
door Peter Berger
Vrijdag 7 oktober 1991. In de trein naar het zuiden. Tot mijn verwondering, enigszins, ben ik prettig gestemd, maar ja. Het is ook oktober en dat is een jaargetijde dat bij mij geen kwaad kan doen. En het weer is nu wel erg fraai. Herr, es ist Zeit… Maar ik heb tenminste een doel: Brussel.
Ook een verkoekhakte stad, net als Antwerpen of Den Haag. Maar nog altijd van een majestueuze grandeur. Koot en Bie houden niet van het woord prestigieus. Ik wel. Brussel is een prestigieuze stad. Een wereldstad in een lieflijk, voor zo’n kolossale hoofdstad wat klein uitgevallen landje vol chaos van mooie streken, doe-het-zelf-huizen en verroeste industrie. Brussel. Het mag een stad zijn vol van kitsch, maar ach, wat hou ik van die overdonderende kitsch, dat imperiale, dat grote gebaar, dat wereldse. Brussel zit me als een te wijde, kostbare mantel, ruimtelijk en groots en zo mondain. Ik ben een grand seigneur uit Nederland, geboren in 1878. En ik ben op weg naar de burelen van de Société-Générale. Met een pak aandelen in mijn kostbare valies. In de grote parken, daar flaneren jonge vrouwen in grote herfstgewaden, de queue de Paris wuivend aan hun smalle tailles, lief roodwild, vrouwelijk en gevaarlijk, de rossige haren opgestoken. Ik laat niets merken, maar terwijl ik doe of ik diep in gedachten verzonken ben, kijk ik terloops en verliefd naar hun wiegelend schrijden. Brussel: droom die altijd uitkomt in zijn eigen droom van brede pleinen en trotse gebouwen, oh…
Het Kabinet Martens is een beetje gevallen, maar dat zie je nergens aan. Brussel is een stad waar, als je op zijn Vlaams warm witbier, dat wil zeggen blond bier van zes graden Celsius, bestelt, de obers niet begrijpen wat je bedoelt. Na de vergadering zal ik in mijn stamkroegje aldaar garnalenkroketten – kroketjes noemen de Vlamingen ze verliefd – bestellen, met grijze garnalen. Wij in Nederland noemen ze Hollandse garnalen. Mij is het om het even, ziltig en zoetig als ze liggen te blozen in dat licht gebakken kroketje, naast een aanminnig blaadje sia. En ik zal er witbier bij bestellen, en weer zullen de obers me niet begrijpen.
Belgie is een land waar leerkrachten een tijd lang voor een deel in maaltijdbonnen werden uitbetaald. Eindelijk een valuta die waardevast is. Als Nederlandse ambtenaren in Vlaanderen worden ontvangen worden ze altijd rijk onthaald. Vandaar die beleefde Hollanders die altijd zeggen: nee, nee, wij komen wel naar jullie. Het is hier zo veel gezelliger. En ze menen het vanuit heel de diepte van hun stenen hart.
Dat prachtige Vlaamse tafelen met mooie vlezen, zachtaardige groenten, in hun donkerrode pracht wellustig sluimerende wijnen die zich zinnelijk uitrekken in de mond, als een jonge vrouw die wakker wordt in de geurende ochtend, warm en dierlijk…
De Vlamingen kwamen ook wel eens ter vergadering naar Nederland getogen. En dan konden ze een vorkje meeprikken. In de kantine, thans geheten het bedrijfsrestaurant. De kantine dus. Dat werd door de Vlamingen niet geapprecieerd. Zodat we ook eens zouden uithalen, met gulheid en zwier. De meisjes van de kantine krijgen het verzoek kippepoten, drumsticks dus, te bakken, en patates frites. Maar ach. In plaats van diepvries friet hebben de meisjes koolraapjes gekocht en in het frituurvet gestort. Die komen na een minuut of tien sissen als zwarte piemeltjes uit het vrolijk walmende bakvet. Snikkend en bruisend van het lachen zijn de Vlaamse collega’s weer huiswaarts getogen, naar de beschaafde wereld. Sindsdien wordt er gegeten op basis van reciprociteit. Ik bedoel, sindsdien krijgen de Vlaamse collega’s hier eetbaar voedsel voorgezet, waar koks iets aardigs mee bedoeld hebben, waarschijnlijk. Maar gek. De Vlamingen blijven als het even kan toch liever weg, en de Nederlanders komen altijd graag naar Antwerpen of Brussel gereisd. En zo is iedereen tevreden. En zo hoort het ook, het is geven en nemen in de wereld.
Brussel dus. Zoals altijd zal ik ook weer de weg in het Nederlands vragen, de weg die ik dromen kan. En acht op tien zal men mij niet begrijpen of zelfs vragen: parlee-vous Anglais, mesjeu?
Na mijn stukken nog even doorgenomen te hebben neem ik omtrent Roosendaal uit de stapel meegenomen leesvoer voor me het artikel «De eigenheid van de Nederlandse cultuur». Van E.H. Kossmann. Ik ben het vrijwel nooit met iemand eens, mijzelf inbegrepen. Maar met Kossmann is het niet onplezierig het niet eens te zijn. En stukken over cultuur lees ik graag, het geeft de alleraardigste illusie dat de wereld ergens over gaat en dat het leven de moeite waard is.
Maar eerst wat bladen doorgenomen. Vrij Nederland. Vind maar één boeiend stuk. Dat over Hergé en mijn geliefde Kuifje. Zouden er, Sire, geen Belgen zijn? Meneer, kijk naar Kuifje. De Belgen zijn veelal iets rossiger dan wij Nederlanders meestal zijn, Belgischer ook. Wat te zeggen als ik in De Volkskrant gekopt zie dat een stuk over Mahler belooft te gaan terwijl het over Hindemith blijkt te handelen. Wat geeft het, als er maar muziek in zit, zal men ter redactie gedacht hebben. Mijn vreemde, tevreden luim is gebleven. Zonderling.
