
door Frank Boenders
De verscheidenheid en de mededeelbaarheid van de kunsten zijn nog nooit zo groot geweest. Dankzij de onuitputtelijkheid van de communicatiemiddelen kan iedereen die dat wil, zo goed als onmiddellijk in verbinding treden met alle anderen. Natuurlijk zijn sommige kunsttakken, zoals de literatuur, sterker dan andere gebonden aan bepaalde, beperkte taalgemeenschappen. Maar zelfs de letteren profiteren vandaag mee van de grote cirkels trekkende kunstbewegingen. Steeds meer concerten, voorstellingen, exposities, bijeenkomsten, discussies en manifestaties vinden plaats. Zulke initiatieven worden geanimeerd door een almaar uitdijende groep van organisatoren. Wie een goed gebruik maakt van de talloze mogelijkheden tot kunstverbreiding kan rekenen op grote belangstelling.
De overheid, voortdurend aangespoord om haar ondersteunende functie verder op te drijven, durft en wil zich niet onbetuigd laten. Het bedrijfsleven heeft in de kunsten het gedroomde middel ontdekt om zijn uitstraling te vernobelen. Promotors van diverse pluimage storten zich op kunst om hun zaken draaiende te houden en, hoeft het te worden toegevoegd, hun winsten te verhogen. Slechts weinige kunstenaars halen de neus op voor de stroomversnelling, waarin de kunsten en dus ook zij zelf zijn terechtgekomen. Liever kunst in commotie dan kunst in verdrukking, luidt hun motto.
Meer dan de andere kunsttakken schijnt die van de beeldende kunsten in een tijdperk van grote bloei te zijn getreden. Tot in de kleinste provinciesteden toe hangen en staan de iconen van vandaag in galeries en culturele centra, ja zelfs meubelwinkels en restaurants. Grote internationale en spraakmakende kunstmanifestaties trekken horden kijkers van over de gehele wereld. Musea voor hedendaagse kunst zijn de afgelopen decennia uit de grond gerezen. Ze brengen met hun verbazingwekkende en omstreden architectuur hulde aan zelfs de poverste produkten van de beeldende kunstenaars.
Daarmee gaapt ook de kloof tussen de luisterrijke luxe van de verpakking (het gebouw) en de materiële futiliteit van de inhoud (de kunst) vandaag wijder dan ooit.
De haast massale beweging in de richting van de musea zal niet gauw tot stilstand komen. De laatste twee decenniën alleen al werden honderden nieuwe musea gebouwd, uiteraard minder om de reusachtige voorraden kunstwerken een onderdak te geven – het valt toch iedereen op hoe weinig er wordt getoond – dan wel als maatschappelijk vertoon en politieke bevestiging. Het bouwen gaat onverstoorbaar door, van Parijs en Frankfurt in Europa tot Atami en Matsumoto in Japan. Wel heeft men algemeen de indruk dat er binnen de muren van al deze verbluffende gebouwen steeds minder te rapen valt.
Het publiek komt dan ook niet in de eerste plaats om zich met behulp van het getoonde geestelijk te verheffen. Het vergaapt zich voornamelijk aan de gedurfdheid en het vernuft van het gebouw. Het internationale culturele toerisme dankt zijn succes niet aan een vermeende bloei van de kunsten, maar aan de handigheid van de cultuuronderemers die de op beweging gebrande consument naar musea of artistieke evenementen weten te lokken. De wedijver tussen zulke cultuurmanagers en kunstpausen zorgt er verder voor, dat steeds grotere aantallen naar musea komen.
Veel museumdirecteuren doen wat conservatoren vroeger nooit deden. Niet langer tevreden met hun bewarende ambtenarenfunctie, in dienst van de gemeenschap en gecontroleerd door de gemeenschap, stippelen zij nu, als koppige kunstkapiteins (al dan niet in overleg met hun internationale collega’s), een eigen koers uit. Niet de kunstenaars of kunstminnaars, de musea en hun eigengereide stuurlui verheffen voorwerpen tot kunst.
Talrijke museumdirecteuren ontpoppen zich buitendien als regelrechte handelaars in kunst. Hun dubbele taakoverschrijding, waarbij zij zich opwerpen als promotoren (in plaats van conservatoren) en venduhouders (in plaats van boekhouders), wijst op de misplaatste teleologische hartstocht waarmee zij de instelling zelf van het museum verkrachten.
De beurzen, waar kunst wordt verhandeld, hebben in de internationale handelswereld een aanzienlijk zij het onbetrouwbaar marktaandeel veroverd. Een gespecialiseerde pers zorgt voor onafgebroken informatie over tentoonstellingen, markten, kunstboeken, ateliers, galeries, musea en – niet in het minst – over de kunstenaars en de toekomst van de kunsten zelf. De kranten en weekbladen laten zich bij de opiniering niet in een hoek dringen. Ook zij «maken» mee kunst.
