“Haagse Bohème op zoek naar Europa” 1992 / Europa’s kleinere culturen

Wat betekent culturele identiteit in een steeds verder integrerend Europa? In Europa’s kleinere culturen beschrijft Maarten Mourik hoe de veelvormigheid van culturen binnen Europa door de eeuwen heen de beschaving heeft gevormd. Hij stelt dat de Europese beschaving niet alleen geworteld is in de klassieke tradities van Athene, Rome en Jeruzalem, maar ook in de vaak vergeten voorchristelijke Keltische en Germaanse culturen.

Mourik waarschuwt voor de gevolgen van uniformering en centralisatie binnen de Europese Unie. Hij laat zien hoe kleinere culturen, van Friesland tot Baskenland en van Vlaanderen tot Hongarije, voortdurend onder druk staan en soms zelfs dreigen te verdwijnen. Tegelijkertijd pleit hij voor het behoud van culturele diversiteit als een essentiële kracht binnen Europa. De botsing en uitwisseling tussen culturen ziet hij als de motor van vooruitgang, en hij stelt dat het verdwijnen van culturele identiteit een verarming van de beschaving betekent.

Zijn essay uit 1991 is zowel een historische analyse als een politieke oproep: Europa moet zijn culturele diversiteit koesteren en beschermen om zijn ware kracht te behouden.

Maarten Mourik (1924-2013) was een Nederlands diplomaat, schrijver en publicist. Hij studeerde rechten in Leiden en bekleedde diplomatieke functies in onder andere België, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk. Mourik specialiseerde zich in internationale betrekkingen en culturele politiek. Naast zijn diplomatieke werk schreef hij essays en boeken over Europese geschiedenis, cultuur en geopolitiek. Zijn werk kenmerkt zich door een grote historische kennis en een kritische blik op de ontwikkelingen binnen Europa.

De Haagse Bohème op zoek naar Europa
De Haagse Bohème op zoek naar Europa Ellen Fernhout, Henri Mühl & Jan Verstegen (red.), De Haagse bohème op zoek naar Europa. Honderd jaar Haagse Kunstkring. Zutphen: Walburg Pers, 1992.

door Maarten Mourik (1924-2013) 

Bronnen van beschaving

Wie de culturele kaart van Europa voor zich neemt, ziet een staalkaart van cultuurgemeenschappen, grotere en kleinere. Dat beeld illustreert tegelijkertijd het meest karakteristieke kenmerk van de Europese beschaving: haar veelvormigheid binnen een zekere eenheid. Die is op haar beurt het resultaat van de steeds wisselende versmelting van Joods-Christelijk religieus gedachtengoed, van Grieks-Hellenistische filosofieën en ideeën over de mens, de samenleving, de staat, de wetenschappen en de kunsten, en van Romeinse politieke en juridische begrippen en praktijken. Vrijwel nooit worden bij het zoeken naar de bronnen van de Europese «beschaving» diepere lagen dan de drie zojuist genoemde aangeboord. Ik ben evenwel van oordeel dat men, wil men de Europese beschavingsgeschiedenis kunnen begrijpen, een nog diepere ondergrond niet buiten beschouwing mag laten: onze Keltische en Germaanse voor-christelijke geschiedenis in West- en Midden-Europa, en de Noordse en Aziatische voorgeschiedenis in Oost-Europa. Daarvan is zo goed als niets geboekstaafd, maar dat betekent niet dat die geschiedenis volstrekt zou zijn uitgewist. In volksgeloof, sagen en legenden, folklore niet alleen, maar ook in rechtsbegrippen leven die onderlagen nog voort. Mijn grootmoeder, die leefde van het midden van de vorige eeuw tot het midden van deze, was een vrome Christin. Tegelijkertijd zat zij vol met verhalen over heksen en tovenaars en ging zij niet slapen voor zij op de grote statenbijbel die naast haar bed lag een enorme ijzeren sleutel had gelegd. Pas dan was ze in haar slaap goed beschermd.

Ook denk ik dat bij de verklaring van de uitbarstingen van barbari die in onze eeuw hebben plaatsgevonden, niet voorbijgegaan mag worden aan de genoemde voor-christelijke culturele «onderlaag».

Enkele begrippen

Alvorens ik mijn betoog verder ontwikkel, lijkt het mij nuttig dat ik u eerst een paar begripsomschrijvingen voorstel. Ze zijn niet waterdicht maar hebben het voordeel van elke definitie dat zij voorkomen dat we langs elkaar heen praten. Daar in allereerst het begrip cultuur. Dat wordt vaak in engere zin gebruikt als: de schone kunsten, zowel de scheppende als de uitvoerende, dus beeldhouw- en schilderkunst, grafische kunsten, theater, literatuur, muziek, dans, architectuur, film en videofilm.

