Eerste afdeling: schilder en beeldhouwkunst
Uitgegeven in 1977 door de Dienst der Schonen kunsten ’s Gravenhage

Eerste afdeling ; schilder en beeldhouwkunst van De Bock tot Berserik
Door Ronald de Leeuw
Op 1 mei 1891 werd Den Haag een kunstenaarsvereniging rijker 1). Naast het gerenommeerde ‘Pulchri Studio’, sinds jaar en dag het onaangetaste bolwerk van de Haagse School, werd er nu door 14 heren in een rokerig zaaltje boven Café Riche op het Buitenhof de ‘Haagsche Kunstkring’ opgericht. De statuten van de nieuwe vereniging noemen als doel ‘de bevordering van: schilderkunst, beeldhouwkunst, fraaie letteren, toonkunst, kunstindustrie en van aansluiting bij en samenwerking tusschen de beoefenaren dier verschillende kunsten’. Daarmee had de Haagsche Kunstkring zijn doel meteen duidelijk ruimer geformuleerd dan ‘Pulchri’ dat qua opzet alleen een schilders vereniging was. De wederzijdse beïnvloeding van kunstenaars van verschillende disciplines was een typische gedachte van het einde der negentiende eeuw, zoals die vooral door Wagner, met zijn Gesamtkunstwerk, en in ons land door de beweging van Tachtig werd gepropageerd. De Kring is aan dit idee van verbroedering van· de kunsten tot op de huidige dag trouw gebleven, en nog steeds bepaalt het sterk het bijzondere karakter van de vereniging.
De veelzijdige activiteiten van de Kunstkring werden bij de oprichting verdeeld over vijf afdelingen, elk met een eigen bestuur, dat verantwoording schuldig was aan een Algemeen Bestuur.
Afdeling 1 was die der schilder- en beeldhouwkunst, waaronder ook tekenkunst en grafiek vielen. Deze zou in de geschiedenis van de Kring meestal de toon aangeven, hoewel hier heus niet altijd de meest interessante zaken aan de orde waren. De tweede afdeling omvatte de bouwkunst en kunst industrie (later herdoopt in kunstnijverheid), afdeling 3, de ‘fraaie letteren’ en afdeling 4 de ’toonkunst’. De belangrijkste uitbreiding onderging de derde afdeling, die in de loop der jaren behalve literatuur, woordkunst en toneel ook de dans kunst, het poppenspel en de film zou omvatten.
Een van de voornaamste manieren waarop de Kring hoopte de nagestreefde verbroedering tot stand te brengen was door ‘het houden van een Sociëteit voor gezellig verkeer der leden onderling’. Tot de leden werden hier zowel de kunstenaars (werkende leden) als de categorie der ‘kunstlievende leden’ gerekend, zonder wie de kunst nu eenmaal niet kan bestaan. De sociëteit was dan ook aanvankelijk een aparte, vijfde afdeling. Het was een tijd waarin de kunstenaars elkaar in een bloeiend café- en terrasleven intensief zagen. Het is dan ook niet toevallig dat de Kunstkring geboren werd in een café en dat zijn eerste thuis de tweede verdieping boven datzelfde café was.
Voornaamste onder de oprichters en eerste algemeen voorzitter van de vereniging was Théophile de Bock, een minor master van de Haagse School die onder meer bekendheid genoot en geniet om zijn Doorwerthse landschappen en zijn medewerking aan het Panorama Mesdag. Wat precies de motieven van hem en zijn eerste medebestuursleden (de schilders D. J. R. Jordens, J. Akkeringa en A. Lange en de Hagenaars, J. Th. Tromp en A. H. G. Hazelhoff Roelfsema) waren om een nieuwe kunstenaarsvereniging te stichten is niet meer geheel na te gaan. Wellicht was het een poging aan de monopoliepositie van Pulchri’s sterke man Mesdag te ontkomen. Men heeft het althans vaak als zodanig gezien. Het was bekend dat hij en De Bock tijdens het werk aan het ‘Panorama’ onenigheid hadden gekregen. Simon Moulijn schreef in zijn herinneringen aan de begintijd van de Kunstkring (katalogus jubileum tentoonstelling HKK 1941) dat veel kunstenaars, vooral de jongeren, uitwilden onder ‘het cachet van voornaamheid’ van Pulchri. Dit wilde nog geenszins zeggen dat men zich openlijk tegen de oudere vereniging keerde, of rebelleerde tegen de tradities van de Haagse School. De oprichters zelf en de meeste van de eerste leden waren ijverige beoefenaars van het haags impressionisme, en het merendeel was lid van zowel de een als de andere vereniging. Voor velen hunner zal het kunstkringlidmaatschap aanvankelijk niet veel anders betekend hebben dan een extra gelegenheid hun werk geëxposeerd te krijgen. Wel stonden de leden van de Kring vanaf het eerste begin op hun imago als ‘de jongere’ van de twee zusterverenigingen. Zoals Knuttel het formuleerde wilde men voor alles ‘onafhankelijkheid, fris en onofficieel’ zijn. Het is dan ook niet zo verwonderlijk dat kunstenaars die als kunstkringlid hun naam gevestigd hadden met het verliezen van de wilde haren de Kring – ondankbaar als kunstenaars soms zijn – verlieten en lid werden van Pulchri.
Hoe weinig aanvankelijk echter op een rivaliteit met de gevestigde orde werd aangestuurd blijkt wel uit het hommage dat voortdurend door de Kring aan de meesters van de Haagse School werd gebracht. In de eerste jaren van zijn bestaan organiseerde men tentoonstellingen van het werk van de gebroeders Maris, Jongkind, Weissenbruch en Mauve. Van de juist overleden Bosboom lagen de schetsboeken in 1891 in de kring uitgestald. Jozef lsraëls behoorde tot de trouwe bezoekers. Zelfs in de decoraties van de sociëteit van de Kring werd de band met het verre en nabije verleden benadrukt. Zo ontwierp P.P. Rink een wandschildering getiteld ‘De Apotheose van de Hollandsche Schilderkunst’, waarop enerzijds o.a. de gebroeders Van Eyck, Lucas van Leyden, Frans Hals en Rembrandt voorkomen, en verder de grootmeesters van de Haagse School acte de présence geven: de Marissen, Jozef lsraëls, De Bock, ja zelfs Mesdag ! Als laatste in de rij der prominenten is Toorop afgebeeld, die toen in de Kring een grote rol begon te spelen.