Brussel, Brüssel, Bruxelles, Brussels. Bij een MP die staat voor het gebouw van de Vlaamse Raad de weg gevraagd. Hij draagt een rode pet. Hartverwarmend. Mooie mitraillette ook. Ik hou van wapens, als het maar vrede is. Hij, de MP, verwijst mij naar zijn collega die voor een ander wachthuisje schildert. «Want das eene van ier». De MP van hier echter weet ook niet van zijn gezond. Weet niet eens waar de Koningstraat-Rue du Roi is. Bijna te laat in het Arkadengebouw, door al dat gevraag naar de bekende weg. Nog net op tijd dus. Verbazing alom. Heb na afloop van de vergadering nog even staan kijken naar het graf van de Onbekende Soldaat.
Ik vind dat onzin, een onbekende soldaat met een vlam op zijn dode buik. In Frankrijk zie je in elk dorp een gedenkplaat met de namen van de gevallenen. Ik lees steevast een paar namen die vaak ook op de winkelruit van de charcuterie en de quincaillerie staan. Maar ach, voor mij zijn die namen onder die twee gekruiste palmtakjes allemaal onbekend. Iedere soldaat die gestorven is, is een onbekende soldaat, behalve in zijn dorp. En daar doet de dood van die soldaten pijn totdat zijn generatie ook dood is, de harten verdroogd en dan zand erover. Toch vind ik het een eerbiedwaardig monster, dat graf van de Onbekende. Ik blijf staan kijken totdat ik een bordje gewaar wordt dat waarschuwt voor vallend gesteente. Ook het graf wordt een dagje ouder.
In Antwerpen staat in het station een beeld van een paar spoorwegarbeiders, gigantische stenen nijptangen bij de hand. Voor de gevallen cheminots. Dood voor het vaderland. Hoe kom ik daar nu weer bij? Bij die mannen van wit steen? Vanwege het vallend gesteente haast ik me naar mijn stammineke hetgeen vriendelijk Vlaams is voor het nette Brusselse estaminet.
In Vlaanderen voel ik me altijd op mijn gemak. Er staat geschreven en dat dateert niet van lang her, dat de Nederlandse ambtenaren zich verheven voelen boven de Vlamingen en neerkijken, ja werkelijk, op de Vlaamse literatuur. Alsof ambtenaren nog niet geboren zijn, of in het nergens, en niet van de wereld zijn. Ik ben daar tamelijk laconiek onder en toch.
Herinneringen stuiven in me op. Beelden. Ik debatteer op een soort feestdag van «Dietsche Warande & Belfort» met Hugo Brems onder monkelende aanvoering van Marcel Janssens over het nieuwe realisme in de poëzie, terwijl mijn kinderen in het natte park rondom het kasteel waar het plaats vindt een tentje opzetten en hun Indianenkreten schril in de mist weerklinken, in de driezel; wis in Pulchri de tranen van een stomdronken Jef Geeraerts, die goede moordenaar, met een vieze snotlap droog; redacteur van een Vlaams-Nederlands tijdschrift, ooit, lang, lang geleden zwier en zwaai ik met Vlaamse en Nederlandse schrijvers door de Antwerpse kroegen, zie met de Vlaamse broeders in een van die enorme feestkastelen de zon stil en nevelig opkomen terwijl in het nat verzilverde grachtenwater zwanen roeien; lichte ochtenddauw of mist van lieflijke drankkegels of beide zweeft in de parken rondom, de struiken, het geboomte, en het eerste geknerp van vogeltjes in een lichtrode hoofdpijn.
Met jos Vandeloo zoals dat heet op café geweest. In de knijp van Willem Elsschot drink ik eerbiedig voor de eerste keer Trappist («m’n jonge, ge zult voorzichtig drinken want dit goud is eten en drinken tegelijk») en devoot hebben we vervolgens Willem Elsschots geliefde bakspel gespeeld, vrolijk en stil en in gewijde melancholie.
Verhalen, verhalen. Regen te Wemmel. Natte sneeuw in Gent. ’t Vosken. Melieveke, wete ge nog?
Mijn grootje is ergens in Belgisch-Brabant geboren; mijn woeste oom was havenmeester van Antwerpen en, zijn verre en godsgloeiende ketellappersherkomst niet verloochenend, later naast zijn mooie en geheime Mechelse trut van een Julia, kroegbaas met zichzelf als beste klant te Oostende. Totdat hij boordevol Johnny Walker van de drank uit elkaar knalde, vlak achter een kreeftencocktail.
En precies op de grens, in St. Anna ter Muiden alwaar hij nu, zijn zwarte levensangst uitgehuild, begraven ligt op een lief en troostrijk kerkhofje onder de Zeeuws-Vlaamse praatbomen, bedolven onder een enorme, lachwekkende zerk in de vorm van een onbeschreven boek, och arme, die dichter die de woorden niet vinden kon, die ouderwetse, weerloze, zachtmoedige frik met zijn horlogekettingen en zijn bombazon-buik – en precies op de grens dus, in zijn oude huis op het oude pleintje vertelde mijn grootvader ons, mijn zusje en mij, de ademloos grote verhalen van Conscience over Jan Breydel en Pieter de Coninck in zijn gezellige, warme, West-Vlaamserig Nederlands. Zoete herinneringen, glanzende Guldensporenslagen, bloed, heldendom, triomf der vrije Keerlen.
En wat heeft hij, weggelopen kloosterling, moeilijk het lieve, walgelijke leven verlaten, zich vastklampend aan de bedspijlen, schreeuwend naar men zegt, want zijn God was verdwenen, maar zijn Wraak bleef bestaan, wenkend in een eeuwige nacht.