Een wat uitgebreidere omschrijving van cultuur omvat ook onderwijs in al zijn geledingen, de wetenschappen en de media. De ruimste bepaling van cultuur is de zogenaamde antropologische: het is alles wat een cultuurgemeenschap denkt en doet en bezit, haar structuren op alle maatschappelijke terreinen en de wijze waarop zich daarbinnen de besluitvormingsprocessen afspelen, de mentaliteit waaruit wordt gehandeld. Cultuur in elk van deze drie genoemde gradaties, hanteer ik als een waardevrij begrip. Wanneer ik aan cultuur waarde toe ken, gebruik ik het woord beschaving. De cultuur van de Nazi’s, die van het Stalin-tijd-perk, kan men wel neutraal cultuur noemen, maar wanneer men waarde-criteria aanlegt, komt men al snel tot de conclusie dat het hier niet om beschaving, maar om barbarij gaat.

Dat brengt ons tot een ander sleutelbegrip, te weten: culturele identiteit. Identiteit is een relatief begrip: iemand of iets heeft slechts identiteit in relatie tot een ander of iets anders. Indien u of ik alleen op de wereld waren, zouden we geen identiteit, althans geen menselijke identiteit, hebben. Identiteit is alles waarin men anders is dan de ander. Men zou dan ook kunnen stellen dat men de identiteit van een cultuurgemeenschap kan vaststellen door haar cultuur, in de ruimste zin van het woord – zoals zöeven aangeduid – te projecteren tegen de cultuur – in dezelfde zin – van andere cultuurgemeenschappen. Alle punten die bij die projectie niet samenvallen, leveren het raster van de eigen identiteit.

Er wordt veel gesproken over «Europese cultuur». In mijn gedachten arsenaal komt die term niet voor. Europa telt een breed scala van culturen: lokale, regionale, nationale, bovenregionale en bovennationale.

Alle tezamen dragen zij bij aan de Europese beschaving. Het wezens-kenmerk daarvan is, als gezegd: pluriformiteit. Het is uit de coéxistentie van een groot aantal culturen in een bepaald geografisch gebied, uit de wederzijdse bevruchting en beïnvloeding van die culturen, ook uit het tegen elkaar aanwrijven en op elkaar botsen, dat die Europese beschaving is ontstaan. Om een bekend Frans gezegde te parafraseren: du choc des cultures jaillit la civilisation. Het is, nogmaals, de pluriformiteit van de Europese culturen, van de verschillende Europese identiteiten, die de Europese beschaving haar innerlijke spankracht, haar uitstralingskracht heeft gegeven. Die heeft er dan ook voor gezorgd dat wanneer we heden ten dage over de westerse beschaving spreken, we het hebben over een beschaving die in feite een uitgebreide Europese beschaving is.

Wanneer we pluriformiteit als de grote, sterke motor van de Europese beschaving beschouwen, volgt daaruit onmiddellijk en logisch – het is dan ook een hoofdstelling in mijn betoog – dat verlies van culturele identiteit verlies van pluriformiteit is, en daardoor een verarming van de Europese beschaving. Alleen al om die reden is elke inspanning tot behoud van culturele identiteit gerechtvaardigd. Men zou dit een objectieve reden kunnen noemen. Subjectief en niet minder belangrijk is uiteraard de geestelijke verwaring en verarming die zich voordoen wanneer een cultuurgemeenschap haar culturele identiteit, of delen daarvan, verliest. We kunnen dat vaststellen «in vitro» aan de crisis in alle cultuurgemeenschappen in Midden- en Oost-Europa. Zij lijden aan de gevolgen van verlies – in meerdere of mindere mate – van culturele identiteit gedurende een lange periode van de politieke, economische, maar vooral ook culturele onderdrukking. Daarbij hebben niet alleen de slachtoffers schade aan hun culturele ziel geleden, maar ook de onderdrukkers zelf.

