
door Jurri Rooyackers, Voorzitter van de Haagse Kunstkring (1992)
Toen in mei 1991 de Haagse Kunstkring zijn honderdjarig bestaan vierde, was het natuurlijk volop «fin de siècle». Maar hoe anders dan deze huidige eindtijd van de eeuw is die van honderd jaar terug, toen de Kring werd opgericht. Men sla er het rijk geïllustreerde gedenkboek dat bij gelegenheid van het vijfentachtigjarige jubileum verscheen, nog maar eens op na.
Hoe heerlijk niet presenteert de Haagse Bohème zich hier!
Het kan zijn dat het verleden mooier wordt naarmate het verder weg ligt. Hoe langer geleden, hoe luisterrijker de geschiedenis van de Kring zich voordoet. Hoe fabuleuzer, hoe flamboyanter, op een legendarische en feestelijke wijze. Voor een deel kan dat liggen aan een perspectivisch gezichtsbedrog. In menig leven, of het nu een persoon of een institutie betreft, is er altijd wel een Gouden Eeuw en hoe verder weg hoe mooier!
In de negentiger jaren van de vorige eeuw, de belle époque, schoten kunstenaarsverenigingen en sociëteiten als paddestoelen uit de grond. Voorbeeld waren soms de cercles d’art bij onze zuiderburen. Er was kennelijk een goede reden voor artiesten in alle takken der Schone Kunsten om elkaars aanwezigheid te zoeken. Een niet onbelangrijke factor is geweest het door Richard Wagner gepropageerde ideaal van de Gesamtkunst. Daartoe is het nooit gekomen, maar de idee bracht wel de geesten bijeen. En hier lagen ook de wortels van de Haagse Kunstkring. Hoe zouden deze gedachten over de oorsprong van de Kring gestalte kunnen krijgen in een tastbaar aandenken aan dit honderdjarige bestaan?
De voorbereidingen voor een jubileumprogramma waren in 1990 al in volle gang. In de voorzomer van dat jaar ontwikkelden De juist aangetreden voorzitter Jan Verstegen en Henri Mühl, voorzitter van de Afdeling Letteren, Toneel en Dans, het idee om een bijzonder gedenkschrift uit te geven. Zij nodigden Ton van Kalmthout uit, expert in de historie van de Kring en Ellen Fernhout, de a.s. algemeen secretaris.
Zij wilden iets anders dan weer een «gedenkboek». Dat was immers al vijftien jaar eerder met toewijding en succes gedaan. Hun gedachten gingen in de richting van een boek, waarin het licht zou vallen op de actualiteit van de ideeën die de oprichters van de Kring honderd jaar geleden hadden bewogen.
Daar was aanleiding genoeg. Het onderwerp van de culturele banden met vooral het Nederlandstalige België stond ineens weer volop in de belangstelling, ook – ja, juist – door politieke uitspraken van enkele ministers in die tijd. Het thema van de samenwerking der kunsten – op een andere manier – eveneens. En dit waren nu juist de thema’s die bij de oprichting van de Kring zo’n grote rol hadden gespeeld.
Zo groeiden de gedachten naar een bundel opstellen van deskundige hand. Daartoe zou een aantal bekende schrijvers – experts op hun gebied – worden uitgenodigd. Uitgangspunt: hoe actueel zijn deze thema’s nu?
Hier is het resultaat.
«De Haagse Bohème op zoek naar Europa», zo luidt de hoofdtitel van deze bundel. Bedoeld is natuurlijk niet de Europese Unie of het Europa van de EG of van de Raad van Europa of van Europa als werelddeel.
Maar: de cultuur van Europa. Of misschien – auteurs als bijvoorbeeld Mourik en Heldring ontkennen het bestaan van een Europese cultuur – de culturen in Europa. Wat zal daarvan worden?
De Haagse Kunstkring is een typisch Haagse kunstenaarsvereniging. En als de toekomst aan de orde is, dan mag dat typisch Haagse niet verzwegen worden. Anders zou de Kring zichzelf verloochenen. Geen toekomstvisie zonder nostalgie. Hier tenminste niet, in Den Haag. De blik op de toekomst wordt dan ook ontvouwd tegen het decor van onze geliefde en merkwaardige stad, met het ruisen van de Noordzee op de achtergrond. Legende, anekdote, enige roddel ook en wufte achterklap kan in de residentie, stad van Louis Couperus tenslotte, onmogelijk gemist worden. Een weinig is de geschiedenis verder ook aan het meest zwierige en tot de artistieke verbeelding sprekende verleden ontrukt in de vorm van een aantal nostalgie opwekkende tekeningen uit het zogeheten Gouden Boek van de Kring. We zijn er bovendien van overtuigd dat elke cultuur, of het nu een eventuele Europese cultuur is of een nationale, of de cultuur van een taalgebied, alleen maar werkelijk kan bloeien bij het bestaan van bloeiende deelculturen. Hoe zouden we dan voorbij kunnen gaan aan dat typisch Haagse? Dat zou zelfs strijdig zijn aan ons uitgangspunt dat precies deze is.
Op passend Calvinistische wijze gezegd: niemand weet wat de toekomst brengen moge, ook niet wat de cultuur betreft. Wordt de nationale cultuur door de Europese ontwikkelingen bedreigd, dan is het zaak dat we ons daartegen teweer stellen. Mocht dat niet zo zijn, dan is internationale orientatie niet minder gewenst. De ogen zijn hoe dan ook gericht op het internationale forum. Dus ook al mochten er geen pertinente bedreigingen zijn, dan is het toch zaak om de uitdaging van Europa met zijn culturele ambities van harte te aanvaarden, en een mooie partij mee te blazen. Dat heeft niets met nationaal of plaatselijk chauvinisme van doen.
