de Haagse Kunstkring sinds de oorlog
Vóór 1950 voorbij
door Nico Wijnen
De Haagse Kunstkring heeft zich van zijn oprichting tot heden gekenmerkt door twee eigenschappen: hij werd opgericht (1891) bij wijze van protest tegen de verstarring in de kunst beoefening; hij wilde open staan voor nieuwe stromingen; ten aanzien daarvan ‘stuwend‘ optreden. Het was de eerste organisatie in Nederland waarin beoefenaars van alle uitingen der kunst zich verenigden; deswege elkaar ook wederzijds hebben verrijkt en gestimuleerd. Een ‘verbindend‘ optreden dus.
Het ‘open staan’ voor nieuwe stromingen, het daarvoor telken male ‘stuwend’ optreden, betekende nooit dat daarmee ‘verworvenheden’ werden ontkend of verworpen. Integendeel, typerend voor de Haagse Kunstkring is altijd geweest het hand in hand gaan van traditie en vernieuwing. Deze karaktertrekken zijn ook zichtbaar bij een terugblik op de periode van de jaren vóór en na 1950.
Van Simon Vestdijk is de term afkomstig ‘Voor en na de explosie’, die hij bezigde als titel voor een bundel opstellen, meren deels poëziekritieken. ‘Na de explosie’ heeft bij hem betrekking op het werk van de experimentelen, ‘voor de explosie’ opdat van de rest. Wanneer wij voor onze beschouwing een variant op deze titel hebben gekozen, dan is dit omdat men bij iedere terugblik zich er bewust van moet zijn dat ieder avantgardisme, dus óók dat wat door een organisatie wordt bevorderd, gezien dient te worden in de context van een totaal gebeuren, in een historisch perspectief.
Ruim voordat ‘de explosie’ plaats vindt zijn daarvoor de voor waarden al aanwezig. Men kan dan ook gerust stellen, dat de experimenten en de ontdekkingen van de pioniers uit de jaren dertig mede bepalend zijn geweest voor een aantal ontwikkelingen rond de jaren 1950. Het oorlogsgebeuren blijkt, achteraf gezien, deze ontwikkelingen te hebben versneld en wel doordat in die jaren een aantal traditionele (schijnbare) zekerheden werden ondermijnd, de voosheid daarvan duidelijk was geworden.
In die dertiger jaren groeide een generatie jongeren op, die toen inzichten verwierven die in het later organisatorisch op treden van een aantal van hen voor de Haagse Kunstkring tot uitdrukking zouden komen. Deze inzichten nog versterkt door de ervaringen van de jaren 1940-45, zouden hen doen open staan voor nieuwe stromingen en zij zouden ten aanzien hier van ‘stimulerend’ gaan optreden.
Wij wilden onze terugblik beginnen met een blik te werpen op de ontwikkeling in die jaren van de grafische en fotografische vormgeving. Aan de Haagse Academie voor Beeldende Kunsten waren in de dertiger jaren als leraar verbonden Gerrit Kiljan en Paul Schuitema. Met Piet Zwart, die andere vernieuwer, hebben zij in de loop der jaren heel wat heilige huisjes omvergestoten. Door toedoen van beide eersten werd in Den Haag b.v. de fotografie in het leerplan opgenomen, iets wat Zwart in Rotterdam op de Academie niet lukte. Leerling was in die tijd in Den Haag Rico Bulthuis. Als graficus begonnen, zou hij via veel artistieke omwegen (film, poppen) het schrijverspad opgaan. Reeds in die jaren was hij lid van de Haagse Kunstkring, waar hij optrad en in discussies betrokken was. Na 1945 zien we hem terug terug als bestuurslid van de derde afdeling.

Tot de kring waar Rico Bulthuis zich in de jaren dertig bewoog, behoorden ook Don Vermeire en Nico Wijnen. Vermeire, zoon van de bekende beeldhouwer Jules Vermeire, was, zoals zovele jonge kunstenaars in die periode, tezelfdertijd bezig op het terrein van de beeldende kunst (schilderen vooral), fotografie, film en theater. Hij was toen een ijverig propagandist voor de groep rondom het politiek-literaire tijdschrift ‘Links richten’, waaraan weer Paul Schuitema meewerkte. Daar, zoals op menig cultureel-politiek terrein bewoog zich eveneens Nico Wijnen. Beide vinden wij na 1945 terug als hoogst actieve bestuursleden van de Haagse Kunstkring.


Zwart, Kiljan en Schuitema waren zich door hun contacten met de meer praktisch gerichte architectenwereld bewust geworden van de mogelijkheden om niet alleen theoretisch, maar ook direct in de praktijk als beeldend kunstenaar te functioneren. Door hun publicaties, door het organiseren van tentoonstellingen, door de toepassing van de fotografie op tal van nieuwe terreinen en door vernieuwing van het kunstonderwijs effenden zij de weg voor het gebruik van de fotografie als een zelfstandig beeldmiddel en forceerden zij tevens een doorbraak op andere terreinen: de schilderkunst, architectuur, film, typografie. Een hoogtepunt in hun arbeid is ongetwijfeld geweest ‘Foto 37’, de eerste grote fototentoonstelling in Nederland. Organisatoren: Paul Schuitema, Eva Besnyo en Cas Oorthuys. Ter gelegenheid daarvan werd een speciaal nummer uitgegeven van het blad ‘Prisma der Kunsten’, orgaan van de Nederlandsche Vereeniging voor Ambachts- en Nijverheids kunst VANK, de Nederlandsche kring van Beeldhouwers NKB, het Schildersgenootschap Pulchri Studio, de Vereeniging tot bevordering der Grafische Kunst en met medewerking van de Vereeniging Haagsche Kunstkring.
De veranderde vormgeving van de ‘Nieuwe fotografie’ hield zeer nauw verband met politiek engagement. Wij willen nu nagaan in welk opzicht de sociale werkelijkheid van de dertiger jaren haar spiegel vond in de letteren, met name de poëzie. Ook hier komt een realiteitsbehoefte haast woordelijk naar de oppervlakte. We hebben te maken met een ‘dichtersgeneratie, die na het ‘zingen’ van haar voorgangers tot het spreken’ beweert te zijn overgegaan, zich herhaaldelijk tot zeggers der werkelijkheid heeft geproclameerd’. Deze karakteristiek door Theun de Vries betreft een pur sang Hagenaar, die van beslissende invloed blijkt te zijn geweest voor de na hem komende generaties: Mr. Martinus Nijhoff. Dit op de allereerste plaats door het wezen van zijn eigen poëzie, maar toch ook door zijn optreden als een van onze begaafdste poëzie-critici. ‘Nijhoff, schakel tussen de generaties’.
De moderne poëzie wil een verantwoording geven van het specifieke eigen levensgevoel van de moderne mens in zijn wereld. ‘De werkelijkheid te verwerken en haar werkelijkheid te laten, ziehier het doel van de kunst … Voor een schrijver beteekent een werktuig een persoonlijke taal te hebben’, schrijft Nijhoff zelf. Het behoeft geen verwondering te wekken, dat de na hem komende generaties dichters dan wel zich min of meer op hem beroepen als de ‘ontdekker der werkelijkheid’ (Hoornik), dan wel (en dit geldt vooral voor de ‘Vijftigers’) in verscheidene zeer wezenlijke aspecten affiniteiten met hem vertonen. Paul Rodenko is van oordeel, de laatsten zelfs meer dan de voorgaande generatie.

Was Martinus Nijhoff reeds in de jaren vóór 1940 een graag geziene gast op bijeenkomsten van de afdeling Letterkunde van de Haagsche Kunstkring, in de jaren vijftig zal zijn intense belangstelling voor het werk der experimentele jongeren tot gevolg hebben, dat hij (mede door zijn nauwe banden met Bert Bakker, zo ook met Paul Rodenko en Nico Wijnen) in de organisatie van een aantal door de Kring gehouden evenementen een werkzaam aandeel zal hebben.