De politieke kaart

Wanneer we de culturele kaart van Europa vergelijken met de politieke, dan zien we dat culturele en politieke grenzen maar zelden samenvallen. Men heeft berekend dat in het Europa van de lerse westkust tot aan de Oeral, niet minder dan veertig procent van alle cultuurgemeenschappen geen eigen staatkundige grenzen heeft. Soms liggen zij geïsoleerd in een grotere cultuurgemeenschap die tegelijkertijd een staatkundige eenheid is: Friesland, Wales, Schotland, Noord-Ierland, Bretagne, de Elzas, Corsica, en een groot aantal cultuurgemeenschappen in de Sovjet-unie. Soms zijn zij nauw verwant aan de meerderheids- tevens nationale, cultuurgemeenschap in een naburig land, zoals de Hongaren in Roemenië en in de Tsjechische en Slowaakse Republiek. De Turken in Bulgarije. Dan weer is een cultuurgemeenschap over twee of meer nationale staten verdeeld. Dat is het geval met de Nederlandse, die verspreid is over Nederland, waarin zij tevens nationale meerderheidscultuur is, België, waarin zij autonoom is in een federatief staatsbestel, en Noordwest-Frankrijk, waarin zij na bijna driekwart eeuw van welbewuste ten achterstelling door de centrale regering, nog slechts sterk verzwakt aanwezig is. Andere voorbeelden van in meer dan een staatkundige eenheid aanwezige culturen zijn de Catalaanse en de Baskische. De laatste zijn duidelijke minderheidsculturen. Er bestaan nog vele variaties op het thema culturele en staatkundige grenzen, zoals bijvoorbeeld de Zwitserse situatie: drie grote Europese culturen, plus een niet onbelangrijke regionale cultuur, de Raeto-Romaanse – de laatste komt ook in Tirol voor -, verdeeld over 26 kantons en half-kantons; dat alles onder een onmiskenbaar nationaal dak, het Zwitserse. We komen later op deze constructie terug vanwege de voorbeeldwerking die er voor de Europese Gemeenschap van uitgaat.

Is het beeld van de culturele samenleving in West-Europa al gecompliceerd, nog ingewikkelder is het in Midden- en Oost-Europa. De statenvorming daar van na de Eerste Wereldoorlog berust op het door de Amerikaanse president Wilson gepropageerde zelfbeschikkingsrecht var etnische en culturele gemeenschappen, maar daarvan hebben alleen de grotere geprofiteerd. Talrijke kleinere gemeenschappen, zowel etnische als culturele, werden onder meer of mindere dwang gekoppeld aan, of ondergeschoven bij grotere. Ernstige wrijvingen en op de Balkan ook gewapende conflicten, waren het gevolg. De herordening die door Nazi-Duitsland werd opgelegd verscherpte de tegenstellingen alleen maar. De staatkundige herstructureringen die na 1945 onder auspiciën van Moskou door de respectieve communistische regimes werden uitgevoerd, hielden geen of nauwelijks rekening met etnische of culturele grenzen. De communistische leer hield immers in dat etnisch en cultureel particularisme de komst van de wereldomvattende heilstaat alleen maar konden vertragen. Slechts klasse-identiteit gold.

Hoe kunstmatig de opgelegde eenheid was, en hoe slecht die is verdragen, bewijzen de ontwikkelingen in Midden- en Oost-Europa na het uiteenvallen van het Sovjetblok. De Sovjetunie zelf ondergaat sterke middelpuntvliedende krachten; niet alleen perifere culturele en etnische gemeenschappen, maar zelfs het kernland Rusland heeft zich aan de centralistische druk ontworsteld. Hetzelfde geldt voor de «Socialistische Federatieve Republiek Joegoslavië». Dit conglomeraat van volkeren en volkjes, culturele meerderheden en minderheden in wisselende samenstellingen, is op het ogenblik waarop we dit schrijven nog dichter bij desintegratie dan de Sovjetunie. Maar ook een land als de Tsjechische en Slowaakse Republiek moet alle zeilen bijzetten om niet uiteen te vallen als gevolg van diepe Slowaakse onvrede over wat het ervaart als politieke, economische en culturele tenachterstelling. Want laten we hier met nadruk constateren, dat het maar zelden om ontevredenheid alleen in het culturele vlak gaat. Slovenië wil uittreden omdat het in economisch opzicht meer aan de federatie geeft dan het ervan terugkrijgt.

Slowakije daarentegen is economisch achtergebleven en wil daarom meer zeggenschap. Catalonië en Baskenland baseren hun eisen tot verdergaande autonomie niet in de laatste plaats op het feit dat zii belangrijke pijlers van de Spaanse economie zijn. (De Friese stem voor meer culturele autonomie zou zeker nog luider klinken wanneer Friesland’s economie een van de sterkste van Nederland zou zijn.) Toch is het uiteindelijk de etnische en/of culturele identiteit die een bepaalde regio zich doet verzetten tegen het staatkundige centrum.

Grotere en kleinere culturen

En toch – de cultuurgeschiodenis bewijst het – is uit deze baaierd van cultuurgemeenschappen, en daartoe mogen we ook nog de plaatselijke en streekgebonden culturen rekenen, – toch is hieruit de Europesa beschaving gegroeid, stapje voor stapje, ondanks soms kleinere, soms catastrofale terugvallen in barbarij.