Vlaanderen met zijn Leie. Die bomen die naar boven de lucht, en naar beneden spiegelbeeldig het stille water insteken. Vlaanderen, lief heb ik dat land, innig lief in al die half verloren herinneringen. Voel me stil. Beetje treurig nu ook. Vlaanderen. Vlaanderland…
Vrijgezellen- en gescheiden mannen-gewoonte. Ik lees altijd onder het eten. Omdat ik genoeg in misverstanden geconverseerd heb met de Brusselaren bestel ik mijn biertje maar internationaal. Een pale ale. Levensecht bier: zwart en bitter.
In Nederland is ons afgeleerd om Vlamingen Belgen te noemen. Dat zou gevoelig liggen. Toen een parlementariër sprak van de Belgische meneer zus en mezo, bloosde hij over heel zijn in de politiek geharde hoofd en bij wijze van spreken half door de grond zakkend van schaamte herstelde hij zich met: de Vlaamse meneer zus en mezo, natuurlik.
Natuurlijk? Het leven is ingewikkelder dan we het aangeleerd krijgen. In de «Weekend-Knack», Vlaams blad, staat als kop: «Vroeger had de Belgische mode de reputatie heel saai te zijn. Nu verwijt men ons extravagantie». Ons Belgen dus. Het is precies zoals ik dacht. Zodra de Vlamingen culturele autonomie hebben kunnen ze zich ook zelfbewust Belgisch voelen, in een soort van fier neo-Belgicisme. Als België niet bijeen blijft in een of andere vorm, de vos Martens ten spijt, dan is dat een politiek bedrijfsongeluk. Dat brengt me op een beschouwing van de Vlaamse prof. Nieuwborg in het mededelingenblad van de Nederlandse Taalunie.
Zoals men weet is het heel vreselijk om te zeggen dat Nederlanders en Vlamingen twee verschillende culturen hebben. Vooral als het gezegd wordt van overheidswege. Nou, Nieuwborg is in Indonesië geweest en laat in het mededelingenblad afdrukken wat hij zijn Indonesische gehoor alzo heeft bijgebracht. En wat heeft hij zijn gehoor bijgebracht? Dat in Vlaanderen een eigen cultureel bewustzijn leeft. Zijn criteria voor wat de aard van een volk is spreken me aan. De auteur schrijft: «de aard van een volk wordt zeker voor een groot deel bepaald enerzijds door de ruimte waarin het leeft en de manier waarop het van die ruimte gebruik maakt en anderzijds door zijn ervaring van de tijd, zijn visie op het verleden, heden en toekomst». Hij staaft dat aan een aantal spreekwoorden bijvoorbeeld, die slaan op de ervaring van tijd en ruimte.
Het opmerkelijke nu is dat er veel spreekwoorden bij zijn die ook in Nederland in zwang zijn. Bewijst dat nu dat Nederlanders en Vlamingen dezelfde cultuur hebben? Ja, kun je zeggen. Nee, kun je ook zeggen, als je ervan uitgaat dat het toch wel van een grote kloof getuigt dat deze geleerde kennelijk niet weet dat deze spreekwoorden door Vlamingen en Nederlanders gedeeld worden en hij ze voor typisch Vlaams houdt. Het kan natuurlijk ook zijn dat hij niet nagedacht heeft. Ik bemoei me daar verder niet mee. Veel saillanter is dat Nieuwborg zich ook een Belg voelt. Niet zwaar. Maar hij beleeft een soort Belgische nationale gevoelens, toch wel. Dat ervaart hij aan het Belgische Koningshuis. Of beleeft dat als de Belgische voetbalploeg gewonnen heeft. Opmerkelijk is dat. Men moet daar niet gering over doen. Want dat zijn typisch de nationale symbolen. En dat deze licht beleefd worden spreekt vanzelf. Welk beschaafd mens beleeft nu zijn nationale symbolen intens, en hevig, als dat niet nodig is en als dus de natie niet bedreigd wordt? In het inmiddels gelezen stuk van Kossmann – viel trouwens niet mee, dat artikel – staat een aardig voorbeeld. Dat van Jan Romein. In 1940 en 1941 gaf Jan Romein twee lezingen over de Nederlandse geest en het Nederlandse volkskarakter. Na de oorlog kwam Romein daar niet op terug. Hoefde ook niet. De Nederlandse vlag krijgt pas de waarde van een hevig symbool van Nederlandse saamhorigheid als deze bedreigd wordt. Of dat we gedenken dat dat eens gebeurde. Het Wilhelmus heeft voor mij alleen maar op één dag van het jaar betekenis. Op 4 mei. Hoor ik die hymne dan over de Waalsdorper vlakte aan komen ruisen, dan springen de tranen me in de ogen, zo niet erger. Iedereen van mijn generatie en ouder heeft een Onbekende Dode in het hart slapen die één keer per jaar wakker wordt in zijn vreselijke leegte en die in doodsnood in ons geheugen wil blijven voortbestaan om dan weer in de vergetelheid die wij zijn weg te zinken, terwijl we nog wat snikkerig na staan te wuiven, armzalig, machteloos, ten dode opgeschreven met ons lullige bosje bloemen in de hand. De Last Post gaat plechtig schreien als een stilte die geluid maakt in zijn versterving. De hemel breekt.
Nagel vindt nationale hymnen flauwekul. Ik niet. Hoor ik op Sempre de waldhoorn…
Maar hoor ik op andere dagen op de radio dat lied, het Wilhelmus, dan zet ik het af. Want ik ben selectief in mijn vaderlandse gevoelens, en toen het Nederlandse elftal de EK voetbal gewonnen had ben ik de kroeg uitgevlucht. De vreugde was onschuldig, maar ik hou niet van die onschuld, ik ken dat. Het is familie van een atavistische onschuld die gevaarlijk is. Levensgevaarlijk en dodelijk.