In de eerste jaren vonden die feesten voornamelijk plaats in de sociëteit, die met behulp van schilderijen en voorwerpen uit De Bock’s eigen bezit ‘allergezelligst’ was ingericht. Er hingen schilderijen van Akkeringa en Monticelli en de leestafel was voorzien van de belangrijkste kunsttijdschriften uit die tijd. Comfort was er verder in de vorm van ‘romeinsch zeil, echt turksche gordijnen, oud-hollandsche asbakken’ en een groot aantal schommelstoelen.
Aan deze decoraties werkten verder o.a. mee Arnold Koning, Pieter Josselin de Jong, die een naakte jongeling schilderde die zich laaft aan de bron der kunst en Theo van Hoytema. Deze laatste schilderde aan weerszij van twee deuren twee hoge panelen met vogels, die dag en nacht verbeeldden, verbonden door een heraldisch lint waarin de schilder J. M. Lion betoogde dat de kunstenaar in zijn kunst moet geloven. Deze decoraties waarvan we de beschrijving ook aan Simon Moulijn danken, hebben de Kring overigens niet lang gesierd. Ze werden sterk bekritiseerd vanwege hun gebrek aan onderlinge eenheid. De Bock merkte op: ‘men werkte zonder samenwerking: deze heeft er wat worteltjes, gene wat roode kool en op den duur zijn ze zeer vervelend’. In een financieel wat minder rooskleurige tijd werden de schilderingen vervolgens te gelde gemaakt. Ze waren het eerste voorbeeld van een lange rij van (meestal tijdelijke) decoraties die de kringleden in de loop der tijden ter opluistering van feesten of opvoeringen maakten Het fotoalbum van de Kring bewaart talrijke herinneringen aan deze meer en minder geïnspireerde improvisaties, o.a. enkele van Han van Meegeren uit de jaren twintig.