Wanneer de pluriformiteit der Europese culturen, groot en klein, de motor is geweest, en nog is, van de Europese beschaving, dan volgt daaruit onomstotelijk dat verlies van die veelvormigheid neerkomt op verlies van «motorvermogen» voor die beschaving. Wanneer we bovendien uitgaan van de kwalitatieve gelijkwaardigheid van de culturen – en dat moeten we op grond van de feiten, want hoe zou anders de grote inbreng van kleinere culturen als de Nederlandse, de Deense, de lerse, de Hongaarse, de Poolse, de Tsjechische en de Slowaakse te verklaren zijn? – wanneer we van kwalitatieve gelijkwaardigheid uitgaan, dan moet er alles aan gedaan worden om die veelvormigheid te handhaven en te bevorderen. Dan zouden met name de grotere culturen zich moeten verplichten om de kleinere die in verdrukking komen, te helpen positief te discrimineren. Maar zo gaat het er in werkelijkheid niet aan toe. Wat is de feitelijke positie van de kleinere cultuurgemeenschappen? Laten we eerst eens kijken naar de zwaksten onder hen, te weten de gemeenschappen die zogenaamde minderheidsculturen zijn in een staatkundige eenheid waar een andere cultuur als nationale eenheidscultuur wordt gecultiveerd. Daar kan regelrecht onderdrukking plaatsvinden, zoals de Turken in Bulgarije ervaren. Of verkapte onderdrukking, in haar uitwerking niet minder destructief. Zoals de culturele minderheden in Frankrijk al eeuwenlang ondervinden. Reeds in 1539 werd het Frans als eenheidstaal opgelegd.’ Beter maar toch nog onbevredigend, is de positie van minderheidsculturen die gedeeltelijk autonomie hebben verworven: de Friezen, de Catalanen, de Basken, de Hongaren in Roemenië. We stellen nu reeds vast – we komen daarop terug – dat de positie van kleinere, niet met een staat samenvallende, cultuurgemeenschappen pas werkelijk bevredigend is in een federaal verband dat het beginsel van culturele autonomie voor de deelculturen onverkort handhaaft. Zoals in Zwitserland, de Bondsrepubliek en sinds kort, in België.

Discriminerende factoren

Maar ook wanneer de druk vanuit het nationale centrum is opgeheven zal de positie van kleinere cultuurgemeenschappen verre van optimaal blijven. Dat is vooral het gevolg van twee discriminatoire factoren die zelfs bii een formele status van de betrokken gemeenschappen die niets te wensen overlaat, een nadelige invloed uitoefenen. Het zijn factoren die te maken hebben met relatieve grootte. Deze factoren werken overal waar kleinere cultuurgemeenschappen naast grotere leven. Zij gelden, het zij met nadruk gesteld, ook voor die kleinere cultuurgemeenschappen die wel binnen eigen nationale grenzen leven: zoals bijvoorbeeld de (Noord-)Nederlandse, de Deense, de Griekse, de Portugese, de Hongaarse, de Poolse, maar wellicht ook de Italiaanse en de Spaanse. De hierboven geconstateerde principiële gelijkwaardigheid van alle cultuur-gemeenschappen in kwalitatieve zin, geldt namelijk niet in het kwantitatieve vlak. En dat is nu eenmaal de context waarin grotere en kleinere culturele gemeenschappen met elkaar verkeren. In die context geldt niet dat «small is beautiful». Door twee oorzaken niet.

De eerste van deze twee factoren die daarbij een negatieve rol spelen, is van economische aard. Het gaat hier om een simpel verschijnsel in de economie, een basisgegeven in de markteconomie: wie voor een kleine(re) markt produceert heeft hogere kosten per eenheid dan degene die voor een grote(re) markt werkt. Met een eenvoudige illustratie: de Nederlandse uitgever heeft een kleinere afzet en derhalve hogere produktiekosten per eenheid dan zijn Franse, Duitse, laat staan Engelse collega’s. Hun markt omvat niet alleen de op zichzelf al veel talrijkere eigen bevolking, maar ook de miljoenen buiten de eigen grenzen die ook Frans, Duits, Engels, Spaans, enzovoorts, begrijpen en lezen. Het Engelstalige boek vindt zonder moeite een bijna wereldwijde markt. Wil de Nederlandse uitgever zijn producten in het buitenland aan de man brengen, dan komen bovenop de al hoge directe productiekosten ook nog eens de kosten van vertaling of van samenvattingen; hoe zou de uitgever anders weten welk vlees hij in de kuip krijgt. Mutatis mutandis gelden de nadelen die ik zojuist noemde voor alle taalgebonden culturele producten: niet alleen voor bellettrie maar ook voor wetenschappelijke uitgaven, voor film, televisieprogramma’s en andere audiovisuele producten, voor het theater en het cabaret. Voorbeelden liggen voor het oprapen.