Maar Nieuwborg. Naar mijn gevoel is bij hem sprake van dat neo-Belgicisme. Ik noemde al een opmerkelijk feit. Namelijk dat de spreker kennelijk niet wist dat tal van als Vlaams opgevoerde spreekwoorden ook in Nederland in zwang zijn. Het tweede opmerkelijke is, dat hij in Indonesië vertelt dat er een eigen Vlaamse cultuur is, en dat nog wel in een Taalunie-publikatie. Niemand die het opviel, laat staan er verontwaardigd om werd. Dat is gek. Want toen minister d’Ancona zoiets door een harer ambtenaren op een Algemeen Nederlands Congres liet zeggen, was de beer op het dak en het huis te klein. Maar de waarheid die voor het huis uitgejaagd wordt, keert langs achteren weerom.
Ik ga nog even door op dat Belgicisme. Inmiddels zijn m’n kroketjes op, en bestel ik, om in de meer realistische biersoorten te blijven hangen, een Mort subite.
«Op zoek naar de Belgische man». Deze kop in dat Vlaamse blad «Weekend Knack» trekt mijn oog en ik lees verder in de manchet: «Belgische mannen hebben de reputatie erg saai te zijn wat kleding betreft. Een onverdiende reputatie is dat. Een Fransman vertelt ons dat ze graag veel geld uitgeven aan kleren. Een Italiaan zegt ons dat ze goede smaak hebben. En zelfs een Belg staart verbaasd over zijn eigen landgenoten».
Opmerkelijk. Het tweede artikel al, waarin een Vlaming die zich kennelijk Belg voelt met zijn eigen reputatie wil afrekenen om een nieuwe, zelfbewuste, wereldse in het leven te roepen. «Vlaanderen leeft». En Belgische landgenoten. Ingewikkeld.
Dan ga ik over op het echte blad «Knack», het weekblad dus. Men kopt daar al even beroerd als in Nederland, althans in De Volkskrant, althans in de Volkskrant van vanmorgen. De lead van een artikel: «Een Amerikaanse venussonde ontdekte nog meer gelijkenissen tussen deze buurtplaneet en de aarde». Nooit geweten dat onze buurtplaneet een Amerikaanse venussonde was. Maar niettemin, de cultuur is hier volop in beweging. Men is gefascineerd door zijn imago. Zijn zelfbeeld. Ik zei al, ingewikkeld is het ook.
Nieuwborg maakt deel uit van het Nederlandstalige cultuurgebied, maar voelt zich ook participant in een cultuur die als typisch eigen Vlaams ervaren wordt, en voelt zich ook een beetje Belg. De Vlaming die in «Knack» aan het woord is noemt zich zo vanzelfsprekend een Belg dat je geloof ik een Nederlander moet zijn om het vreemd te vinden, of opmerkelijk. Zijn er meer zo? Jazeker. Maar ja, hield Paul van Ostayen ook niet eens een lezing over «Le renouveau lyrique en Belgique»?
Wat me opvalt, steeds weer, is, dat publicisten die zich met de relatie tussen de Vlaamse en Nederlandse cultuur bezig houden het niet erg lang volhouden om niet met zichzelf in tegenspraak te komen. Ik denk: juist vanwege die rare waarheid. Die ongrijpbare waarheid.
Ik herinner me dat een Vlaamse journalist een duit in het zakje deed naar aanleiding van die rede dus die mevrouw d’Ancona bij gelegenheid van het bekend geworden ANC-congres door een harer ambtenaren liet houden, dat affront nietwaar, waarin heel wat gematigder dingen gezegd worden dan bijvoorbeeld Nieuwborg zei. Want wat de minister beweerde was au fond dat Vlaanderen en Nederland twee culturen hadden in de zin van twee cultuurpolitieke systemen die je moeilijk kunt integreren.
Die Vlaamse journalist dan, die in NRC Handelsblad zijn zegje deed. Beliën. Paul Beliën. Heb ik het wel dan eindigde de journalist zijn artikel met de uitspraak dat Vlaanderen en Nederland geen politieke cultuur-gemeenschap vormen. Maar, zo is zijn mening, er is dus wel een culturele gemeenschap. Onder twee constateringen in het artikel had ik een streep gezet. De eerste is, dat Beliën zegt dat Vlaanderen momenteel in een diepe identiteitscrisis verkeert. Ik merk op: Nederland verkeert niet in een diepe culturele identiteitscrisis. Verder: een identiteitscrisis is een culturele crisis. De Vlaming heeft dus moeite, beweert Beliën in feite, met zijn culturele identiteit. En aangezien de Nederlander daar geen moeite mee heeft, met zijn culturele identiteit dus, beleven de Vlaming en de Nederlander de cultuur anders. Het criterium voor eenheid van een cultuur nu is, dunkt me op goede gronden, dat alle cultuurgenoten die cultuur op één en dezelfde wijze beleven. Anders zijn het geen cultuurgenoten. Cultuur is voor alles de beleving van een gezamenlijke identiteit. En die beleving is dus niet gemeenschappelijk als het om Vlamingen en Nederlanders gaat. Ergo: we hebben te maken met twee culturen. Althans in de denkwijze van Beliën, als we deze logisch doortrekken.
Onder nog een andere passage had ik een streep gezet. Beliën schrijft dat voor veel Belgen de wereld niet verder reikt dan het dorp. Later mijn ouwe kranten raadplegend blijkt de passage zo te luiden: «De Vlaamse, zeer Nederlands gezinde historicus Arthur Vermeersch [wijst er op], dat Nederland een open society en Vlaanderen (België) een closed society is. Voor vele Belgen houdt de wereld op buiten het dorp, de wijk of de familiekring. België is dan ook een knus land waar men zich geborgen, beschermd en gekoesterd weet».