Op 26 januari 1953 overlijdt de dichter Martinus Nijhoff. De dag voordien, op zondagavond, had hij nog met Bert Bakker de volgorde van de bijdragen vastgesteld voor het eerstdaags te verschijnen eerste nummer van ‘Maatstaf’. Op zaterdag 25 april van hetzelfde jaar wordt in ‘Diligentia’ de dichter Martinus Nijhoff officieel herdacht. Georgette Hagedoorn draagt voor uit het nagelaten werk, vertalingen (de eerste maal dat die worden voorgedragen) van Menander’s ‘Het Scheidsgerecht’ en van Edgar Lee Masters: ‘Spoon River Anthology’. De inleiding houdt Jan Engelman. Aan de letterkundige afdeling van de Haagse Kunstkring is gevraagd deze herdenkingsbijeenkomst te organiseren; zij wordt mede onder zijn auspiciën gehouden.
Een andere Hagenaar is Ed. Hoornik, ‘Hagenaar’ van geboorte, overtuigd ‘Amsterdammer’ geworden, altijd geweten dat zijn wortels bleven vast zitten in Den Haag. Men behoeft zijn roman ‘De vingerwijzing’ (1969) maar te lezen om te weten hoe ‘zeer’.

In 1951 houdt hij in Den Haag ten huize van het Kringlid Ernst Overbosch voor leden van de Haagse Kunstkring een lezing uit eigen werk onder de titel ‘Uit gemis’. Hij zal deze lezing nadien nog meerdere malen houden, nader uitwerken en publiceren. Hij schrijft erin over zijn jeugd in Den Haag, over ‘het Kolpings huis, een tehuis voor vrijgezellen, waar ik als achttienjarige korte tijd heb gewoond (… ) Ik zie mezelf weer zitten schrijven, het gezicht naar de muur, een thuisloze, een buitenbeentje, dat dwars was in iedere gemeenschap, maar daar ook niet zonder kon .. .’.
Eind 1929 verhuist Hoornik naar Amsterdam, waar hij o.a. Gerard den Brabander leert kennen. Enige tijd later debuteert hij met ‘sociale en andere verzen’ onder de veelzeggende titel ‘Het keerpunt’. Zijn thema was ‘het drama van de sociale werkelijkheid, der verschrikkelijke tegenstellingen, die in ons de honger en de dorst naar sociale rechtvaardigheid wakker maakten’ (‘Uit Gemis’). In 1939 redigeert hij met Johan Daisne, Jan Schepens en Adriaan van der Veen het gedurende één jaar verschijnende tijdschrift ‘Werk’. In dat zelfde jaar geeft hij samen met Adriaan van der Veen voor de Haagsche Kunstkring een avond waarop ‘De dichters van ‘Werk’ aan bod komen. Onder de toehoorders bevond zich ook Menno ter Braak, die trouwens op vele avonden van de afdeling letterkunde van de Kring aanwezig was. Ter Braak’s affiniteit met Ed. Hoornik lag vooral op het vlak van hun wederzijdse bezorgdheid over het gebeuren in Nazi-Duitsland, de stroom van Duitse vluchtelingen, waaronder veel schrijvers.

Vanaf 1939 dateert Hoornik’s vriendschap met Nijhoff, die voor hem de ‘ontdekker der werkelijkheid’ wordt, een werkelijkheid die hij al spoedig in haar rauwste vorm zal leren kennen. De Duitse legers bezetten ook Nederland. Op 19 augustus 1943 arresteert de SD Ed. Hoornik, samen met Bert Bakker en Gerard den Brabander, toen zij een samenkomst hadden ter gelegenheid van het verschijnen van ‘Tweespalt’ bij de illegale Mansardepers. Hoornik wordt overgebracht naar het concentratiekamp Vught en vervolgens naar Dachau. Daar zitten eveneens gevangen W. L. Brugsma, Nico Rost en Nico Wijnen. In ‘Uit Gemis’ zegt hij over die tijd: ‘geest en ziel doofden uit. Zoveel mogelijk zocht ik het isolement, de natuurlijke wijkplaats van de dichter. Meer en meer vervreemdend van de werkelijkheid, ook na mijn terugkeer uit Dachau, ontstond de reeks verzen ‘Ex tenebris’ ‘. Voorjaar 1946 leest de dichter een aantal ervan voor in de Haagse Kunstkring.
In 1948 vinden we Hoornik weer regelmatig terug in Den Haag, als medewerker aan het Haagsch Dagblad. Hij gaat daar om met Jac. Bloem, ‘Bom’ Nijhoff, de boekhandelaar en oud verzetsman Karel van Boeschoten, en Nico Wijnen. Met de laatste verbindt hem tevens een interesse in Indonesië, over de soevereiniteit waarvan in augustus 1949 in Den Haag de ronde-tafel-conferentie wordt gehouden. De Haagse Kunst-kring organiseerde toen een aantal evenementen verband houdende met de Indonesische cultuur, waarover later meer. In 1954 stelde Ed. Hoornik met Bert Bakker en Gerrit Borgers het gezamenlijk nummer van een negental tijdschriften ‘Nationale Snipperdag’ samen. Nico Wijnen zorgde er voor, dat op iedere bladzijde hiervan onderaan de naam staat van een in de oorlogsjaren omgekomene.
In de vijftiger jaren is dit contact Ed. Hoornik-Haagse Kunst kring het meest frequent, maar nog in 1966 vinden wij hem er als spreker, samen met zijn mede ‘Gids’-redacteuren op een bijeenkomst gewijd aan het Nederlandse literaire tijdschrift. Op 1 maart overlijdt Ed. Hoornik aan een hartaanval, terwijl de voorbereidingen voor de huldiging bij zijn 60ste verjaardag in volle gang zijn.
De jaren 1940-1945, de tijd van de Duitse bezetting.Het eerste jaar kon nog de illusie worden gekoesterd, hoewel tegen beter weten in, dat er geen inmenging van Duitse zijde zou zijn. Toch was men reeds wat voorzichtiger. Op 22 november 1941 werd de handtekening gezet onder de geboorteakte van een dood kind. Het droeg de naam: Kultuurkamer. Met de oprichting hiervan werd in feite ook het werk van de Kring stopgezet. Het contact tussen de leden onderling werd, voor zover mogelijk, door het organiseren van bijeenkomsten bij verschillende leden thuis onderhouden en gedurende de gehele oorlogsperiode voortgezet. Velen duiken in het verzet. Don Vermeire zet zijn fotografisch talent in voor het maken van valse persoonsbewijzen. Wanneer na de bevrijding, in 1951 in het Gemeentearchief van Den Haag – de tentoonstelling ‘Gedrukt in verdrukking’ wordt gehouden – een expositie van illegale geschriften – vinden wij daar o.m. publicaties van Rico Bulthuis, rijmprenten verlucht door leden van de Haagse Kunstkring, onder wie Livinus van de Bundt met naaldgravures.
1945. Bevrijd Nederland! De verschrikking van de oorlog is voorbij. Maar daarom nog niet vergeten, al ontaarde de 5e mei voor velen tot ‘nationale snipperdag’. Het is de Haagse Kunstkring geweest waar tot vijfentwintig jaar na de bevrijding steeds weer door de kunstenaars op de 3de mei, de dag voor afgaande aan de jaarlijkse ‘Dodenherdenking’, een indrukwekkende reeks ‘Mei-herdenkingen’ werd gehouden.
De kunstenaar ademde na de bevrijding in een veranderd klimaat. Nog in 1945 werd opgericht de ‘Federatie van Beroeps verenigingen van Kunstenaars’, een overkoepelend orgaan van de in vakgroepen gesplitste kunstenaarsverenigingen. In de resolutie die op het in 1949 door de federatie in Den Haag gehouden ‘Kunstenaarscongres’ wordt aangeboden, heet het: ‘dat kunst is het door een scheppingsvermogen van de kunste naar transponeren van het mede uit het maatschappelijk leven gewekte gedachte- en gevoelsleven der mensen en dat der-halve de kunst mede een maatschappelijk verschijnsel en de kunstenaar een maatschappelijk werker is’. Het aftasten van nieuwe mogelijkheden, het pogen te komen tot een nieuwe vormgeving, een bredere aanpak wordt in Den Haag op ver schillende manieren zichtbaar. Als voorbeelden hiervan: de in 1947 opgerichte ‘Vrije Academie’ en het ‘Kunststudiecentrum’.
De hechte banden tussen de Haagse Kunstkring en zowel de Vrije Academie als het ‘Kunststudiecentrum’ werden elders al vermeld. Een groot aantal Kunstkringleden speelden een rol bij de ontwikkeling van beide instituten, en wij mogen dus nagaan op welke wijze hun opvattingen ook bij de Kring gestalte hebben gekregen en op hun beurt mede het culturele klimaat van Den Haag hebben beïnvloed.
Welnu, kort na de beëindiging van de Tweede Wereldoorlog vinden wij als bestuur van de derde afdeling: Albert Vogel, voorzitter; Piet Heus. secretaris, in die functie opgevolgd door Gerard Messelaar; Rits Kruissink, lid. Op de ledenvergadering van 30 juni 1951 treden Vogel en Messelaar af en wordt het bestuur als volgt samengesteld: Antal Sivirsky, voorzitter; Nico Wijnen, secretaris; Maud Cossaar, Rits Kruissink en Paul Rodenko leden.
Wij spraken reeds over het in 1949 gehouden ‘kunstenaars congres’. Aan de vooravond van de ‘explosie’. In bovenge noemde periode, 1950-1951 heeft de explosie al plaatsgevonden. De naam van het nieuw-gekozen bestuurslid – maar voor zijn verkiezing al aktief lid van de HKK – moge bewijzen dat de Haagse Kunstkring bij die explosie betrokken was: Paul Rodenko.
Paul Rodenko werd in 1920 te ‘s-Gravenhage geboren uit een Russische vader en een Anglo-Nederlandse moeder. Hij woonde daarna afwisselend in Riga, Berlijn en Den Haag, studeerde slavische talen in Leiden, en na de oorlog psychologie en ‘littérature comparée’ in Parijs. Hij was redakteur van ‘Columbus’, vervolgens van ‘Podium’, daarna vast medewerker van ‘Maatstaf’. In 1951 verschijnt zijn bundel ‘Gedichten’, een keuze uit de poëzie die hij sinds 1944 schreef. Na zijn studies was hij enige tijd werkzaam bij de Nederlandse Emigratie dienst, waar hij behalve met Nico Wijnen ook samenwerkte met Jettie Schaper, kleindochter van een der ’twaalf apostelen’ van de SOAP. Met haar zal hij op 16 mei 1953 in het huwelijk treden. Wijnen is dan ‘best man’. Het bruiloftsfeest werd ’s avonds gehouden in het gebouw van Pulchri Studio, waar de Kunstkring toen gemeenschappelijk met Pulchri sociëteit hield.

