“Haagse Bohème op zoek naar Europa” 1992 / Nederland en Vlaanderen samen in Europa

In 1991 schreef Patrick Dewael, toenmalig Vlaams minister van Cultuur, over de rol van kunst en cultuur in het Europese eenwordingsproces.

Hij benadrukte hoe de Haagse Kunstkring al honderd jaar een platform was voor internationale uitwisseling en de dialoog tussen Nederlandse en Vlaamse kunstenaars bevorderde.

Dewael vond dat culturele samenwerking verder moest gaan dan uitwisseling alleen. Hij pleitte voor een sterker gezamenlijk optreden van Nederland en Vlaanderen in de internationale kunstwereld, onder meer op grote evenementen als de Frankfurter Buchmesse en de Biënnale van Venetië. Daarnaast wees hij op de risico’s van een eengemaakte Europese markt, waarin kleinere culturen onder druk konden komen te staan. Om dit te voorkomen, zette hij zich in voor een cultuurparagraaf in het EG-verdrag, die culturele diversiteit zou waarborgen. Dit verhaal laat zien hoe kunst niet alleen een uiting van creativiteit was, maar ook een middel om identiteit en samenwerking binnen Europa vorm te geven

Patrick Dewael (1955) is een Belgisch politicus van Open Vld en een belangrijke liberale stem in Vlaanderen. Hij studeerde rechten aan de VUB en begon zijn politieke carrière in 1985 als Kamerlid. Vervolgens was hij Vlaams minister van Cultuur (1985-1992), minister-president van Vlaanderen (1999-2003) en federaal minister van Binnenlandse Zaken (2003-2008). Daarnaast was hij driemaal voorzitter van de Kamer en van 1995 tot 2024 burgemeester van Tongeren. Na de verkiezingen van 2024 trok hij zich terug uit de nationale politiek maar bleef lokaal actief. Dewael staat bekend om zijn liberale standpunten en decennialange invloed in de Belgische politiek.

 

De Haagse Bohème op zoek naar Europa
De Haagse Bohème op zoek naar Europa Ellen Fernhout, Henri Mühl & Jan Verstegen (red.), De Haagse bohème op zoek naar Europa. Honderd jaar Haagse Kunstkring. Zutphen: Walburg Pers, 1992.

Door Patrick Dewael, Gemeenschapsminister van Cultuur (1992) *

Wie zich verdiept in de boeiende geschiedenis van de Haagse Kunstkring, nu 100 jaar oud, stelt vast dat dit genootschap een belangrijk doorgeefluik is geweest en trouwens nog steeds is, van vernieuwende kunstuitingen uit het buitenland.

Als Vlaming verheug ik mij over het feit dat kunstenaars van bij ons hierbij geregeld aan bod kwamen. Denken we maar aan het oeuvre van Henry van de Velde en aan de beweging «Van Nu en Straks» in de beginperiode en later de talrijke confrontaties tussen literatoren uit «Noord» en «Zuid». Hedendaagse auteurs als Hugo Claus, Jef Geeraerts, Paul de Wispelaere en vele anderen waren hier te gast. Deze spontane vormen van uitwisseling hebben na de Tweede Wereldoorlog vanwege de overheid op een steeds groeiende steun kunnen rekenen. Er werd een aantal mechanismen in het leven geroepen om deze culturele wisselwerking ook van een financiële basis te voorzien. Zo werd in 1946 het Belgisch-Nederlands Cultureel Akkoord ondertekend dat gedurende veertig jaar zijn deugdelijkheid heeft bewezen. Dit Akkoord wordt de laatste tijd steeds meer ter discussie gesteld. Ik meen terecht. Niet zozeer omdat de principes als dusdanig achterhaald zijn. Zowel Nederland als Vlaanderen heeft enkele tientallen vergelijkbare akkoorden met landen binnen en buiten Europa. Wij willen echter meer dan uitwisseling alleen.

Binnen onze Nederlandstalige gemeenschap gaat de discussie vandaag over culturele samenwerking. Ja, meer dan dat, over culturele integratie. Vooral in het licht van het Europese eenwordingsproces is het van levensbelang dit fundamenteel aan de orde te stellen.

Op deze thematiek wil ik in mijn bijdrage verder ingaan. Is deze discussie dan zo nieuw?

Het Taalunieverdrag, gesloten in 1980, gaat reeds onvoorwaardelijk uit van integratie op het gebied van de taal en de letteren. Er moet weliswaar nog een hele weg afgelegd worden. Maar mijn stelling is dat door de samenwerkingsverbanden in het brede culturele veld en daarbuiten te intensifiëren, we op dit vlak automatisch wel tot integratie zullen komen. Aan de basis heeft men reeds ingezien dat het opzetten van gezamenlijke projecten verrijkend is voor en in het belang van een toekomstgerichte culturele ontwikkeling. Niet voor niets tellen onze ambassades jaarlijks 1.000 uitwisselingen in beide richtingen.