Beliën probeert dus te betogen dat Vlaanderen en Nederland een culturele eenheid vormen. Maar in stralende tegenspraak daarmee wijzen zijn redeneringen waarmee hij dat poogt te staven in glad tegenovergestelde richting. Hij geeft voedsel aan de gedachte dat niet alleen Nederland en Vlaanderen twee culturen met twee verschillende culturele identiteiten vormen maar ook, sterker, dat Vlaanderen deel uitmaakt van een heel eigen Belgische samenleving, een typisch Belgische society met ook een heel eigen Belgische cultuur van beslotenheid. Want die Belgische geborgenheid is natuurlijk wezenlijk bepalend voor een Belgische culturele identiteit die ook in een typisch Belgische levensstijl, bouwwijze, verenigingsleven, parochiaal leven en noem maar op tot uitdrukking komt. Ik wijs er even op dat niet ik daar tussen haakjes België achter Vlaanderen schreef. Het is Beliën die Vlaanderen met groot gemak en volkomen vanzelfsprekend in culturele zin Belgisch verklaart.
Het is erg ingewikkeld. Maar we kwamen het al eerder tegen, dat zweven tussen deel hebben aan een Nederlandstalige cultuur, een Vlaamse en het gevoel van Belgische solidariteit. Kijk eens naar dat schitterende boek van Geert Van Istendael, «Het Belgisch labyrint». Let wel: Belgisch.
Kom je de grens over, zo schrijft hij, dan ben je in België. Ik herken dat. Dat is een verandering in cultuur, die zintuiglijk waarneembaar is. Een steeds weer treffende ervaring: je leest de cultuur van een ander land onmiddellijk af aan het landschap, de huizen, de dorpen, de steden. Dat Belg-zijn beleeft Van Istendael in een liefde-haatverhouding die werkelijk adembenemend is. Diepe identiteitscrisis? Misschien wel. Maar misschien hoort het wel bij de Vlaamse culturele identiteit dat daar een zekere gebrokenheid aan eigen is; het lijkt me heel goed denkbaar dat iemand deel heeft aan meerdere culturele identiteiten. Sterker, het lijkt me onmogelijk om niet deel te hebben aan meerdere elkaar afwisselende culturele identiteiten.
Als al die zichzelf tegensprekende publicisten dàt nu eens bedacht hadden in plaats van zo ferm te kiezen, hoeveel duidelijker zou het allemaal geweest zijn. En hoe aardig niet, om daarmee te leven. Misschien is die gebrokenheid de enige manier om er een cultureel besef op na te houden dat realistisch is, gevoelig, genuanceerd en interessant. Van Istendael heeft daar gevoel voor, voor die veelheid aan culturen. In een lezing in Dordt in april 1990 somde hij op aan hoeveel culturen men al niet kan deelnemen. Het laat zich makkelijk invullen. Wat me overigens van deze intelligente man dan een beetje tegenviel was, dat hij zo serieus en bezeten deed, zo bijterig. Van Istendael: De ambtenaren van de Taalunie moesten maar – ik vat de tirade samen – subversieve actie on-demnemen. En er dienden niet twee cultuurministers te zijn, maar één!
Wat is dat nou, vraag ik me af. De een of andere fanatieke malloot mag dan wel in een artikel in NRC-Handelsblad in verband met taalpolitiek over landverraad gesproken hebben, we leven niet in de bezetting en er is niets schandelijks aan de hand. Een toch niet wereldvreemde journalist zou toch dienen te weten dat een ambtenaar die het in normale tijden in geweten niet met het beleid eens is, maar één ding heeft te doen: opstappen. Kom kom. Kunnen we nu niet een béétje nuchterder doen als het over cultuur gaat? Iedereen vindt welhaast wat anders, maar iedereen is welhaast even opgewonden. En ferm. En overtuigd van zijn krasse gelijk. En steeds weer die merkwaardige innerlijke tegenspraak. Dat wil maar niet ophouden.
In mijn knipsels doe ik later nog eens een willekeurige greep, de eerste en tweede internationaal secretaris van de Partij van de Arbeid vertellen de lezer in NRC Handelsblad eerst dat cultuur dynamisch is en bij de gratie van tegenstellingen bestaat. Om dan niet zoveel verder in het betoog hun stelling te poneren: culturele vermenging behoort het uitgangspunt van elk cultuurbeleid te zijn. Hier past een vraagteken. Als cultuur bij de gratie van tegenstellingen bestaat, is in dit licht deze vermenging een beleid gericht op cultuurvernietiging. Spreken de secretarissen alleen maar elkaar tegen? Of spreken ze beide ook nog zichzelf tegen?
Zoveel zielen, zoveel meningen. Volgens de een is er geen Europese cultuur. De ander weet even zeker van wèl. Zoals de directeur van het Sociaal-Cultureel Planbureau, Adriaan van der Staay. Althans, hij is voor een bloeiende Europese cultuur en is beducht voor een neo-nationalisme dat de ideologische vluchtheuvel voor een aantal nationale gilden zal worden. Ik denk dat hij hier met gilden landen bedoelt. Zoals Nederland bijvoorbeeld. Diametraal daaraan tegenovergesteld is dan bijvoorbeeld weer de mening van een oud-journalist van NRC Handelsblad, Eric Boogerman. Deze vreest in «Ons Erfdeel» dat het verdwijnen van de Europese grenzen (de sloddervos bedoelt natuurlijk de nationale landsgrenzen en niet bijvoorbeeld de grens tussen Europa en Azië) ernstige gevolgen zal hebben voor de culturele identiteit van het Nederlandse taalgebied. En dat, zo vreest hij verder, als de regeringsleiders alleen maar lippendienst bewijzen aan de Vlaams-Nederlandse samenwerking, het met de verdediging van de Nederlandse identiteit treurig gesteld zal blijven. In het verband waarin dit staat kan het niet anders begrepen worden dan dat Boogerman de culturele identiteit van het Nederlandse taalgebied gelijk stelt met de Nederlandse identiteit. Dat moeten de Vlamingen toch niet zo leuk vinden, nu ze net de culturele autonomie van Vlaanderen bevochten hebben. En inderdaad. Terwijl in het Taalunieverdrag nog sprake is van de Nederlandse cultuurgemeenschap in Vlaanderen wil men daar niet meer van spreken. Het is geworden: Vlaamse Gemeenschap. Officieel. Zulks dan weer tot afgrijzen van Geert van Istendael, die in «Het Belgisch Labyrint» vindt dat het bij de benaming «Nederlandse Gemeenschap in België» had moeten blijven. En zo kom ik bij Van Istendael terug. Hij heeft geen gelijk, maar consequent is hij wel. Immers, hij zegt: we hebben in het Nederlandse taalgebied wel één taal. Maar niet één cultuur. Ook niet twee: een Nederlandse en een Vlaamse. We hebben er talloze. De consequentie daarvan is, dat er dan ook volgens mij geen Vlamingen zijn met een Vlaamse identiteit en Nederlanders met een Nederlandse identiteit. De Vlaamse Gemeenschap moest dus de Nederlandse Gemeenschap in België heten. Want het is de Nederlandssprekende gemeenschap in België. Deze Boogermanniaanse zotheden hebben tot gevolg dat ik mijn Vlaamse broeders Nederlanders mag noemen. Ze spreken immers Nederlands ?