Van 1951 tot en met 1957 is Paul Rodenko lid van het bestuur van de derde afdeling, een tijd lang zelfs secretaris. Tot 1955 met Antal Sivirsky als voorzitter, nadien onder Bert Bakker. Bert Bakker, bij wie in 1954 zijn ‘Nieuwe Griffels – Schone Leien’ zou verschijnen. Het is algemeen erkend: met die inleiding is hij opgetreden als baanbreker voor de nieuwe richting in de Nederlandse poëzie. Zij, die zich tooien zou met een naam ontleend aan het jaar – 1950 -, het jaar waar in het zomernummer van ‘Podium’ de ‘Poëziekroniek’ van Paul Rodenko de deur zou openzetten voor de ‘Vijftigers’.
‘De Vijftigers’, hun optreden markeert een periode van vernieuwingen, met een schier revolutionair karakter, op vele terreinen. Niet alleen op het gebied van de literatuur, maar ook op dat van de beeldende kunst, het toneel, de dans, de muziek.
Het zou misschien het meest rechtvaardig zijn om het jaar 1951 als het ‘explosie’-jaar van de ‘Vijftigers’ te zien. Toen kwam bij A. A. M. Stols, uitgever te ‘s-Gravenhage, de bundel ‘Atonaal’ uit, met een bloemlezing van experimentele dichters o.m. Hans Lodeizen, Hans Andreus, Hugo Claus, Gerrit Kouwenaar, Luce bert, Simon Vinkenoog, Jan Elburg, Paul Rodenko. Via deze bloemlezing konden de experimentele dichters zich voor het eerst presenteren aan het grote lezerspubliek. Overigens had uitgever Sander Stols wegens afwezigheid in het buitenland toen Jan-Peter Barth als zaakwaarnemer aangesteld. Barth was een hartstochtelijk en hoogst aktief lid van de Kring, altijd bereid tot diepgravende gedachtenwisselingen over de poëzie, bij voorkeur over ‘oorspronkelijke’ poëzie. De nauwe banden tussen Barth en Stols enerzijds en Rodenko anderzijds maken het uitgeven van ‘Atonaal’ in 1951 meer begrijpelijk.

Ik wil natuurlijk geenszins stellen dat het bestaan van de Haagse Kunstkring de beweging van de ‘Vijftigers’ heeft mogelijk gemaakt, wat waanzin zou zijn. Maar wel kan worden vastgesteld, dat bij het gestalte krijgen van de ‘Vijftigers’ een aantal leden van de Haagse Kunstkring een, vaak zeer belangrijke, rol hebben gespeeld. De opvattingen van de ‘Vijftigers’ over het poëtisch experiment, hoezeer ook hun ‘eigen’ bezit, hebben mede vorm gekregen in het klimaat van de Haagse Kunstkring, een klimaat ‘openstaande’ voor nieuwe stromingen, dat daarvoor impulsen geeft waarvan een ‘stuwende’ werking uitgaat. In 1948 nam Nico Wijnen bij de HKK het initia tief voor een discussieavond over het onderwerp ‘Abstract Rijmloos’ (schilderkunst-dichtkunst), waaraan o.a. J. B. Charles, Paul Rodenko en Willem Hussem deelnamen.

Er is meer. Op zaterdagavond 8 december 1951 houdt de heer H. W. Muzerie een causerie over de dichter Paul Rodenko voor de leden van Pulchri en de Haagse Kunstkring in hun sociëteit. Uit zijn causerie lichten wij de volgende sprekende passage: ‘Wij horen steeds klagen over onze zgn. knopcultuur, waarmee men wil zeggen, dat ons geslacht meer en meer tot passiviteit vervalt. Welnu, het werk van kunstenaars als Rodenko dwingt ons tot geestelijke activiteit. Een waardevolle eigenschap, kenmerkend voor veel moderne literaire en beeldende kunst’. Een opmerkelijk geluid, dat des te opmerkelijker wordt, wanneer men weet dat H. W. Muzerie de taalleraar was van de, door hem zeer gewaardeerde, dichter Hans Lodeizen, de ‘Perk’ der ‘Vijftigers’. De experimentele dichter hebben dan toch, althans in Den Haag, hun mentor gehad.
Op 6 maart 1953 werd door de HKK in samenwerking met de ‘s-Gravenhaagsche Boekhandelaarsvereniging een ‘Literair steekspel over de moderne poëzie’ gehouden in de Grote Zaal van Pulchri. Duellisten waren de auteurs J. B. Charles en A. L. Söteman, als secondanten traden op M. van der Plas, Alfred Kossmann, Jan C. Elburg en Lucebert.
Als kunstmaandmanifestatie wordt door de HKK met mede werking van het Haags Cultureel Centrum op 8 november 1955 in de Rolzaal (Binnenhof) een literair forum: ‘Mentaliteit of kwaliteit’ gehouden. De discussieleider is dr. J. Hulsker; medewerkenden dr. Victor E. van Vriesland, mr. Evert Straat, Gerrit Borgers en Gerrit Kouwenaar. Beide laatstgenoemden scharen zich aan de zijde van de mentaliteit. Straat en Vriesland achten dit onaanvaardbaar. De conclusie was echter dat de begrippen mentaliteit en kwaliteit verre van zuivere tegenstellingen bleken te vormen. Onder degenen die na de pauze aan de discussie deelnamen was A. Roland Holst, die bij die gelegenheid liet weten dat hij van sommige experimentele verzen hield en dat sommige traditionele hem verveelden. Wat de slechte vormen van beide groepen betreft, het verschil leek hem niet groter dan tussen een braakmiddel en een slaapmiddel.