Is het niet prachtig te zien hoeveel er om kunst te doen is? Men zou in die hoera-stemming vergeten zich af te vragen wat die kunst zelf nog om het lijf heeft. Hoe zou immers de beeldende kunst in dat gewemel nog de rust kunnen vinden om tot schepping te komen? De «schepping» in de hedendaagse kunst lijkt veel meer behekst door het concept creatie dan dat ze zelf werkelijk creéert. Voor de organisatoren van de beeldende kunst levert de snelheid waarmee ze zich voortbeweegt van stijl naar stijl, van beurs naar markt, van expositie naar manifestatie, hèt bewijs van haar creatieve vermogen. Terwijl die haast natuurlijk alleen maar het hectische van de beeldende kunsten onderstreept. Waarachtige schepping impliceert meer dan de toevoeging van weer een product aan de bestaande en overzichtelijke voorraad van kunstvoorwerpen.
De intrinsieke artistieke waarde – los van commerciële waarde, actualiteit en evenement – hoort bij de schepping centraal te staan. Is dat niet het geval dan heeft men te maken met productie. (Het kan terloops gezegd geen toeval zijn hoe vaak de termen productie en product opduiken in het spreken over hedendaagse kunst). Bij productie en producten gaat het uiteindelijk om een kwestie van vraag en aanbod. Hoe gevarieerder het aanbod, des te groter de interesse van het publiek. Hoe sterker de belangstelling van het publiek kan worden opgedreven, des te groter het marktaandeel van kunstprodukten in een economie. Maar er is een verschil tussen producten en kunst. (Zo verschillen ook rituelen van religie).
Producten hoeven niets met elkaar te maken te hebben. Schoenen op een Noorditaliaanse voorjaarsbeurs van schoenfabrikanten vormen niet meer dan een toevallige, allicht door de mode verbonden verzameling. Kunst in een museum heeft een samenhang te vertonen, of ten minste valabele onderlinge betrekkingen te demonstreren. Helaas oogt kunst in musea voor hedendaagse kunst meestal als een arbitraire verzameling schoenen. Men kan zulke verzamelingen bekijken in het midden van Denemarken, het zuiden van Frankrijk, het hartje van de Ruhr, de hoofdstad van de Belgische provincie Oost-Vlaanderen of een Noordbrabantse gloeilampenstad. Overal verzamelingen van kunstproducten die ten hoogste op elkaar lijken en verder naar niets verwijzen. Ze leveren in de regel slechts banale ontmoetingen op. Toch laat men niet na verder te reizen en steeds andere, nieuwere musea te betreden. De hoop op iets echts, op iets epifanisch, beweegt de kunstconsument tot internationale beweging. Heeft hij niet altijd nog de gebouwen om eindeloos over te praten?
Door de veelvuldigheid van haar producten is kunst vandaag arbeid geworden. Als één onder de vele productievormen brengt zij steeds meer productiemogelijkheden voort, geheel in overeenstemming met de interne logica en innerlijke dynamiek van het arbeidsproces. De kunst van vandaag staat nooit stil. Evenmin als de industrie en de commercie. Helaas staat ze daarvandaan ook nooit meer bij zichzelf stil. De vraag rijst of men de bestaande bloei van artistieke evenementen zonder meer gelijk kan stellen met de aangekondigde bloei van de kunsten. Dat er rusteloos veel gebeurt heeft alles te maken met de enorme behoefte aan verstrooiing. De westerse samenlevingsvorm heeft, althans voorlopig, niet meer af te rekenen met het verwerven van wezenlijke materiële bestaansvoorwaarden. Tegelijk verwerpt hij een wereldbeschouwelijk fundament. Om nu zijn slechte geweten over zijn niet te rechtvaardigen stoffelijke privileges te sussen kan zo’n samenlevingsvorm niet meer zonder zijn niet aflatende beeldenstroom. (Zonder beelden moét men wel zijn verbeelding gebruiken – maar hoe kan die vanuit een grondeloze leegte werkzaam op gang komen?).
Zoals bekend, spelen de elektronische media de hoofdrol in dit continue afleidingsproces. Als Koerdische kinderlijkjes door gebroken vaders in een onherbergzame bergflank worden begraven, grijpt men in het beste geval nog naar zijn overschrijvingsformulieren. Ondertussen «vergeet» men probleemloos de tragedies van de Libanezen, de Palestijnen, de Middenamerikanen, de Cambodjanen, de Tibetanen. Koudweg omdat men daarover tijdelijk niet met beelden wordt gevoed. Tot wanneer de informatiemanipulatoren en de beeldenindustriëlen daar anders wensen over te beschikken.