Van Istendael kan mij met deze theorie ook niet uitleggen waarom hij een haat-liefde tot België en de Belgen heeft. De eerste proef van deze tekst corrigerend lees ik in NRC Handelsblad van vandaag, zaterdag 23 november 1991, onder de kop «Martens neemt grootste risico uit zijn loopbaan», deze waarneming van Fokke Jensma: «Brussel is voor Martens een voor de hand liggende keus. België zoekt in het nieuwe federale Europa een nieuwe focus voor zijn schizofrene Vlaams-Waalse identiteit». Waar kwamen we dat al tegen? Die gespletenheid?
Ik als Nederlander sta daar buiten. Van Istendael niet. Hij heeft minstens een Vlaamse culturele identiteit. Hij is Vlaming. Geen Nederlander dus. Vlaming. Hoe ik dat weet? Dat weet ik omdat ik mijn ogen en oren niet in mijn zak heb en vaststel dat hij om de haverklap spreekt van «wij Vlamingen» en van de Nederlandse mentaliteit en de «Vlaamse» mentaliteit en de verschillen daartussen. Dat duidt op twee verschillende duidelijk benoembare cultuurgemeenschappen. En hoe kan dat nu weer, als het bestaan van talloze culturen binnen het Nederlandse taalgebied het bestaan van die twee duidelijk benoembare cultuurgemeenschappen weerspreekt. Dat kan, omdat het bestaan van subculturen geen weerlegging is van het bestaan van een nationale cultuur of de cultuur van een volk met een cultureel zelfbewustzijn of, nog sterker, een culturele autonomie. En daarom noem ik een Vlaming niet een Nederlander. Trouwens, ze zouden me daar al zien aankomen. Menneke, menneke.
Zoveel zielen, zoveel meningen zei ik. Vormen Vlaanderen en Nederland nu wèl of geen aparte culturen? Wie ook maar enigszins nadenkt kan niet volhouden dat het zonder meer wel één cultuur betreft. Maar het is ook weer niet géén samenhangend cultuurgebied. De Vlaamse literatuur die volgens mij een eigen literatuur is, wordt terecht in onze pers besproken als partner-literatuur in het grotere verband van één Nederlandstalige literatuur. En als dat niet gebeurt is dat niet juist, zodat ik het hinderlijk vind dat Gerrit Bussink net een boekje met alleen Noord-Nederlandse prozaïsten het Angelsaksische taalgebied ingestuurd heeft. Men kan het verdedigen, door, zoals hij doet, op de Calvinistische culturele achtergrond van de Nederlanders te wijzen. Maar waarom zou men dat willen verdedigen terwijl er zoveel meer goede redenen te verzinnen zijn om de Vlaamse en Nederlandse schrijvers als Nederlandstalige schrijvers in het buitenland te presenteren? Als we genuanceerd willen zijn moeten we wel iets anders verzinnen dan zomaar één cultuur.
Er is verschil in cultuur, zegt Heldring in NRC-Handelsblad. Tenminste, als je kijkt naar cultuur in antropologische zin. Dan heb je te maken met een eigen Vlaamse en een eigen Nederlandse cultuur. Maar de cultuur in enge zin is volgens hem niet verschillend. Maar komen we zo wel bevredigend uit? Is het inderdaad zo dat cultuur in enge zin los kan staan van cultuur in brede zin? Soms wel, bij internationale cultuurverschijnselen. Maar hoe wezenlijk is dat? Ik bedoel dit. Er zijn cultuuruitingen die duidelijk niet internationaal zijn. Veel literatuur bijvoorbeeld. Stel nu dat er een Nederlandstalige literatuur is. Dat is dan cultuur in enge zin die men volgens Heldring dus los kan denken zowel van de Nederlandse als de Vlaamse cultuur in brede zin. Laten we het eens proberen.
De enig mogelijke consequentie is dan dat het enige verschil met de Franse, de Duitse, de Engelse en de Chinese literatuur zou zijn, dat die Nederlandstalige literatuur in het Nederlands geschreven is. Het is echter onmogelijk vol te houden dat nationale literaturen van elkaar verschillen, alleen wat taal betreft. Er zijn nu eenmaal cultuurverschillen in de voortbrengselen van de cultuur in enge zin af te lezen. Reve bijvoorbeeld in in hot buitenland slecht verkoopbaar omdat men de typische Nederlandsheid van zijn boeken niet begrijpt. Heel veel Nederlandse big sellers kan men buiten de landsgrenzen aan de straatstenen niet kwijt. Hoffelijkshalve zal ik me onthouden van voorbeelden. Adriaan van der Veen heeft jaren lang in Amerika gewoond. En zo vertelde hij ooit in een lezing in de Haagse Kunstkring, in dat buitenlandse perspectief, kijkend door een buitenlandse bril, dat hij ineens zag, hoe verschrikkelijk stereotiep Nederlands de Nederlandse literatuur was en hoe gelijkvormig in hun Nederlandse geaardheid die voor hem in Nederland zo verschillende werken ineens waren. Introverte binnenvettersliteratuur van inerte zelfbespiegelaars die nauwelijks een voet buiten de deur zetten. Er is, om het met Anbeek te zeggen, opvallend weinig straatrumoer.