En dan de tweede «drukfactor», de psychologische. Denkt u niet dat het hier om een theoretische constructie gaat. In mijn meer dan veertigjarige diplomatieke loopbaan ben ik er vaak, al te vaak, mee geconfronteerd. Het is het verschijnsel van de neerbuigendheid, de laatdunkendheid, de onverschilligheid of zelfs minachting die vertegenwoordigers van grotere cultuurgemeenschappen voor kleinere gemeenschappen hebben. Het is een bijna automatisch psychisch mechanisme. Dat houdt in dat ook de kleine er zich schuldig aan maakt tegenover de nog kleinere. Om direct bij huis te blijven: de «Hollanders» tegenover de Friezen. En ook veel van de irritatie tussen Nederland en de Vlaamse Gemeenschap is mijn inziens terug te brengen tot laatdunkendheid en onverschilligheid van veel noorderlingen ten opzichte van hun zuiderburen.

Maar vast staat dat wii, in het Noorden en het Zuiden, te lijden hebben onder de werking van dit psychisch mechanisme zoals het zich bij derden manifesteert. Laat ik mij beperken tot enkele, bijna stereotype, voorbeelden. Daar is de Duitser en er zijn vele, die van mening is dat onze taal een dialect van zijn taal is. En dan mogen wij nog blij zijn, want nog niet lang geleden vertelde een Duitse voorvechter van het Nederlands dat veel van ziin landgenoten van oordeel zijn dat onze taal een «afvalproduct» van de hunne is. En wat te zeggen van die Fransen die hetzij in officiële, hetzij in persoonlijke hoedanigheid, te kennen geven dat het Nederlands geen cultuurtaal is. Het spreekt vanzelf dat wanneer grote aantallen inwoners van de ons omringende volken van mening ziin dat onze taal niet emstig genomen behoeft te worden, zij dat oordeel doortrekken naar onze literatuur. De getallen bevestigen dat. De kennis over onze literatuur in de ons omringende grote landen is zelfs aanzienliik geringer dan die over de Scandinavische literaturen, terwijl toch bij elkaar opgeteld de Scandinavische landen maar driekwart van de Nederlandstalige bevolkingen tellen.

Met de geschetste nadelige positie in het krachtenveld van de Europese culturele betrekkingen, als gevolg van markttechnische en psychologische factoren, leven wij als kleinere cultuurgemeenschap al lang. En misschien zouden we zo wel door kunnen blijven modderen, ware het niet dat zich een nog grotere bedreiging van onze culturele identiteit aandient.

De Europese Gemeenschap en de cultuur

Waar ik op doel zijn de gevolgen van het integratieproces dat zich in de Europese Gemeenschap (EG) afspeelt. Zoals bekend is de Europese Gemeenschap in opzet en doelstellingen in eerste aanleg een economische organisatie op federale grondslag. Op het begrip federatie en zijn tegenhanger confederatie, kom ik nog terug. We stellen allereerst vast en dat is een cruciale constatering, dat de verdragen waarop de EG berust, dat van Parijs van 1951, het zogeheten Kolen- en Staalverdrag, en die van Rome van 1957 inzake Euratom en de Europese Economische Gemeenschap, uitsluitend handelen over economische samenwerking. In dat vlak streeft de EG naar een Europese economische unie, waarvoor de gemeenschappelijke interne markt, die in 1993 verwezenlijkt moet zijn, een belangrijk tussenstation is. Een volgende belangrijke fase op weg naar de economische unie, is de monetaire unie, die een gemeenschappelijk monetair en financieel beleid mogelijk zal maken. Die monetaire unie bevindt zich nu nog slechts in een beginfase. Nog voor het einde van 1991 zal een zogenaamde Intergouvernementele Conferentie IGC) van de EG-landen besluiten moeten nemen ten aanzien van de mogelijkheden en de problemen van een algehele monetaire unie. Tegelijkertijd vindt er nog zo’n Intergouvernementele Conferentie plaats, en het onderwero daarvan gaat ver uit boven de economische samenwerking, hoe belangrijk die ook moge zijn.

Het onderwerp van die tweede conferentie is: de politieke unie, d.w.z. het naar buiten optreden als een politieke eenheid. Met andere woorden: het totstandbrengen van een gemeenschappelijk buitenlands beleid. Dat streven komt niet uit de lucht vallen.