Op 29 november 1955 organiseert de Kunstkring in de sfeervolle Louis XV-zaal van Pulchri een literaire avond, bij wijn en kaarslicht onder de titel ‘Van A. Roland Holst tot Hans Andreus’. Bert Bakker merkt in zijn openingswoord op dat het de bedoeling is aan te tonen dat in de poëzie van de laatste vijftig jaar een continuïteit valt waar te nemen, dat mentaliteitsverschillen van weinig belang zijn, wanneer het gaat om absolute poëzie. Om deze stellingen waar te maken dragen Geerten Gossaert, A. Roland Holst, Herman van den Bergh, Ed. Hoornik en Hans Andreus voor uit eigen werk.
Over Rodenko’s ‘Nieuwe Griffels, Schone Leien’, dat in 1954 verscheen, spraken wij al. Een bewijs dat de bundel de aan dacht heeft getrokken is wel de bijzonder grote oplaag, 27.500 exemplaren, een uiterste zeldzaamheid in ons land. In december 1956 verschijnt, eveneens bij Bert Bakker, Paul Rodenko’s bloemlezing ‘Me twee maten’, met als ondertitel ‘De kern van vijftig jaar poëzie, geïsoleerd en experimenteel gesplitst’, het geheel voorzien van analystische essays. De gewaarde opzet van deze bundel werd door Vestdijk gewaardeerd als ‘een der boeiendste ‘experimenten’ (… ) waartoe een bloemlezer in wanhoop zijn toevlucht kan nemen’.
Maar wij schreven al 1956 en de post-vijftigers hebben zich al aangekondigd, hebben zich al tegen de ‘Vijftigers’ afgezet. Hun stemmen klinken vooral in ‘Gard Sivik’ en hun voornaam ste vertegenwoordigers zijn René Gijsen en Hans Sleutelaar. De laatste een graag bezoeker van de sociëteit van de HKK/ Pulchri Studio. Maar ook onder de leden van de Haagse Kunstkring worden die geluiden al gehoord. Onder meer van Wim Gijsen, terwijl Bert Bakker in 1960 de bloemlezing ‘Met andere woorden’ uitgeeft, waarvan René Gijsen en Hans Sleutelaar de samenstellers zijn.
De nieuwe generatie meldt zich aan. Die van ‘na de explosie’. Het begint, zoals vaak, rustig. Een zich voorstellen van nieuwe leden. Aan Ik Jan Cremer danken we een beschrijving van zo’n voorstellingsavond uit 1958, toen Peter de Rubain, Jan Stolker, Wim Gijsen, Ger van Wijck, Hans Wesseling en Edith de Clerq Zubli lazen:
‘Mijn eerste manifest (tientallen zullen daarna nog verschijnen), werd door een jonge bebaarde dichter geschreven. Ik was gefascineerd toen ik op een leesavondje van de Plaatselijke Kunstkring zat waar allerlei jonge letterkundigen hun gedichten voorlazen. ’n Meisje met grote borsten die uit haar strakke bloemetjesjurk puilden als aandoenlijke strofen uit haar werk over dode vogeltjes en jongetjes die viesdeden. Daarna kwam HIJ (de dichter die later met mij manifest no. 1 zou schrijven). In een groene broek, een paarse trui, een verwarde haardos en op blote voeten (Blote Voeten! En het was nog wel winter!!) In sandalen las hij zijn werk voor. Het klonk goed. Nog meer raakte ik gefascineerd door zijn vrouw, een meisje zonder b.h. in een lange paarse jurk en met zwartzijden kousen om haar mooi gevormde kuiten. Zo kwam het eerste verdrag tot stand. Onder het ledigen van diverse glaasjes, en het vullen ervan, werd het propagandabiljet in elkaar gezet. En op de tentoonstellingen uitgereikt’.
De avond werd een groot succes. Een der recensenten schreef: ‘Natuurlijk is de Haagse Kunstkring bij uitstek het forum waar jonge dichters eens kunnen laten horen hoe hard hun Pegasus heeft gehinnikt’. In talloze debatavonden, PEN-discussieavonden e.d. hebben jonge dichters tot aan vandaag die kans gekregen in de Kring.
Al enige malen noemden wij Bert Bakker, en wie Bert Bakker zegt, zegt ‘Maatstaf’. ‘Den Haag’, zo schreef Kring-voorzitter Antal Sivirsky eens, ‘was in de vijftiger jaren niet meer de stad van Couperus, maar de stad van de Bert Bakkers. De Bert Bakkers zijn mensen die op goede voet staan met de overheid, maar een andere zienswijze hebben. De Bert Bakkers zwoegen voor de Nederlandse cultuur maar antichambreren niet bij magistraten. De Bert Bakkers hebben initiatief, zij inspireren anderen, ze staan op de bres’. Over de relatie ‘Maatstaf-Haagse Kunstkring deelt hij verder mee: ‘Wij (de bestuursleden van de HKK) waren bevriend met Bert; hij exploiteerde ons niet, wij hem wel. Voor een grote manifestatie kropen we bij hem op de slip. Hij buitte zijn relaties voor ons uit en dat ging gemakkelijk, want die waren wel tot een wederdienst bereid. Het spreekt haast vanzelf, dat hij mij in 1953 als voorzitter van de literaire afdeling opvolgde. En toen werd de Haagse Kunstkring nog Haagser: geheel Nederland stroomde toe.’

Bij het verschijnen van het eerste nummer van ‘Maatstaf’, april 1953, mede voorbereid door Nijhoff, geeft Bert Bakker aan wat het tijdschrift beoogt: ‘Maatstaf’ zal zich in hoofdzaak bepalen tot het publiceren van oorspronkelijke en vertaalde poëzie, verhalend proza en essayistisch werk. Het zal echter de culturele, maatschappelijke en sociale verschijnselen, die verband houden met de literatuur, niet verwaarlozen’.
De band tusen de Haagse Kunstkring en ‘Maatstaf’ was duidelijk weer zo’n ‘veelkoppige’ verbinding: Bert Bakker zelf, zijn mede-redacteur Wim Gijsen, bovendien een aantal vastemede werkers van ‘Maatstaf’, van Paul Rodenko, J. B. Charles, Nico Wijnen, Sem Dresden (eveneens een tijd lang voorzitter van de literaire afdeling) tot Ellen Warmond en Rudi Cornets de Groot toe.
Er werden talloze ‘Maatstaf-avonden gehouden met het doel literatuur in het publiek te brengen. In de praktijk zou blijken, dat hun opzet echter verder zou strekken, hun werking breder zou zijn. Spectaculair was de zgn. ‘avond der generaties’ op 2 december 1953, waaraan werd meegewerkt door A. Roland Holst, C. J. Kelk, Prof. Dr. W. Gs. Hellinga, Bertus Aatjes, J. B. Charles en Ellen Warmond. Een avond die door Ben van Eysselsteyn later als ‘glorieus’ werd beschreven. Ook een aantal van de reeds genoemde Mei-herdenkingen vonden plaats in het kader van ‘Maatstaf’.
‘Maatstaf’ beoogde vanaf het begin het- ‘engagement’, een woord dat pas in de zestiger jaren zijn modieuze bijklank zou krijgen en het gevaar zou lopen door veelvuldig gebruik te slijten, aan waarde te verliezen. Maar in feite is het ‘engagement’ er altijd geweest onder kunstenaars. De wijze waarop het maatschappelijk gebeuren werd ‘beleefd’, daarop werd gereageerd was afhankelijk van de tijd, de felheid waarmee het overkwam. Een Paul Schuitema, een Gerrit Kiljan, een Piet Zwart waren bewust maatschappij-hervormend. Nijhoff daar entegen, deze ‘wandelaar in de werkelijkheid’, was meer ‘gestuwd door een consequent dichterschap’ dan ‘door een consequent sociaal denken’, vooral intuïtief sociaal. Hoornik voor alles maatschappijkritisch, al bekende hij na zijn gevangenschap in Dachau: ‘De kloof tussen wat men gemeenschap pleegt te noemen en dichter kan nooit worden overbrugd, ook niet in de socialistische maatschappij, waarnaar ik altijd heb gehaakt’.
Hoezeer echter ook iedere geëngageerdheid persoonlijk is genuanceerd, nimmer is die alleen gericht op het gebeuren van het ogenblik, zij is altijd doorweven met een voorgevoel van komende tijden, een voorgevoel dat soms apocalyptische vormen kan aannemen. De futurologie, wetenschappelijk ver antwoorde voorspelkunde, is thans helemaal ingeburgerd, sinds de zestiger jaren.
Maar reeds op 6 december 1954 organiseerde de Haagse Kunstkring in samenwerking met het al eerder genoemde ‘Oefening Kweekt Kunst’ een bijeenkomst waarop Dr. Robert Jungk sprak over het onderwerp ‘Zijn machines nog te temmen?’ Deze befaamde Oostenrijks-Amerikaans schrijver en journalist was een van de weinige journalisten, die destijds de Amerikaanse centra voor de vervaardiging van atoomenergie heeft mogen bezoeken. Zijn boek daarover, ‘De toekomst is reeds begonnen’ had zelf de werking van een atoomexplosie. Dat het een oplaag beleefde van tientallen duizenden exemplaren, dat het in een tiental talen verscheen, is slechts de materiële uitdrukkingsvorm van de fascinerende, de alarmerende werking die van dit boek uitging.
Onder het talrijke publiek, dat naar Jungk kwam luisteren waren ook vele oude vrienden van hem, in Nederland wonende Duitse en Oostenrijkse emigranten, evenals hij destijds gevlucht voor de terreur van de nazi’s. Mensen die aan den lijve ondervonden hadden dat misstanden wanstaltig kunnen groeien, dat vooroordelen moordend kunnen worden, dat taboes alle vooruitgang kunnen blokkeren, en daarom ontmaskerd dienen te worden. Het taboe herkennen, bestrijden, breken, ook dat is engagement.