Op het vlak van film, televisie en theater trachten we hierin de nodige stimulansen te geven door het opzetten van co-produkties en festi-vals. De vijfde editie van het Vlaams/Nederlands Theaterfestival vond in 1991 in Den Haag en daarna in de Singel in Antwerpen plaats.

Trouwens, in het verlengde hiervan heb ik besloten dat de Vlaamse Gemeenschap jaarlijks voor een bepaald bedrag kunstwerken van Nederlanders aankoopt op voorwaarde dat het omgekeerde ook gebeurt.

Een gezamenlijk optreden in het buitenland staat echter nog in de kinderschoenen. Op dit gebied wil ik graag enkele mogelijkheden aanreiken.

In 1993 valt Nederland de eer te beurt op de Frankfurter Buchmesse als gastland uitgenodigd te zijn. Op het vlak van de literatuur waarvan gebleken is dat samenwerking en/of integratie er enorm moeilijk en gevoelig ligt, is dit een uitgelezen kans om de Nederlandstalige literatuur in zijn geheel te promoten. Dit betekent dat aan de voorbereiding ervan, die nu aan de gang is, op basis van gelijkwaardigheid door Nederland en Vlaanderen zou moeten gewerkt worden.

De Biënnale van Venetië blijft nog steeds een van de markantste gebeurtenissen in het raam van de hedendaagse kunst. Ook nu worden volop de voorbereidingen getroffen voor de editie 1993. Zou het niet interessant zijn om naast de officiële, maar toch excentrisch gelegen paviljoenen, samen met Nederland in het hart van Venetië een paleis te huren en er met Vlaamse en Nederlandse hedendaagse kunstenaars uit te pakken? Met twee Dokumenta-makers Rudi Fuchs en Jan Hoet als verantwoordelijken zouden wij op die wijze een schitterend visitekaartje kunnen bieden van de actuele creativiteit in de Nederlanden in de beeldende kunsten.

Dit gezamenlijk optreden op grote manifestaties zou blijk geven van onze culturele vitaliteit ten overstaan van de Europese uitdaging. Zoals bekend, worden wij begin 1993 geconfronteerd met een eengemaakte Europese binnenmarkt. Een evolutie waarover alle democraten zich verheugen. Een uitdaging echter omdat door de toenemende concurrentie, ook op cultureel vlak, elk volk zal moeten bewijzen hoeveel het over heeft voor het in stand houden van de eigen authenticiteit.

In dit opzicht is enige ongerustheid gewettigd over de druk waaraan de «kleinere» culturen in deze Europese context zullen worden blootgesteld.

Teneinde hierop te kunnen inspelen heb ik ervoor gepleit om bij de herziening van het Europees Verdrag in de tekst een cultuurparagraaf te laten opnemen. Reeds herhaaldelijk werd het ontbreken van een specifieke rechtsgrond in de culturele sector als een lacune ervaren. Vooral de kleinere cultuurgemeenschappen lopen het gevaar onder de met louter economische maatstaven gestuurde pletwals van de mastodonten te worden verdrukt.

We leven in een periode waarin we vaststellen dat cultuur voor de bloei van een samenleving minstens zo belangrijk is als economie. Het spreekt dan ook vanzelf dat dit op het Europese forum erkend en vertaald moet worden.

Ik wens daarom, en liefst samen met collega D’Ancona, pleitbezorger te zijn van het invoeren van een cultuurparagraaf in het EG-verdrag. In deze cultuurparagraaf zouden moeten worden opgenomen: het onderstrepen van de niet-materiële waarde van cultuur; het recht van het voeren van een eigen beleid door de landen teneinde de culturele diversiteit te garanderen; de rol van de EG als coördinator en als stimulator van culturele diversiteit; de complementariteit met andere supranationale instellingen zoals de Raad van Europa. Kortom: er zal moeten vastgelegd worden wat Denis de Rougemont reeds omschreef als «ils s’unissaient pour rester differents».

We staan aan de vooravond van een voor Europa fundamentele omwenteling. Van de bewindslieden wordt daarbij veel verwacht. Terecht, deze historische kans mag niet worden gemist. Dit integratieproces is nochtans slechts mogelijk als het wordt gedragen door wat daadwerkelijk bij de bevolking leeft en gebeurt.

Kunstenaars hebben daarbij steeds een avant-garderol gespeeld.

Hun artistieke visie en drang naar vrijheid is dikwijls toonaangevend. De Haagse Kunstkring heeft deze idealen in het verleden met succes kunnen belichamen.

Ik hoop dat zij in het nieuwe Europa deze signaalfunctie zal blijven vervullen.

Brussel, 1991

* De bovenstaande bijdrage werd door Patrick Dewael geschreven in zijn kwaliteit van Gemeenschapsminister van Cultuur. Inmiddels wordt dit ambt bekleed door Hugo Weckx.

Patrick Dewael (1955) Belgisch politicus