Het gaat me dan ook wel erg ver te stellen dat de cultuur in enge zin zo maar los staat van de cultuur in brede zin. Goya is Spaans tot in zijn nieren, Bunuel ook, Lorca ook, El Greco ook, Tapies ook. En schrijft Busken Huet niet, zo las ik bij Kossmann, dat de kunsten bij uitstek de uitdrukking zijn van wat de bevolking eigen is? Nu hoeft het niet zo te zijn omdat Busken Huet dat zegt. Maar toch, om zomaar te poneren dat cultuur in enge en brede zin los van elkaar staan, dat lijkt me boud. Ik constateer dat de Gentse conservator van dat prachtige museum aldaar, Jan Hoet, aan de moderne beeldende kunst van zijn land het Vlaams-eigene en het Belgisch-eigene afleest. Ik constateer ook dat Vlaamse literatuur-wetenschappers als dr. Herbert van Uffelen en Hugo Brems de verschillen tussen de Nederlandse en de Vlaamse literatuur verklaren uit verschillende culturele achtergronden.
Karel Jonckheere leert ons in «De Vlaamse letteren vandaag», dat is al in 1958, dat de «druk, die op de Vlaamse geest in de loop der tijden werd uitgeoefend en de vinnigheid, die hierop het mannelijke antwoord was, (..) de Zuid-Nederlandse letteren een uiterst merkwaardig accent verleend» hebben.
Kortom, wie stelt dat de cultuur in enge en de cultuur in brede zin in hun algemeenheid los van elkaar staan, zal met sterke argumenten moeten komen. Ongetwijfeld ligt het veel en veel genuanceerder. En juist daarom komt men ook zo makkelijk met zichzelf in tegenspraak als men over cultuur ferme, eenduidige uitspraken doet. De werkelijkheid glipt steeds naar binnen. Zo zegt Heldring in zijn commentaar op mevrouw d’Ancona’s ANC-rede dat de Vlamingen zich ongetwijfeld niet alleen gestoord hebben aan de inhoud van het verhaal. Het zal letterlijk blijken te luiden: “…..mevrouw d’ Ancona’s bewijsvoering is tegenstrijdig aan wat zij beweren wil. Dat zal haar Vlaamse toehoorders niet zijn ontgaan, want hoezeer de ambtenaren van WVC ook op de Vlamingen mogen neerkijken (als wij de oud-ambassadeur voor culturele zaken, Maarten Mourik mogen geloven), de Vlamingen hebben op school en in hun bijna dagelijks contact met Franstalige landgenoten tenminste kennis gemaakt met de Franse wijze van redeneerkunde». Nu, in «L’Express» las ik nog niet zo lang geleden uitspraken van grote Gallische geesten over Père Staline en aanverwante monsters. Ik heb grote bewondering voor Sartre, Mer-leau-Ponty, Aragon en dat soort grote zonen van het land van Descartes. Franse helderheid? Maar goed, laten wij dan ook eens Descartesiaans doen.
Als het zo is dat die Vlamingen zo bij de tijd zijn, en ze verschillen daarin dan van de Nederlanders, dan markeert dat, let wel, een geducht verschil in cultuur in enge zin. Want in onderwijs en omgang aangeleerd gevoel voor logische consistentie, dat behoort nu eenmaal tot de cultuur in enge zin. Het is het domein juist van het denken en het bewustzijn. En als de Vlamingen helderder kunnen denken, wat is er dan niet een verschil tussen hun cultuur in enge zin en de Nederlandse. Waar is Heldring nu met zijn eenheid van cultuur in enge zin? Verder: volgens Heldring hebben de Vlamingen door hun contact met de zuiderburen gevoel voor logica gekregen. Maar de Vlamingen zijn weer onze door dat gevoel voor logica bezielde zuiderburen. Waarom is dat dan in al die contacten weer niet op ons overgegaan?
In tegenstelling tot Mourik is Heldring van oordeel dat men zich niet zo druk moet maken over de gevaren die onze cultuur bedreigen. Nou, daar komt zijn redenering op neer, dan wordt onze cultuur maar op de achtergrond gedrongen. Zoveel betekent het toch niet? Als ik Mourik was zou ik die tekst niet als aanbeveling in mijn boekje willen hebben, maar dat is mijn zaak niet. Ik denk zelf overigens helemaal niet dat onze cultuur bedreigd wordt en in al die bezorgdheid hoor ik een hoop hysterie meefluiten. Dat geeft niet, want het getuigt van een gezonde culturele eigendunk die pas de kop opsteekt als men denkt dat er gevaar is. Maar als ik werkelijk dacht dat er sprake van gevaar was, is de enige van beschaving getuigende houding – en dat zeg ik ook als antwoord op de mening van Hans van den Bergh: de strijd aanbinden. Waarom? Lees Max Webers «Wissenschaft als Beruf» er maar eens op na. Culturen, zegt hij, kan men niet vergelijken. De Duitse cultuur is niet beter of slechter dan de Franse. En het kan me ook geen zier schelen of de Franse cultuur bijvoorbeeld grandiozer is dan de Nederlandse. Dat zal dan wel. Of niet. Of hier en daar. Maar mijn cultuur is mijn cultuur, de cultuur waarin ik heb leren denken en voelen, waar mijn ontroeringen in wortelen en mijn verdriet en geluk. Die cultuur wil ik niet kwijt, die wil ik niet missen en kan ik niet missen. In een andere cultuur ben ik een vreemdeling. En als er over Nederland een vreemde cultuur zou waren dan zouden mijn kinderen daarin ook vreemdelingen zijn, en ook hun kinderen weer. Want in die andere cultuur zijn ze van hun culturele wortels afgesneden.En een cultuur zonder historische wortels is als een man zonder geheugen: die heeft geen geest meer en geen ziel. Die bestaat niet. En dat is precies ook wat ik tegen Abram de Swaans wereldcultuursysteem heb. Dat is een cultuur van Zombies.