De avantgarde van de vijftiger jaren, beeldende kunstenaars en schrijvers hebben de aanval op het ’taboe’ ingezet, of die nu de vorm aannamen van verworven esthetische opvattingen of van een gevestigde-maatschappij-orde. Het protest van de schrijvers kwam o.m. tot uitdrukking in het vrijmoedig behan delen van erotische en sexuele thema’s waarop toen nog taboes rustten. Door hun ’taal-revolutie’ hebben de ‘Vijftigers’ de emancipatiebeweging van de jaren zestig mede voorbereid. Los van de ‘Vijftigers’ had in die zelfde periode, in 1948 reeds, Anna Blaman in haar ‘Eenzaam Avontuur’ de verhoudingen man-vrouw-minnares, en de stadia van liefde-hartstocht-haat gepeild, zonder zich iets aan te trekken van de taboes. Het verwekte dan ook een schandaal.
In 1956 vroeg het bestuur van de literaire afdeling van de Haagse Kunstkring Anna Blaman deel te nemen aan een literair forum over het onderwerp ‘Fatsoen en onfatsoen in de literatuur’. De andere leden waren Jeanne van Schaik-Willing, Alfred Kossmann en Jos Panhuysen. Discussieleider was Sem Dresden. Blijkens de ‘notulen’ van een nadien gehouden be stuursvergadering werd ongeveer het volgende betoogd: ‘De literaire afdeling HKK, zich realiserende dat Anna Blaman in haar verhalen zodanige situaties schept, ‘dat daarmee zwakke plekken in de samenleving worden onthuld, met als gevolg dat het lezerspubliek het onbehagelijk te moede wordt en des wege protestgevoelig, poogde door dit forum en de publiciteit daar omheen een mentaliteitsverandering bij het publiek te weeg te brengen, hen voortaan stelling doen nemen tegen de ‘fatsoensrakkers’ ‘.
In 1957 werd Anna Blaman bekroond met de P. C. Hooftprijs, voor haar gehele oeuvre.


Voortdurend vindt het avantgardistisch karakter van de Haagse Kunstkring op het gebied van de kunsten zijn pendant in zijn geëngageerdheid tot het maatschappelijk en sociaal gebeuren. Wij wijzen hier op de grote aandacht die in de jaren zeventig in de Kring aan de gebeurtenissen in Vietnam werd geschonken. Maar ook bij eerdere gelegenheden werd binnen de HKK op belangrijke nationale of internationale gebeurtenissen inge gaan. Zo werd op 10 december 1952 een speciale ‘Spaanse avond’ georganiseerd, waarop – in de vertaling van Albert Helman – liederen en gedichten ontstaan in de Spaanse burger oorlog werden gezongen door Henriëtte Sala en voorgedragen door Maud Cossaar.
Op 27 december 1949 was de onafhankelijkheid van Indonesië een feit. Het is nu bijna onvoorstelbaar dat het zelfstandig worden van dit land hier toen zoveel pijn heeft gedaan en scherpe tegenstellingen schiep onder de eigen Nederlandse bevolking. Er was moed voor nodig te pleiten voor een in vrijheid samen werken, voor het behouden en versterken van de culturele banden met dit land. De Haagse Kunstkring behoorde tot die moedigen. Nu was er bij de Kring altijd reeds belangstelling geweest voor ‘Insulinde’, al was die aandacht vooral gericht op de beeldende kunst. Verder was een fijnzinnig dichter als Noto Soeroto (1888-1951) in de twintiger jaren een graag geziene gast. Overigens schreef deze behalve gedichten ook ‘Van overheersing naar zelfregeering’. Onder de Kringleden die na de oorlog nauwe banden onderhielden met Indonesiërs waren Don Vermeire en Nico Wijnen, van wie de laatste in de vijftiger jaren o.a. secretaris van de Vereniging Nederland-Indonesië was. Samen met deze vereniging werd op 3 oktober 1953 een bijeenkomst belegd over ‘Hedendaagse Indonesische Schilders’. Later spraken in het zelfde verband Breton de Nijs en Wim Braasem over resp. de moderne Indonesische poëzie en over de volkspoëzie. Tezelfdertijd, sinds 1949, was Ed. Hoornik werkzaam bij Sticusa (Stichting voor culturele samenwerking met Indonesië, Suriname en de Nederlandse Antillen).

Hetgeen hierboven over Indonesië werd gezegd geldt mutatis mutandis ook voor Suriname en de Antillen. Al voor 1940 waren een Cola Debrot, vaak vergezeld van zijn lieftallige echtgenote, de danseres Estelle Debrot-Reed, zo ook de felle Surinamer Albert Helman, schrijver van ‘Zuid-Zuid-West’ graag geziene gasten op de Kring. Verder, hoewel daar niet geboren, toch met een binding aan dit deel van de wereld, Constant van Wessem, schrijver van ‘300 Negerslaven’. (*het boek over slavernij met die titel weerspiegelt het taalgebruik van die tijd, maar zou vandaag de dag anders geformuleerd worden) Wij zullen hen na de oorlog, wanneer zij werkzaam zijn in Den Haag, ook weer ontmoeten in de Kring. Daar treffen we dan soms ook, na een ‘persconferentie’, de politicus Dr. M.F. da Costa Gomez in de sociëteit. In de zestiger jaren hield de Kring bij herhaling Antilliaanse avonden.