Al lang pogen de regeringen van de EG-landen, met wisselend succes, gemeenschappelijke buitenland-politieke standpunten in te nemen. Tot 1985 verliep deze samenwerking geheel informeel. In dat jaar werden de genoemde Europese verdragen aangevuld en nader geinterpreteerd door de zogeheten «Europese Acte» (Acte Unique). In deze Acte werd niet alleen vastgelegd dat de besluitvorming voortaan in beginsel met een gekwalificeerde meerderheid zou plaatsvinden, en werden de (beperkte) bevoegdheden van het Europese Parlement ietwat uitgebreid, maar werd ook de genoemde «Europese Politieke Samenwerking» geformaliseerd. Een volgende stap zou de politieke unie dienen te zijn. Het behoeft wel geen betoog dat die politieke unie een noodzakelijk complement is op de economische unie; men kan op den duur geen gemeenschappelijk economisch beleid voeren, wanneer men niet ook zijn buitenland-politieke beleid onder een noemer brengt. Het nastreven van een politieke unie voegt een nieuwe, niet economische, dimensie toe aan het Europese integratieproces.

Maar er gebeurt meer: in het sociaal-economische vlak worden er pogingen in het werk gesteld te komen tot een verregaande «vergemeenschappelijking» van beleid. Er ligt al een ontwerp voor een «Sociaal Handvest» ter tafel. Ook de fiscale coördinatie krijgt veel aandacht.

Een zeer belangwekkende niet-economische ontwikkeling in EG-verband is het doorbreken van het taboe dat tot voor kort op het vraagstuk van een gemeenschappelijk verdedigingsbeleid lag. De Golfoorlog heeft ook dit onderwerp in de EG bespreekbaar gemaakt.

Al deze ontwikkelingen getuigen van een uitermate belangrijke dynamiek van het Europese integratieproces in een bepaalde richting, namelijk in die van een federatie of bondsstaat. Wat is een federatie? Kort gezegd is een federatie een volkenrechteliike vorm van samenwerking tussen oorspronkelijk soevereine eenheden – staten, provincies, gewesten, kantons of hoe zij mogen heten -, die het overgrote deel van hun soevereiniteit – op de belangrijkste uitzondering kom ik zo dadelijk terug – hebben overgedragen aan een nieuwe centrale regering. Веstaande federaties zijn onder meer: de reeds genoemde, de Bondsrepubliek, België en Zwitserland, maar ook Canada en de Verenigde Staten. In naam waren ook de inmiddels verdwenen Sovjetunie en het uiteenvallende Joegoslavië federaties. In feite werden in die landen de federale beginselen ontkracht door een monolitisch centraal (partij) bewind.

En wat is een confederatie? Het andere Nederlandse woord voor confederatie is statenbond. Zoals dit woord al aanduidt is de band daar veel losser dan in een federatie. Er is alleen een centraal samenwerkingsorgaan, maar geen nieuwe centrale regering. De overdracht van soevereine bevoegdheden is vrijwillig, en kan, dit in tegenstelling tot de federatie, herroepen worden. Ook algehele uittreding is mogelijk, iets wat de federatie niet toestaat.

Keren we terug tot de EG. We stelden vast dat de Europese Gemeenschap zich in een verbreed en versneld federaliseringsproces bevindt. We moeten tegelijkertijd constateren dat elke bestaande federatie twee belangrijke elementen kent, waaraan in EG-verband geen enkele aandacht wordt geschonken. Beide zijn van fundamentele betekenis voor het goed functioneren van een federaal bestel. Om te beginnen bestaat er in de EG niet een constitutioneel lichaam dat tot taak heeft de specifieke belangen van de samenstellende delen te behartigen. Ik bedoel het orgaan dat in de Verenigde Staten «Senaat» heet, in de Bondsrepubliek «Bondsraad». De Europese Raad van Ministers kan als zodanig niet worden aangemerkt. De leden van die Raad kunnen wel deelbelangen behartigen en doen dat ook, maar zijn tezelfdertijd de «regering» van de Gemeenschap. Belangenconflicten zijn dan ook aan de orde van de dag; denkt u maar aan het landbouwbeleid. Bij dit alles komt nog dat het wel bestaande parlementaire orgaan, het Europees Parlement, zo weinig bevoegdheden heeft dat er van een «democratisch gat» wordt gesproken.

Maar vanuit een oogpunt van culturele coëxistentie in de Europese Gemeenschap, weegt een tweede lacune in het EG-bestel nog zwaarder.

Ik bedoel het feit dat niet, zoals in elke bestaande federatie vanaf haar begin wel het geval is, de cultuur uitdrukkelijk is uitgezonderd van de bevoegdheden van het nieuwe centrale federale gezag. In de Bondsrepubliek hebben de deelstaten, in Zwitserland de kantons, in Canada de provincies, in de Verenigde Staten de «states» en in België de Gemeenschappen hun culturele soevereiniteit behouden of verkregen. Die eigen soevereiniteit wordt niet alleen terecht opgeëist, maar is essentieel voor het functioneren van een federatie.