De beeldende kunsten nu, precies in de mate dat ook zij (evenzo gemanipuleerd) aan deze frenetieke beeldenstroom participeren, fungeren als uiterst welkome instrumenten in de algemene gewetensverdoving. Temeer omdat ze de beschouwer een gevoel van geestelijke meerwaarde bezorgen waar hij in zijn gewetensnood zo’n behoefte aan heeft, waarnaar hij in zijn ideologisch vacuüm zozeer snakt.
Aan het einde van een eeuw van holocausten en wereldbeschouwelijk demasqué vervult juist de kunst de reddende rol die vroeger door de religie werd waargenomen. De bloei van de kunstevenementen valt dus niet uit de lucht. De schijnbare bloei van de kunsten valt geheel samen met het illusoire maar uiterst functionele gebruik dat het Westen ervan maakt.
Om zijn leegte adequaat te maskeren zal de beeldende kunst niet zozeer het hart en de verbeelding aangrijpen als wel aansluiting zoeken aan de intellectuele stromingen – eclecticisme en postmodemnisme – en de intellectualistische formalismen die de reusachtige ethische problemen van deze tijd camoufleren. Door de afwezigheid van inhoud geheel ondergraven, lijkt de beeldende kunst soepel opgenomen in de heersende sociaal-economische verhoudingen. Doordat ze niet meer weet wat ze moet doen, doet de beeldende kunst dan maar wat ze niet langer weet.
In zulke omstandigheden hoeft het niet te verbazen dat ontroering en schoonheid en ervaring in het niet vallen. Deze «verouderde» karakteristieken van de kunst hebben plaatsgeruimd voor een verhullende en vervagende terminologie. «Intuïtie» en «displacement»: men hoort de knarsende woorden aan, men knikt of slikt, men stelt er zich nauwelijks wat bii voor. Wat maakt het uit? ’t Zal wel zo ziin, als de experts het zeggen? Hoe zinlediger de woorden, des te beter lenen ze zich voor een oplading met frustraties en verdringingen. Als de «bloei», als de beweging van de kunst maar niet ophoudt!
De beeldende kunsten zijn dringend toe aan een stilstand. Een tabula rasa is wellicht de enige oplossing. Maar wie heeft de moed om het verlangen van de futuristen, de musea in brand te steken, naar de geest te realiseren? Stilstand, maar om wat te doen? Niet om te doen maar om te denken.
De kunst dient opnieuw een helder begrip van zichzelf te krijgen. Ze kan dat maar door in dezelfde denkbeweging ook begrip te verwerven van wat zij zelf niet is. Begrip van zichzelf krijgt men niet door het begrip van de anderen voor zichzelf na te jagen, wel door een rustige deliberatie waarbij men zoveel mogelijk elementen op hun juiste waarde inschat.
Heeft de kunst daar een sabbatsjaar voor nodig, dan moet ze dat zichzelf gunnen: het voortbestaan van de kunst zelf staat immers op het spel. In elk geval moet de kunst ophouden enkel met zichzelf een dialoog aan te gaan. Ook mag ze niet uitsluitend verwijzen naar het eigen wel en wee. Kunst moet weer aansluiten aan wat gebeurt in de wereld waarin zij ontstaat. Deze intrede in de werkelijkheid hoeft niet per se te leiden tot de kortstondige geëngageerde kunst die men nog niet zo lang geleden terecht heeft verworpen als een vorm van sociaal-politiek commentaar.
Als de kunst de wereld, waaraan ze haar bestaan dankt, werkelijk wenst te ontdekken ontstaat een kans op tegenontdekking. Dan ontdekt het omvattende het gevoeligste deel van zichzelf. Dat zou eerst een hoopvolle gebeurtenis zijn.
Kunst is meer dan een verzameling kunstproducten. De eigen voortreffelijkheid, althans de esthetische of vormelijke beslotenheid van het produkt moet worden doorbroken. Bevrijd van dit narcisme, deze steriele zelfspiegeling die nooit tot een helder inzicht in zichzelf leidt, kan de kunst bij zichzelf stilstaan om haar plaats te bepalen ten opzichte van de niet-kunst.
Het zal de opdracht van de kunst zijn, zichzelf uit haar kunstmatige evenementenparadijs en zuurstofarme museumbestaan te verlossen. Het is duidelijk dat noch de musea, in de mate dat zij de hedendaagse kunst-beweging zelf actief aanzwengelen, noch de kunstkritiek, die met dezelfde dolle kinetica vooral zichzelf tracht te legitimeren, de kunst bij haar zelfverlossing kunnen helpen.
Aangewezen op zichzelf om zichzelf opnieuw te enten op het andere: dat is de paradoxale taak van de kunst voor de eeuwwisseling. Als ze erin slaagt haar autonomie als illusoir te ontmaskeren, dan heeft de westerse kunst nog een toekomst. Anders valt te vrezen dat ze, te midden van haar vermeende bloei, een zekere dood aan het sterven is.