We denken terug aan de mooiste jaren van de Kring. Deze waren juist de mooiste jaren, omdat de Kring toen sterk internationaal georiënteerd was en in die internationale oriëntatie zelfs zijn diepste bestaansgrond vond.
In moderne, dynamische culturen ontstijgt het typisch eigene pas het eng-nationale, het provinciale, het folkloristische in een levendig contact met andere typisch eigen cultuurkringen. Sterker, dat eigene wordt pas vitaal en interessant in dat open contact.
Cultureel cosmopolitisme bloeit eerst, zo vermoeden we, als daar eigenzinnige deelculturen ongeborneerd en zelfbewust in deelnemen. Maar, zo vragen sceptici zich wel eens af, wat kan Nederland, wat kan Vlaanderen nu toevoegen aan het internationale kunstleven? Eenvoudig dit. Stel, inderdaad stel, dat de Nederlandse of de Vlaamse culturele bijdrage van minder gehalte is – wat op veel terreinen nog maar de vraag is – dan van grote cultuurnaties als Frankrijk, Duitsland of Engeland, dan is dat heel simpel: die essentiële bijdrage van Nederland en Vlaanderen is van waarde in het andere. Hoe meer culturele variatie, hoe groter de culturele rijkdom, hoe levendiger, hoe boeiender, hoe spiritueler ook het internationale artistieke leven. Maar als dat zo is, dan moeten niet alleen de overheden een zelfbewust internationaal cultureel beleid voeren. Maar dan moet dat ook lokaal gedragen worden. Sterker, de kunstenaars zelf moeten van de zin daarvan doordrongen zijn en daar achter staan. Nog sterker. Als wat ik hier zeg waar is, moet de internationale orëntatie ook enthousiast van het plaatselijk kunstleven en de plaatselijke kunstenaars uitgaan. Internationale culturele uitwisseling speelt zich immers niet ergens hoog in de lucht af, maar altijd in plaatsen, op plekken en alleen daar kan het realiteit worden, en als werkelijkheid beleefd. Van onderen af. Een aardige basis zouden dan om te beginnen Nederlands-Vlaamse plaatselijke en stedelijke culturele jumelages kunnen zijn.
Aardig is in dit verband op te merken dat er toch een Europees project voor een Gesamtkunstwerk ontworpen is.
De tijdgeest is zo anders dan toen, honderd jaar geleden, dat daar het Wagneriaanse mystieke concept niet achter kan zweven. Een dergelijk project kan interessant zijn. Op één voorwaarde. En dat is dat het niet van bovenaf bedacht en uitgevoerd wordt. Op Europees niveau kan er namelijk niet eens cultuurbeleid gevoerd worden, anders dan in de vorm van een beetje aanvulling. De Europese organen staan veel te ver van de culturele fijnmazigheid, of het nu de realiteit van de cultuur van Europa of die van het Europa van de cultuur betreft.
Terecht brengt de directeur van het Haagse Gemeentemuseum, Rudy Fuchs, over de idee van het Gesamtkunstwerk naar voren hoe interessant het niet zou zijn als het artistieke leven zich in gezamenlijkheid zou manifesteren.
Internationaal. Maar – zo voegen we er aan toe – als dat supra-nationaal wordt, dat wil zeggen los van de lokale en nationale wortels, dan kan dat alleen resulteren in symbolen van een Europese cultuur als fictie. Een luchtspiegeling die de burgers niets zal zeggen. Misschien is ook dit niet waar. Niet voor niets zijn we hier maar op zoek naar Europa.
Van meer betekenis wordt het hier dan ook bevonden om het mozaïek der meningen enigszins tot zijn recht te laten komen, dan ferme antwoorden op ferme vragen te formuleren.
De redactie heeft het verhelderend gevonden, de voor het cultuurbeleid verantwoordelijke bewindslieden, de ministers Dewael en d’Ancona, als eersten te vragen hun mening te geven. Niet naar aanleiding van tevoren vooraf geformuleerde vragen, al verzochten we de Nederlandse minister van cultuur wel vooral een paar tot op heden in de discussie op de achtergrond gebleven technische aspecten te belichten in de visie van de overheid. Peter Berger is in deze bundel met twee artikelen vertegen-woordigd. Als ambtenaar bij de Vlaams-Nederlandse samenwerking be-trokken, gaf hij de voorkeur aan een persoonlijke impressie. En om toch ook een beeld van Den Haag en het Haagse kunstleven op te roepen, heeft de redactie hem verzocht een door hem voor de Haagse Kunstkring gehouden improvisatie over een aantal Haagse kunstenaars voor deze bundel op schrift te stellen.
Naast enkele auteurs zoals Pierre H. Dubois en Simone Dubois, bij uitstek vertrouwd met de materie, heeft de redactie vooral, maar niet uitslui-tend, die auteurs verzocht commentaar te leveren, die zich recent in de pers in bijzondere mate en bijzondere betrokkenheid hebben bezig gehouden met de Nederlandse en Vlaamse cultuur of de Nederlandstalige cultuur in het licht van het komende Europa.
In wat voorlopig toch niet anders dan een zoektocht zal kunnen zijn heeft de redactie bewust afgezien de illusie te wekken van het poneren van zekerheden. Maar één zekerheid willen we hier toch stellen: we weten niet hoe de ontwikkelingen zullen zijn. Maar deze zullen alleen maar interessant zijn als de kunstenaars zich in de eerste plaats de culturele ontwikkeling aantrekken en daarin hun verantwoordelijkheid nemen.
Het woord roeping moge een beetje vreemd klinken, nochtans, daarin ligt een nieuwe, spannende roeping voor de cercle d’art van die toekomst!