Het ontbreken van een analoge regeling in de EG betekent dat de verschillende culturen in de Gemeenschap vogelvrij zijn. En wie daarvan misbruik maakt is de Europese Commissie, het uitvoerend orgaan van de Gemeenschap met het recht van initiatief.

Uiteraard staat de Commissie alleen regelgeving ter beschikking die is gebaseerd op de eerdergenoemde verdragen van Parijs en Rome.

Alpha en Omega van deze verdragen is het behartigen van de vrije concurrentie, iuncto het verbod van discriminatoire behandeling van de onderdanen van de EG-landen in het gehele EG-territoir.

Het niet-bestaan van culturele regelgeving heeft er de Europese Commissie tot dusverre niet van weerhouden zich met de cultuur van de lidstaten te bemoeien. De procedure die zij daarbij volgt is deze, dat zij een in wezen cultureel probleem transformeert tot een economisch probleem, en daarop dan de economische regels van de EG toepast. Beruchte voorbeelden zlin haar toe-eigening van de kwestie van de vaste boekenprijs; voor háár verboden kartelvorming, voor de cultuur, vooral die van de kleinere landen, een kwestie van leven of dood voor de kwaliteitsuitgeverij, zowel die van literatuur als van wetenschappelijk werk.

Een andere overval van de Commissie is haar onderzoek naar de «wettigheid» van overheidssubsidies voor culturele activiteiten. Zouden die in haar huidige vorm verboden worden als zijnde van discriminatoire aard, dan zouden subsidies of afgeschaft moeten worden, of moeten openstaan voor alle EG-onderdanen. Er is niet veel fantasie voor nodig om zich in beide gevallen de catastrofale gevolgen voor de eigen cultuur voor te stellen. Een ander berucht voorbeeld van culturele inmenging van de kant van de Europese Commissie op grond van economische regelgeving, is de richtlijn van begin 1989 voor grensoverschrijdende televisie, die als economische dienstverlening werd bestempeld.

Sindsdien beschikken commerciële televisiemakers over een krachtig wapen in hun gevechten met publieke omroepsystemen. Alleen Denemarken had de moed om te zeggen dat televisie in zijn opvatting in eerste aanleg cultuur was.

Maar het is niet alleen de cultuur in engere zin die onder druk komt te staan. Hoe zal het gaan met onze sociale wetgeving, die in de EG op het hoogste niveau staat? Zullen we die naar beneden moeten bijstellen? Of ons milieubeleid? Of ons minderhedenbeleid, ons toelatingsbeleid? Ons drugsbeleid?

De geschetste situatie, die – dit zij met nadruk gezegd – voor de kleinere cultuurgemeenschappen extra belastend is, laat maar één conclusie over: de verdragen van Rome dienen op de kortst mogelijke termijn aangevuld te worden in die zin, dat aan de lidstaten volledige culturele autonomie wordt toegekend, of, anders gezegd, de uitsluitende verantwoordelijkheid voor de handhaving en activering van hun culturele identiteit.

Dat houdt in dat de Lidstaten in ieder geval geheel en al verantwoordelijk blijven voor hun binnenlandse en buitenlandse cultuurbeleid. Dit laatste mag uiteraard niet in strijd zijn met het buitenlandse beleid van de Gemeenschap. Verder houdt dat in, dat zij autonoom zijn op de terreinen van onderwijsbeleid, wetenschapsbeleid en mediabeleid. Daartoe zal onder meer moeten worden vastgelegd dat culturele goederen en diensten een karakter sui generis hebben, en derhalve niet onderworpen zijn aan de economische regelgeving van de EG. Een zodanige uitbreiding van de verdragen van Rome hoeft niet in te houden dat de Europese organen zich in het geheel niet met cultuur mogen bezighouden.

Maar alleen wanneer zij daartoe uitdrukkelijk gemachtigd zijn door de Lidstaten, en alleen dan weer wanneer er een aanwijsbaar gemeenschapsbelang aan de orde is. Van toepassing is hier het zogenoemde subsidiariteitsbeginsel, dat wil zeggen dat de Gemeenschap alleen die taken mag uitvoeren waartoe de Lidstaten, alleen of in vereniging, niet zelf in staat zijn. Men denke daarbij aan projecten zoals het bestaande Erasmus-programma of het Linguaprogramma.

Volledige culturele autonomie, tot behoud van culturele pluriformiteit, dient binnen de EG ook toegekend te worden aan de zogenaamde minderheidsculturen, aan de Friese, de Schotse, de Bretonse en de Catalaanse, om maar een paar culturen uit een rijke verscheidenheid te noemen. Ook op het regionale en lokale niveau dient die autonomie te bestaan.