Een tijdje terug las ik een prachtig boek van lan Buruma. De naam is me even ontschoten, dat krijg je ervan als je in de buurt komt van protagonisten van Zombie-cultuur. En daarin beschrijt hij zo’n doodongelukkig Oosters land waar men zijn culturele verleden en dus ook zijn culturele realiteit en identiteit verloren heeft. Men probeert een kunstmatige nep-cultuur adem in te blazen. Maar dat kan natuurlijk niet. Een geestelijke hel is dat land. En de mensen weten dat en voelen dat. En lijden er onder. Cultuur is de zuurstof van een samenleving. En cultuur wortelt in een gemeenschappelijk ervaren geschiedenis. In een verhaal.
Ik voel mij Hagenaar. Uit sentiment en uit keuze, en omdat ik in de onsterfelijke en weemoedige ziel van deze stad ben gaan wonen. Ben ik daar trots op? Zeker! Was ik in Antwerpen geboren en getogen, dan was ik een Vlaming geweest, en er fier op geweest, op mijn Antwerpse identiteit. En was ik me misschien gaan gedragen naar de volksziel als stereotype daar, die ziel van het volk, die ziel die niet bestaat en toch bestaat. Amai!
Ik heb geen Calvinistische aard. Maar in Vlaanderen, in Brussel, in den vreemde merk ik altijd goed, hoe een Calvinistische nationale geschiedenis in mij werkt.
Ik ben soms gevangen in een Hollander. Zoals ook een hevige Haagsheid mij kan bevangen. Of soms ineens, als ik een gedicht lees van Simon van Wattum, en hoor wat hij bedoelt als hij «och mien laivert» schrijft, en een ontroering mij bevangt over zoveel tedere terughoudendheid die alleen in dat dialect van hem tot uitdrukking kan worden gebracht, dan komt er een vlaag Groningsheid over mij heen, het Sterrebos in de regen, de natte trolley-bussen. Claassens koek.
En vraagt er een Japanner mij de weg, zou deze dan toch niet een Europeaan aanspreken? Een reus wel te verstaan, van 1 meter en 72 centimeter hoogte?
Ware ik in Antwerpen geboren, och, wat zou ik raar aangekeken hebben tegen degene die ik nu ben. Nee, tegen al diegenen die ik kan zijn. Tegen deze vreemdeling in Vlaanderen die er thuis kan zijn, vreemd genoeg.
Men woont in zijn identiteiten zoals men woont in zijn stad, zijn streek, zijn land. Zijn taal.
Identiteit is een plotselinge beleving van de wereld in de omgeving, in de ander en in anderen; het is een geur, een herkenning, een zijn. Op de rand van de sprakeloosheid. Ontroering is het en reislust.
Cultuur is ervaren. Leven in de enig denkbare vorm van een bewustzijn dat in kijken en voelen, in de zintuigen aan de dag treedt. In de caleidoscopische werkelijkheid van onze ervaringen die altijd culturele ervaringen ziin, kunnen we dorpeling of stedeling en landgenoot en taalgenoot zijn. En altijd maar voor even.
En misschien kunnen we tegenover Amerikanen zelfs Europeanen, tegenover Oosterlingen Westerlingen zijn, in steeds uitdijende en krimpende cultuurkringen.
Maar de kleinere cultuurkring kan ook steeds omvat worden door een grotere. De ene kan ook sterker zijn, dieper geworteld dan de andere. En misschien kan die wisseling van sterkte en zwakte ook variëren.
En nationaliteit kan een sterke band vormen. Europeaan-zijn een zwakke.
Ik kan me met geen mogelijkheid bewust zijn in mijn stad Hagenaar te zijn, als ik daar ook niet, vager, deel heb aan de wijze waarop iets Nederlands doorwerkt in zijn Haagse verschijningsvorm van iets Nederlands. Dat ineens hevig kan worden, soms. Ik kan niet in mijn stad zijn zonder deel te hebben aan wat ik zonder voorbehoud noem Nederland als idee.
En zonder deel te hebben aan de ziel van de Nederlandse taal, een huis. Dat huis dat half in Vlaanderen staat.
Ik reken af en ga verdrietig van rijkdom nergens naar toe.
In oktober is de avond gevallen.
Enige verwijzingen:
E.H.Kossmann. Zie de bundel:«De omroep een zorg»
E. Nieuwborg: De Vlamingen en de Nederlandse taal in België, vroeger en nu. Publikatieblad Nederlandse Taalunie, jrg. 3, nr. 1, oktober 1989.
Paul Beliën: Politieke cultuur scheidt Nederland van België. NRC Han-delsblad, 23 juni 1990
Jan Marinus Wiersma en Piet Zelissen (Secretarissen buitenland van de Partij van de Arbeid: Culturele vermenging hoort uitgangspunt te zijn.
NRC Handelsblad, 14 oktober 1991
Adriaan van der Staay: Europees cultuurbeleid vergt meer verbeeldings-kracht. NRC-Handelsblad, 29 oktober 1988
Eric Boogerman: De Nederlandse identiteit in een Verenigd Europa. Ons Erfdeel, jrg. 1990 nr.4
J.H.Heldring: Het cultuurtje van WVC. NRC-Handelsblad, 18 mei 1990
Het boek van Buruma waarnaar ik verwees heet «Gods puin».