Het was vooral Wim Schulte Nordholt die in de Kring het probleem van de etnische discriminatie aansneed, niet op agitatieve toon, maar veeleer beschouwend, analyserend, genuanceerd betogend. De nadruk legt hij op wat zich afspeelt in de U.S.A. In 1956 verschijnt zijn boek ‘Het volk dat in duisternis wandelt’. In de Kring hield hij er een causerie over. Zijn boek was nog niet verschenen, of het drama van Little Rock in 1957, de sit-ins van 1960 en de freedom rides van 1961 onderstreepten er de actualiteit van.
In zijn boek merkte Schulte Nordholt op hoe uiterst belangrijk de muziek voor de Afro-Amerikaan is. Zijn causerieën illustreerde hij dan ook vaak met spirituele liederen en gospelmuziek uit de Afro-Amerikaanse traditie. Hieraan werd ook nog een aparte avond gewijd.
Aan het slot van dit hoofdstuk dient zeker nog één genoemd te worden: William Edward Burghardt Dubois. Schulte Nordholt schreef over hem in zijn boek als de leider van een nieuw bewustzijn, een nieuw rationalisme, de man die het weerwoord gaf op het idee van witte suprematie. Op 11 november 1958 zou de Haagse Kunstkring deze wereldberoemd geworden Afro-Amerikaanse geleerde in zijn midden hebben. De schrijver van ‘The Souls of Black Folk’ en ‘A litany for Atlanta’, oprichter van de ‘National Association for the Advancement of Colored People’ en grondlegger van de Pan African Movement, kon toen in 1958 voor het eerst na lange tijd, elf jaar, aan de McCarthy-terreur was eindelijk een halt toegeroepen, een buitenlandse reis ondernemen. De manifestatie in de Kring kreeg de titel ‘Ik zag hoe zwart ik was’. Rosey E. Pool droeg Afro-Amerikaans poëzie voor. Van de helaas verhinderde Paul Robeson waren enkele liederen te horen die speciaal voor deze gelegenheid op de plaat waren gezet. Daarna betrad de negentigjarige Dubois zelf het spreekgestoelte. Trots sprak hij over de veroverde rechten, verbitterd over de nog steeds voortdurende vernederingen, het blijvende onrecht. Met pijn over de tegenstellingen onder de gediscrimineerde etnische groepen zelf. Zijn hoop op een nieuwe samenleving op linkse grondslagen stak hij niet onder stoelen of banken. Zijn woord was hard en het werd niet door alle toehoorders op de juiste wijze verstaan. Zij hoorden alleen de buitenkant van het woord en niet de ziel ervan. Zij hoorden de vorm, inderdaad door de negentigjarige niet altijd even gelukkig gekneed, maar wat die vorm voorstelde, ontging hen. Maar het merendeel, de kunstenaars onder de toehoorders, herkende de creativiteit wèl, zagen de beeldhouwer van het zwarte volk aan het scheppen.

Wanneer men het over het ‘imago’ van Den Haag heeft, dan wil men wel eens vergeten dat dit ook de stad was waar in 1872 een week lang één van de belangrijkste congressen van de eerste socialistische internationale werd gehouden, de stad waar Vincent van Gogh zijn eerste schilderlessen kreeg, zijn diepst doorvoelde menselijke verbintenis had, waar hij onder de indruk van de ellendige omstandigheden waarin het werkende volk leefde, besloot met potlood en penseel die sombere werkelijkheid te lijf te gaan. Den Haag was ook de stad waar in 1920 onder voorzitterschap van Sigmund Freud het belangrijke 6de congres van de Internationale psychoanalytische Vereniging werd gehouden, en waar twee jaar later, 1922, Kurt Schwitters, vanuit de Kunstkring, gesteund door Vilmos Huszar, Nelly en Theo van Doesburg, zijn ‘Dada’-veldtocht zal ondernemen. Het is duidelijk dat in het sociaal culturele klimaat van zo’n stad een organisatie die het avant-gardiste in haar vaandel voert, altijd weer zal streven naar een maatschappelijke vrijheid die de ruimte biedt dit avant-gardisme te realiseren.
Den Haag is de stad waarin Carel Vosmaer als ‘Flanor’ steeds weer in opstand kwam tegen halsstarrig cqnservatisme en geborneerdheid, het is een stad waar een Louis Couperus in ‘De Boeken der Kleine Zielen’ de sociale kenteringen van zijn tijd weergeeft in de levensonvoldaanheid die zijn figuren van binnenuit sloopt. De stad verder, waar F. Bordewijk in de dertiger jaren met ‘Blokken’ en ‘Bint’ een der eerste voorvechters zal worden van de nieuwe zakelijkheid in de literatuur, proza in staal en betonbouw.

Bordewijk was al vanaf 1940 lid van de Kunstkring. Op 1 april 1954 wordt hij er ter gelegenheid van zijn zeventigste verjaar dag gehuldigd op een bijeenkomst georganiseerd in samen werking met de Haagse Boekhandelaars in het kader van de Boekenweek. Bij deze gelegenheid wordt hem het erelidmaatschap aangeboden. Bordewijk zelf hield aan het slot een van zijn lucide toespraken. De huldiging blijkt hem een ‘gevoel van onwezenlijkheid te bezorgen. Want de kunst en vooral de letterkunde is minder het produkt van ontwikkeling en ijver, waarop men zich zou mogen beroepen, dan wel van een gave. Dit geeft de kunstenaar aanleiding tot bescheidenheid.’ En over het proza dat wordt geschreven, zei hij: ‘Wij hechten nog te veel aan woordkunst, fraaie vorm en interessante stijl, en te weinig aan het spannende, boeiende en originele in ons verhalend proza’.
Zaterdag 23 november 1951 is het Dr. Victor E. van Vriesland die ter gelegenheid van zijn 65ste verjaardag en ter inleiding op het verschijnen van zijn verzameld kritisch en essayistisch proza onder de titel ‘Onderzoek en vertoog’, het middelpunt is. De titel van de avond is ‘Gesprek over Victor E. van Vriesland’ en Bert Bakker zit ‘het gesprek’ voor. Deelnemers zijn J. B. Charles, Sem Dresden en Gerrit Kamphuis, terwijl Van Vriesland uiteraard geen zwijgende rol vervult. Een citaat van een ‘pers stem’ over deze avond: ‘De heer J. B. Charles had nogal wat kritiek op de figuur van dit ‘gesprek’: want wie zijn wij om te oordelen over deze Victor Emanuel, die niet uit Italië en evenmin uit Friesland afkomstig is? ‘Hij staat toch niet terecht’, riep hij uit om (naderhand) een gedicht van hem te gaan zingen, ofschoon een zanger in hem totaal verloren is gegaan’.
In februari 1959 huldigde de Kring Louis de Bourbon, laatste romanticus met het grote, gulle hart. Drie maanden later, in mei 1959, was het de beurt aan Fie Carelsen, die toen als erelid werd geïnstalleerd. Tot ‘lid van verdienste’ werd benoemd op 27 april 1960 Ir. J. L. M. Feber, letterkundige zowel als oud-wethouder van Den Haag, medeoprichter van o.a. ‘Van onze tijd’ (1899-1920) en ‘De Beiaard’ (1916-1926). Ere wie ere toekomt.