Het overige Europa

Wanneer de Europese Gemeenschap tot een werkelijke federatie zou uitgroeien, zouden de problemen van de kleinere culturen binnen haar grenzen grotendeels zijn opgelost, al zou er altijd nog een positieve discriminatie in hun voordeel nodig zijn om hun markttechnische zwakte op te heffen. Zo zouden ze toegang moeten hebben tot alleen voor hen gevormde fondsen om hun taalgebonden produkten tegen concurrerende prijzen op buitenlandse markten te brengen.

Maar wat kunnen we doen voor de kleinere culturen buiten de EG? Ik ben van oordeel dat de Europese culturele betrekkingen met en tussen landen en regio’s buiten de EG gediend zouden zijn met een Europees Cultureel Handvest, waarin regels zouden moeten worden vastgelegd voor de culturele omgang met elkaar. Waarin rechten, met name die van de kleine(re)n, en verplichtingen, met name die van de grote(re)n, zouden worden omschreven. Ook zo’n Handvest zou gebaseerd moeten zijn op de culturele autonomie van alle, grotere en kleinere, lokale, regionale, nationale en boven-nationale culturele gemeenschappen, en gericht moeten zijn op het behoud en de activering van culturele identiteit en daarmee van culturele pluriformiteit. Zo’n Handvest zou daarom het recht op cultuur als een grondrecht moeten vastleggen. Dat recht is nog steeds niet volkenrechtelijk geaccepteerd. Zo’n Handvest zou verder paal en perk moeten stellen aan het culturele expansionisme van de groten, die nu al klaar staan om hun vroegere posities in Midden-Europa te heroveren. Als coördinator van deze brede Europese culturele uitwisseling, en als toezichthouder op de uitvoering van de bepalingen van een Europees Cultureel Handvest, komt het meest de al veertig jaar in Straatsburg gevestigde Raad van Europa in aanmerking, die grote ervaring heeft met culturele samenwerking in West-Europees verband, en waartoe Midden- en Oost-Europese landen die zich tot werkelijke democratieën ontwikkelen, ook als lid toegang hebben, getuige de recente toetreding van Hongarije en de Tsjechoslowaakse republiek.

Daartoe is dan wel een betere samenwerking tussen de EG-organen en de Raad van Europa vereist. Deze is tot nu toe te zeer gekenmerkt door competentiegeschillen, ambtelijke jaloezie, en vooral door een laatdunkende houding van de kant van de Brusselse Europese Commissie.

Een toekomstig Europa dat op deze wijze zou samen-leven, co-existeren, zou een Europa van de regio’s zijn, van de culturele regio’s wel te verstaan. De tijd lijkt er rijp voor. Men ziet allerwegen hoe de belangstelling voor de lokale en de regionale cultuur groeit. Ik denk dat dat iets te maken heeft, zeker in de Europese Gemeenschap, met het wegvallen van de nationale grenzen, en de economische schaalvergroting die daardoor nog meer zal worden bevorderd. Het moet de Europese burger, waar politici het zo vaak als een troeteldier over hebben, toch wel eens bang om het hart worden als hij bedenkt dat er boven de nationale centrale regering, die nu al vaak zo ver en zo anoniem is, straks op nog grotere afstand een nog meer naamloze bureaucratie zal staan, die zijn of haar leven tot in alle details zal regelen. Ik denk dat die burger zijn directe lokale of regionale culturele nestwarmte nodig heeft, om niet te gaan lijden aan EG-pleinvrees. Bij het streven naar een Europa van de regio’s zouden Nederland en de Vlaamse Gemeenschap nauw moeten samenwerken. Uiteindelijk zouden zij immers in dat Europa de Nederlandse regio vormen!

Het is mijn oprechte overtuiging dat algemene aanvaarding van de hierboven geschetste beginselen, die in een Europees Cultureel Handvest zouden moeten worden gecodificeerd, ook de angel zou halen uit de vele conflicten die het wegvallen van de opgelegde staatkundige en culturele dwangsystemen in Midden- en Oost-Europa met zich meebrengt.

Idealiter staat mij een grote Europese Confederatie voor ogen, gebaseerd op gelijkheid en autonomie van de betreffende cultuurgemeenschappen. Dat zou een «pacificatie» betekenen tussen Tsjechen en Slowaken, Roemenen en Hongaren, maar ook tussen Moskou en de Oekraine, Parijs en Baskenland, Londen en Wales, Den Haag en Friesland. Een ware Pax Europaea.

Callantsoog, februari 1991

1 Bij de ordonnantie van Villers-Cotterets. Soortgelijke voorschriften werden in Engeland in 1535 en in Spanje in 1566 uitvaardigd, en in 1716 voor het verplichte gebruik van het Spaans in Catalonië.

Portret van Maarten Mourik door zijn vrouw Margrieth Zijlstra, ongedateerd