk aan vanaf de 17de eeuw en zeker sinds 1637, het jaar waarin de Statenbijbel verscheen, een eenvormig Nederlands, een standaardtaal, waarvan ieder zich bediende. In het Zuiden was de standaardtaal die bestemd was voor de Westvlaming die wilde spreken of schrijven met een Limburger: het Frans. Thuis, in zijn dorp of stad, sprak de Westvlaming Westvlaams en de Limburger Limburgs. Die situatie is tot het begin van deze eeuw zo gebleven. Daarna is er veel veranderd. Zeker na de vernederlandsing van de Gentse universiteit is er een streven ontstaan zich te richten naar de Nederlandse standaardtaal, maar die standaardtaal is bepaald door Noord Nederland, en nog nauwkeuriger geformuleerd door de Randstad. De taal wordt immers bepaald door de spraakmakende gemeente, door de schrijvers, de kunstenaars, de media, de politici en al die leden van die gemeente zetelen van oudsher in de Randstad.
Vlaams
In Vlaanderen zijn ten aanzien van de, op Noord-Nederlandse leest geschoeide, standaardtaal, twee polaire stromingen: de rekkelijken en de preciezen. Tot de preciezen behoort de journalist en BRT-medewerker E. Berode. Hij vindt dat de Vlaming zich moet richten naar de Noord-Nederlandse standaardtaal. Berucht en beroemd zijn de «blauwe briefjes».
Elke radio- of t.v.-medewerker die het waagde om te spreken van «garagist» kon de volgende dag op zijn bureau een blauwgekleurde notitie aantreffen waarin hem of haar gewezen werd op deze zonde. Hem of haar werd verzocht of bijna geboden om deze misdaad niet meer te begaan en garagist te vervangen door garagehouder. De rekkelijken menen dat de Noord-Nederlandse standaardtaal weliswaar de norm moet zijn waarnaar men zich richt, maar dat die norm varianten moet toelaten.
Waarom niet aanplakbrief naast affiche (Frans!) of aanplakbiljet (gedeeltelijk Frans)? Waarom niet iemand appelen voor citroenen verkopen naast iemand knollen voor citroenen verkopen? Waarom niet de oude woorden achternoen, noen, kuisen, schoon, aflijvig, alaam, baktand en bamis naast namiddag, middag, schoonmaken, mooi, gestorven, gereedschap, kies en herfst? En waarom niet apejaren naast puberteit, beschaamd naast verlegen en betrekkingen naast geslachtsdaad?
Hiermee ben ik bij mijn tweede vraag beland, die ik kort kan beantwoorden. Heeft Vlaanderen recht op zijn eigen varianten? Hoe sterker de standaardtaal is, hoe langer ze bestaat en hoe meer gebleken is dat ze stabiel is, hoe beter de standaardtaal bestand is tegen varianten.
Onlangs heeft de Amsterdamse taalkundige dr. J. Stroop aangetoond dat de typische dialecten van dorpen en steden in Nederland op hun retour zijn, dat er steeds meer sprake is van regiolecten (min of meer uniforme «talen» over een vrij groot gebied verspreid, b.v. het Hollands of het Utrechts). Omgekeerd staat de standaardtaalspreker steeds toleranter tegenover varianten uit dialect of regiolect. Terzijde zij opgemerkt dat de laatste jaren uit het Vlaams verschillende woorden in het Nederlands doorgedrongen zijn. Ik doel nu niet op wielertermen als afzien, maar op gewone woorden als uitbater voor «exploitant» en verwittigen voor «informeren, op de hoogte brengen».
Het is met de taal als met de mens: hoe sterker hij zich lichamelijk of geestelijk voelt, hoe minder gemakkelijk hij zich aangevallen en bedreigd voelt.
Er zal binnen niet al te lange tijd – of misschien is de tijd aldaar- een moment komen dat de Noord-Nederlandse norm in Vlaanderen zo sterk is dat varianten geen enkele bedreiging voor de standaard taal betekenen. Het bewijs dat er zo’n vreedzame samenleving van twee variante talen mogelijk is, is duidelijk te vinden in het Duitse taalgebied, waar naast het Hoogduits een Noord-Duits, Beiers-Duits, Oostenrijks-Duits en Zwitsers-Duits bestaat. In elk van die talen bestaan afwijkingen op het gebied van de woordenschat, de grammatica, de syntaxis en de uitspraak en die afwijkingen worden getolereerd.
Europa ’92
Over de toekomst van het Nederlands in een Europa waarvan de grenzen zijn opengegooid valt weinig met zekerheid te zeggen. Dat het Nederlands (en dan bedoel ik de taal van het Noorden én het Zuiden) bedreigd wordt, geloof ik niet. Tenslotte wordt onze taal gesproken door 20 miljoen mensen; dat is meer dan het Deens en Noors en die talen hebben het, ondanks het feit dat er veel Engels wordt gesproken, ook volgehouden.
Dat neemt niet weg dat er toch een bedreiging kan ontstaan. Niet zozeer doordat de «officiële» Europese voertaal (d.w.z. de taal waarvan de Europese Unie zich zal gaan bedienen) waarschijnlijk wel het Engels zal worden – dat ligt in elk geval meer voor de hand dan dat het Frans of het Duits zal worden gekozen. Het gevaar ligt eerder in economische maatregelen die de cultuur kunnen benadelen.
«Met name op het gebied van de literatuur houdt de marktverruiming die de voltooiing van de Europese markt met zich brengt het gevaar in van verschraling van het Nederlandstalige aanbod. Afschaffing van de vaste boekenprijs zou dit proces versnellen.»(3)
Goede Nederlandse literatuur zou een zeldzaamheid worden. Dat is het spookbeeld: een taal zonder literatuur wordt ernstig bedreigd. Literatuur is het bindmiddel van de taal. Daarom is er in 1990 een Comité Buitenlands Cultuurbeleid opgericht, dat van mening is dat de EG een verdragstekst moet vastleggen «dat de cultuur tot de soevereine bevoegdheid van de lidstaten behoort en derhalve uitgezonderd is en zal moeten blijven van centrale regelgeving door de Europese Gemeenschapsorganen».
Daarom ook is het belangrijk dat de Noord-Nederlander accepteert dat er Zuid-Nederlandse varianten van de taal zijn, zoals de Zuid-Nederlander allang aanvaardt dat er Noord-Nederlandse woorden zijn die hij nooit zal gebruiken (de meeste Vlamingen lachen om een woord als leuk).
Daarom is het belangrijk dat de Noord- en Zuid-Nederlander inzien dat we in één cultuur leven, zij het met verschillende varianten.
Het is geen tijd voor gekissebis of zelfs gegrinnik over elkanders afwijkend taalgedrag of afwijkende cultuur.
«Wil Nederland in het toekomstig Europa een eigen stem laten horen dan lijkt een versterking van de banden met Vlaanderen naar buiten toe een niet onbelangrijk hulpmiddel.»*
- Walter de Clerck, Zuidnederlands woordenboek, Den Haag 1981.
- J.G.C.A. Briels, De Zuidnederlandse immigratie in Amsterdam en Haarlem 1572-1630, Z.pl. 1976.
- B. Tromp, Nederlands cultuurbeleid en de Europese Gemeenschappen, Kerkebosch 1989.
- H.W. von der Dunk, «Het vraagstuk van de Nederlandse identiteit», In: H.C. Cassee, D.J. van de Kaa (red.). Cultureel Alfa-Bètisme in Nederland, Amsterdam/Lisse 1989, p. 77.