Het waren echter geenszins alleen letterkundigen die de aan dacht van de Kring kregen. Op 3 juni 1955 werd er een causerie gehouden door de architect H. Th. Wijdeveld. waarin deze op zijn eigen, boeiende wijze verschillende onderwerpen samen vatte onder de titel: ‘Uit mijn leven, het gevecht met de idee’. Wijdeveld, die van 1907 tot 1930 lid was van de Haagse Kunstkring, is vooral de eerste jaren zeer aktief geweest in de Kring. Na afloop van zijn causerie werden dan ook heel wat herinneringen aan die tijd opgehaald.
Aandacht is er ook voor een pionier van het Nederlandse muziekleven, oud-dirigent van het Residentie-Orkest (1910- 1935), erelid van de Haagse Kunstkring: Dr. Peter van Anrooy. Bekend als componist van de virtuoze Piet Hein Rhapsodie, slechts weinigen kennen echter zijn piano-kwintet en zijn volks liedbewerkingen voor piano, die op het programma stonden van de Thé Musical die de Kring op 26 januari 1954 aan hem wijdde, waarbij Van Anrooy zelf zijn volkslied bewerkingen speelde. Geen, die deze avond heeft meegemaakt, zal hem kunnen vergeten. Niet alleen vanwege het voortreffelijk musiceren, maar vooral door de markante figuur van Peter van Anrooy zelf, zoals hij, ongehoord vitaal, enigszins nasaal sprekende met losse, zéér overdachte opmerkingen de ‘Thé Musical’ dirigeerde en tegelijkertijd educatief bezig was.
De muziekafdeling van de Kring was altijd een van de meest actieve. Chris Verhoog schetste al haar geschiedenis tot aan de oorlog. Het beeld van haar activiteit na 1945 moge blijken uit noemen van enkele namen van musici, die in de loop der jaren voor haar optraden: John van Kesteren, Cora Canne Meyer, Jo Vincent, Ellen MacGillavry, Jaap en Haakon Stotijn, Geza Frid, Thomas Magyar, Lola Bobesco, Jacques Genty, Roland Puig, Herman Schey, Henriëtte Sala, Max Orobio de Castro, Sam Swaap. Een afdeling die onder voorzitterschap van Paul Niessing, niet alleen een bekwaam vakman, maar tevens een met gevoel voor organisatie, bloeide en groeide. Een afdeling die, toen Theo Olof met de gehele Residentie Orkest-bezetting kwam binnen stappen, won aan veelzijdigheid en kwaliteit.
Wat geldt voor alle terreinen van de kunstbeoefening, geldt ook voor de muziek: zij is een nieuw tijdperk ingegaan. De Weense school, Schoenberg’s dodecafonie. lves, tonale en atonale elementen, verwerken van volksmuziek; Satie, ironisering van de ivoren toren; Stockhausen, Boulez, Nono, de avantgarde. Weer vindt de HKK-afdeling Muziek onder de jongere generatie de juiste bestuursleden: Chris Verhoog en Otto Ketting. Beiden zochten steeds bewust naar muziekvormen waarbij de creativiteit van het publiek wordt ingeschakeld, zodat hetgeen dat wordt vertolkt door hen wordt ‘beleefd’, hen engageert.
Een van de belangrijkste doelstellingen van de Kring was van ouds de samenwerking tussen de afdelingen onderling. Het vaakst kwam dat tot uiting in de organisatie van de diverse manifestaties, de reeds genoemde Mei-herdenkingen, huldigingen. Een voorbeeld van samengaan, was het in februari 1957 gehouden ‘Het uur explosief’, een keuze van poëzie uit Neder landse, Engelse, Franse en Duitse avant-gardistische literatuur, door Hélène Oosthoek in experimentele vorm gebracht: ’tekens’ van Willem Hussem, in lichteffecten mobiel wordend; elektronisch geluidsdekor.
Samenwerking was er behalve tussen de leden en de afdelingen van de Kring onderling ook met andere organisaties, om dat de Kring er altijd op uit was het aantal samenwerkings partners te vergroten. Het waren (en zijn) er velen.
In dit kader van zoeken naar samenwerkingspartners moet zeker ook worden gezien het in de vijftiger jaren bestaande nauwe contact met de ‘Rotterdamse Kring van Auteurs’: kern van de Rotterdamse Kunstkring, waarvan Anna Blaman presidente was. Over en weer werden bezoeken gebracht en bijeenkomsten bijgewoond. Vast aanwezig Anna Blaman, Alfred Kossmann en Adriaan van der Veen. De laatste tevens een tijd lang bestuurslid van de literaire afdeling van de Haagse Kunstkring. Hier dient ook gememoreerd de samenwerking met de Belgische Ambassade, die na 1945 wel zéér hecht is geweest.
De Haagse Kunstkring heeft op talloze bijeenkomsten, al dan niet georganiseerd in samenwerking met andere organisaties, willen aantonen dat de Nederlandstalige literatuur van ‘Noord’ en ‘Zuid’ inderdaad ‘één’ literatuur is. Derhalve zag hij een hele rij Nederlandstalige Belgische schrijvers in zijn midden: Raymond Brulez, Gerard Walschap, Marnix Gijsen, Karel Jonckheere, Hubert Lampo, Maria Rosseels, Gaston Durnez, Jan Walravens, Hugo Claus, Jos Vandeloo, Paul de Wispelaere, Weverberg, Jef Geeraerts. Een reeks evenementen die een bekroning zou vinden in de in 1968 te houden tentoonstelling ‘Het Nederlandstalige boek en tijdschrift in België’.
Zoveel mogelijk heeft de Kunstkring altijd nagestreefd ‘instructief’ te zijn. Een paar voorbeelden slechts, want het is veelvuldig èn in de meest verschillende vormen gebeurd.
Op 3 maart 1952 werd een discussie gehouden tussen de uit gevers (ook onderling) Bert Bakker en G. A. van Oorschot en de auteur W. F. Hermans over het onderwerp ‘Mogen uitgevers van letterkundige tijdschriften censurerend optreden?’ Van Oorschot, figuurlijk gesproken met zijn rechtervoet op het ver zameld werk van Menno ter Braak en met zijn linker op het complete oeuvre van Du Perron, betoogde: ‘Als ik het woord censuur maar hoor, word ik al kwaad. Censuur leidt tot publicatieverbod, broodroof en iets verder tot gevangenisstraf en de rest. We hebben vrijheid van drukpers en iedere censuur is uit den boze’.
Instructieve avonden van allerlei soort volgden. Op 23 september 1952 over ‘literatuur en kritiek’ (deelnemers: Prof. Dr. N.A. Donkersloot, Adriaan van der Veen, Jos Panhuysen en Corn. Basoski). Op 19 december 1952 Paul Citroen over ‘Het ontstaan van nieuwe vormen in de schilderkunst’. In 1953 sprak de Franse literator Michel Carrouges over ‘Le surréalisme et la mystique du sur homme’, waarin hij uiteenzette dat men het surréalisme niet zozeer als een school in de schilderkunst of een richting in de poëzie moest beschouwen, maar als een kader van de intelligentie. Een klein jaar later, op 21 januari 1954 sprak Pierre H. Dubois voor de Haagse Kunstkring over ‘De auteur, zijn drijfveren, taak en verantwoording’, waarin hij naast zijn algemene visie op de literatuur ook analyses van eigen werk (met name Een houding in de tijd’) gaf.
Gerichte aandacht voor het toneel is er altijd binnen de Kring geweest. Voor de oorlog stond een Albert Vogel Sr daarvoor garant, terwijl namen als Willem Rooyaards, Arnold Willem Stelwagen, Eduard Verkade voor zich zelf spreken. In de dertiger jaren was Eduard Veterman, regisseur, decorontwerper, toneelschrijver in de Kring aktief, onder meer sprekend over ‘Ontwerpen voor theater, toneel en cinema’. Cor van der Lugt Melsert was in zijn Haagse jaren al evenzeer een graag geziene gast op de Kunstkring.
Hoezeer de Kring ook op vertrouwde voet staat met het jonge toneel in haar experimenteelste vormen blijkt uit een van de interessantste initiatieven, die door Kunstkringleden werden genomen: de voorstellingen van de groep ‘Scarabee’.
Naast de experimenten moet er natuurlijk altijd ook een tentatief aftasten zijn, de noodzakelijke terreinexploitaties, die vooraf dienen te gaan aan een operatie-toekomst. In de Kring gebeurde dat meestal in de vorm van forums. Aan dat over ‘Hoe komen wij tot een levend toneel van eigen bodem’ (7 augustus 1954) namen deel Ary den Hartog, Paul Steenbergen, Jan Retèl, Wim Vesseur, Karl Guttmann, Ed. Hoornik en Bert Voeten. Hoornik merkte er op dat een Nederlands theater dat uit zichzelf niet de behoefte gevoelt om Nederlands toneel te presenteren, dreigt te ontaarden in een virtuoos produktie apparaat.
In het forum ‘Aspecten van de dramaturgie’ (12 november 1954), net als het vorige gehouden in samenwerking met Het Nederlands Toneelverbond, namen zitting Ary den Hartog, Mary Dresselhuis, Anna Blaman, Ben van Eysselsteyn, Dr. W. H. Pos, Johan de Meester en Fred Engelen. Anna Blaman ging o.a. in op het introverte karakter van de roman en het extraverte van het toneelstuk, waarbij zij uitvoerig het verschil tussen romandialoog en toneeldialoog uitlegde. De Meester merkte op dat de Nederlandse mentaliteit weinig ruimte laat voor het experimentele, naar aanleiding waarvan Joris Diels in het ge weer kwam met de mededeling dat men in Nederland alles kan spelen … omdat het publiek zo kritiekloos is. Onder de belangstellenden in de zaal was ook Eduard Verkade ‘still going strong’.
Op 20 april 1956 werd een Internationaal Symposium over Nationaal toneel gehouden, waaraan o.a. Kenneth lreland, general manager van het Pitlochry Festival Theatre, en Wilhelm Michael Mund, intendant van het Theater der Jugend, Remscheid, deel namen.
Enkele jaren daarvoor had de Kunstkring twee andere buitenlanders in zijn midden. Na afloop van voorstellingen bij de Haagse Comedie zochten toen Peter Sjaroff, de ‘grijze eminentie’. en Erwin Piscator, de schepper van ‘Das Politische Theater’ als pleisterplaats de sociëteit van de Kunstkring op.
Later zouden er de beste contacten worden gelegd met Erik Vos en Kees van Iersel. Onder de regie van de laatste werd op vrijdag 23 september 1960 in het Kurhauspaviljoen door de Experimentele Toneelgroep ‘TEST’ een openbare voorstelling gegeven met maar liefst drie oorspronkelijke een-akters van Nederlandse auteurs:
Het Huis door Sybren Polet
De Seinpaal door Paul Rodenko
De Knop door Harry Mulisch
Hierin traden op: Fien Berghegge, Shireen Stroker, Henk van Ulsen en Johan Walhain. De voorstelling stond onder auspiciën van het Nederlands Toneelverbond, het Nederlands Centrum van het Internationaal Theater Instituut en de Vereniging Haagse Kunstkring.

Aandacht ook, gerichte aandacht voor andere facetten van het theater. Vóór 1940, na 1945. Vóór 1940 vinden wij als groot voordrachtskunstenaar Albert Vogel Sr met voordrachten uit het werk van Dante, Heine, Shakespeare, Hegenscheidt, Peguy, en natuurlijk ook … Couperus. Albert Vogel Jr heeft het als het ware als erfelijke cultuurbagage meegekregen. Verder, wij zullen hen ook na 1945 weer meerdere malen op de Kunstkring horen, Nel Oosthout en de zéér jeugdige Maud Cossaar. Voor een lichte toets zorgde Willy Corsary met cabaretliedjes. Daar entegen, aan de vooravond van de oorlog, geladen, gebracht als lied, als voordracht, als dans: Lin Jaldati met ‘Joodse kunst’.
Na 1945 een hele rij namen, gasten en leden. Onder die leden vooral weer Albert Vogel, Maud Cossaar, Hélène Oosthoek, een drietal dat ook bestuursfuncties zal bekleden. Enkele hoogtepunten:
Albert Vogel: Zijn vertolking van Boutens/Voormolen: ‘Beatrijs’. Zijn Tsjechov-vertolking. In 1954 zijn ‘Hamlet’. in de zaal aanwezig, hij zal later met bewondering over de vertolking schrijven: Cor van der Lugt Melsert. Verder, een hele reeks van weergaven: Hans Christian Andersen, Heinrich Heine, Rainer Maria Rilke, Gustave Flaubert, Herman Gorter, Aart van der Leeuw, Leopold, Marsman, Martinus Nijhoff, A. Roland Holst en … Louis Couperus.
Maud Cossaar: Graag draagt zij voor uit het werk van een auteur, als deze daarbij zelf aanwezig is. Brengt de literatuur niet alleen esthetisch, maar in een educatief kader, waardoor het kunstwerk meer reliëf krijgt. Avonden o.a. met Guillaume van der Graft, Raymond Brulez, Bordewijk, Theun de Vries, Willem Hussem, Paul Rodenko, Nico Wijnen. Daarnaast grote aandacht voor het werk van pas beginnende·jonge dichters. Hen op die wijze meer zelfvertrouwen gevend.
Hélène Oosthoek: Hoogtepunten, haar spel met ‘maskers’. Haar opvoering van Euripides’ ‘lphigeneia’, waarin zij zeven rollen speelde. Haar reeds genoemde ‘Het uur explosief’. Ook zij grote aandacht voor de jonge dichters.
Poppentheaters: schimmen – handpoppen – mairionetten
Voor de oorlog, al op 8 en 9 maart 1924, trad op in de Haagse Kunstkring: Frans ter Gast met het schimmenspel ‘De gestrafde hebzucht’. Van der Gast heeft de kunst van het schimmenspel tot de hoogst denkbare perfectie opgevoerd. Hij was de laatste koning van het roemrijke geslacht der schimmenschuivers.
Na de oorlog zien we in de Kring Don en Ly Vermeire optreden. Nico Wijnen, Rico Bulthuis schrijven teksten voor hen. Vermeire en zijn vrouw hadden bijzonder groot succes met hun opvoering van de poppenopera ‘Die Kluge’, die door de pers als een ‘Gesamtkunstwerk’ werd geprezen.
Den Haag en de dans. Ook hiervoor was in de Haagse Kunst kring volop belangstelling. Het volwassen worden van de Nederlandse danskunst, het Nederlands Ballet. Het internationaal naam krijgen, is uit de aard van deze kunst – de vereisten van een dansstudio, grote podia e.d. – vanzelfsprekend iets waarop de Haagse Kunstkring geen invloed heeft uitgeoefend, noch kon uitoefenen. Wel was er, zoals altijd, gerichte aandacht voor de danskunst.
Vóór 1940 vinden wij bijvoorbeeld reeds in 1918 op 15 december vermeld een ‘Soirée moderne’, waar Jaap Kool ideeën over moderne danskunst ten beste geeft en Grit Hegesa ‘Expressionistische dansen’ laat zien. Op 25 januari 1920 brengt Raden Mas Jodjana de leden van de Kring in vervoering met zijn verfijnde Indische danskunst. In 1920, op 25 februari zowel als 5 maart, geeft niemand minder dan Peter Leoneff hier dans recitals. Wanneer in 1937 de ‘ereavond: Wilem van Konijnenburg’ wordt gehouden danst daar op diens verzoek Darja Collin. En op 23 maart 1940, nauwelijks een maand later zal het oorlogsgeweld over ons land razen, treedt voor de Kring op Han Rijnbeck, een van de weinige danseressen in Nederland die, dankzij haar grote expressiviteit, het verstaat bij het zeggen van gedichten hen plastisch gestalte te geven. Na 1945 is zij weer voor de Kunstkring opgetreden. Dan was er het ‘Haags Danstrio’, een initiatief van Jennie Simonis, dat gespecialiseerd was in ‘Korte Arabesken’ om eens een Couperiaanse term te gebruiken). Het trio werkte 5 juni 1954 mee aan de avond ‘De blijde muzen’, Jennie Simonis, nu in Australië actief als danspedagoge, verwierf daar internationale faam. Naast het presenteren van het lokaal aanwezige danspotentieel was er evenzeer aandacht voor hetgeen zich op ‘nationaal’ niveau ontwikkelde. Toen een brand heel de have en goed van het Scapino Ballet vernietigde werd in samenwerking met Pulchri, het HCC en de Academie op 23 februari 1954 een benefiet avond gehouden, die mede dankzij de medewerking van actrice Willie Haak, chansonnière Georgette Hagedoorn, gitarist Koos Tiggers en het marionettentheater van de Vermeire’s een groot succes werd.

In later jaren was er voortdurend contact met het Nationaal Ballet, dat toen nog Het Nederlands Ballet heette. Dit was begin vijftiger jaren naar Den Haag verhuisd ‘omdat deze stad ons een belangrijke subsidie geeft’. Sonia Gaskell zal dan ook enkele malen haar werk voor ons toelichten.
Wanneer wij steeds stelden dat in iedere periode van de geschiedenis van de Haagse Kunstkring in de ontvouwde activiteiten een stuk ontwikkeling zat ingebouwd, hangt dit samen met het feit dat aan die activiteiten duidelijk bepaalde motivaties ten grondslag lagen, welke kenmerkend waren voor de organisatorische structuur van de Haagse Kunstkring in de jaren na 1945. Niet alle zullen zij bewust zijn herkend als beweegredenen voor handelen, hetgeen echter niet wegneemt dat zij daarom wel de voortdurende drijfveren voor handelen zijn geweest.
deze uitgave van Haagse Kunstkring werk verzameld uit 1977 kwam tot stand met speciale steun van:
Anjerfonds ‘s-Gravenhage
Dr. H. P. Berlagestichting
Jan-Campertstichting
Prins Bernhardfonds
Jacob Marisstichting