Op twee augustus 1891 opende de Kunstkring zijn eerste ledententoonstelling in de op de tweede verdieping gelegen tentoonstellingszalen: ‘Van de trap tot de zalen wees een sierlijke plantendekoratie den weg. En eenmaal in den zalen getreden, trokken het eerst den aandacht de beeldhouwwerken, die hoewel klein in aantal, getuigden van hoogst artistieke opvatting, en door planten en coniferen waren omgeven’.
De tentoonstelling gaf een vrij vertrouwd beeld van bekende Haagse namen uit die tijd als Akkeringa, Chr. Bisschop, De Bock, Poggenbeek, Suze Robertson, Floris Verster, Josselin de Jong, Willem de Zwart. 1500 bezoekers beklommen de trap, onder wie de groothertog van Saksen Weimar, wiens bezoek het prestige van de Kring natuurlijk veel goed deed. Terecht merkt Moulijn op: ‘van een modern streven der jongeren bleek toen nog niets’.
Over de totale kwaliteit van het gebodene was men na afloop ook niet helemaal tevreden. Een persartikel formuleerde het alsvolgt: ‘Het wonderbaar streven van sommige leden op de openingstentoonstelling had velen onder het publiek, die toch niet van smaak en kunstzin ontbloot zijn, wat schuw gemaakt en schichtig als patrijzen bij het einde der jachttijd’. De Bock zei ‘ene volgende expositie moet er beter uitzien dan deze. Wij beschikken nu eenmaal over kracht, en ‘k vermeen dat wij makkelijk onze uilenspiegels kunnen dresseren’. Dit laatste sloeg op De Bock’s vermoeden dat de schrijver van een ‘akelig’ artikel over de tentoonstelling in de Groene Amsterdammer, gezocht moest worden onder de ‘altijd revolutionaire leden’. Waarschijnlijk met het oogmerk het Haagse publiek vervolgens toch vooral een respectabel gezicht te tonen was de volgende tentoonstelling er een van de president en vicepresident van de vereniging zelf. De Bock toonde landschappen uit de omgeving van Doorwerth, Pieter Josselin de Jong was er met ‘machtig aangrijpende landschappen uit Drente en Limburg’, paardenstudies en illustraties. Het Haagse schilderkunstig establishment was present in de vorm van portretten van Bosboom en Jacob Maris.
Na deze tentoonstelling kregen Arnold Koning, zijn broer Edzard, Charles Dankmeijer en mevr. Bilders van Bosse ge legenheid hun werk te exposeren. Daarop volgde van 3 tot 17 april 1892 de tweede algemene ledententoonstelling. Het eerste verenigingsjaar leek rustig ten einde te lopen. Plotseling verraste men toen het kunstleven, en niet alleen het Haagse, met een opzienbarende tentoonstelling, de eerste uit een hele serie die de Kunstkring in de negentiger jaren een centrale plaats in het Nederlandse kunstleven zouden bezorgen.

Op 17 mei 1892 gingen de deuren van de Kunstkring open voor een tentoonstelling van 45 schilderijen, 44 tekeningen en 1 litho van Vincent van Gogh, de eerste die er van werk van deze toen nog zeer controversiële kunstenaars in ons land gehouden werd. Wel was Van Goghs werk door besloten kunstbeschouwingen en de kunsthandel al enigszins bij ingewijden bekend, maar de Kring had de primeur van de eerste echte tentoonstel ling. Eén recensent noemde het initiatief van de Kring een ‘stout bestaan’ omdat ‘spot en lach van de zijde van het publiek verwacht kon worden’. Pulchri, aan wie de tentoonstelling aanvankelijk was aangeboden, had geweigerd. De Kunstkring waagde het, al geeft het jaarverslag toe: ‘Het bestuur dezer afdeeling zag weliswaar den uitslag niet zonder eenige bezorgdheid tegemoet, maar reeds na een paar dagen bleek, dat deze onderneming zou slagen’. Met trots besluit het verslag: ‘Met deze tentoonstelling was het ijs der conventie voorgoed gebroken’.
De organisator van het al was Jan Toorop, die na een jarenlang verblijf in België, waar hij bij de kunstenaarsgroep ‘Les XX’ Van Goghs werk had leren kennen, naar Den Haag was verhuisd en de komende jaren een belangrijke impuls aan het kunstleven van de hofstad zou geven. Hij was echter zeker niet de enige die voor Van Gogh’s werk warmliep in de Kring. De literator P. A. M. Boele van Hensbroek, die zowel bij Pulchri als in de Kring thuis was, had Van Gogh’s ‘kleurensymfoniën’ nog tijdens diens leven in Parijs bewonderd. Zo ook Arnold en Edzard Koning, van wie de eerste zelfs enige tijd met Van Gogh in één huis woonde. Théophile de Bock had al in Vincent’s Haagse tijd zijn atelier voor hem opengesteld. In 1892 sprak de voorzitter over de ‘innige smart’ die hij in Van Gogh’s werk voelde, ‘hevig als aardbevingen werkte bij hem de phosfor’. Het was niet te verwachtén dat bij een eerste confrontatie de Nederlandse beschouwer het werk onmiddellijk zou begrijpen, toch waren de kritieken vrijwel zonder uitzondering goed. Jan Veth prees de Kring om de uitstekende keuze, die boven dien ‘met takt geschikt werd’; ‘… de lichte achtergrond, die men tegenwoordig in deze lokalen heeft, is uitstekend om zulke schilderijen tegen te zien’ (Amsterdammer, 5 juni 1892).

De tentoonstelling werd goed bezocht, en op ‘dubbeltjesdag’ (zondag, wanneer de entreeprijs verlaagd werd) dromden ook ‘de menschen uit het volk’ tezamen om Van Gogh’s kunst te zien, en zij hadden er kennelijk weinig moeite mee. In hetzelfde jaar volgde in Amsterdam in het Panorama-gebouw nog een tweede Van Gogh-tentoonstelling, die de roem van de schilder bezegelde. Toch was het in de daaropvolgende decennia vooral weer in Den Haag dat men de meeste aandacht aan hem schonk. De Kring bleef Van Gogh trouw door in februari-maart 1895 opnieuw werk van hem (180 ’teekeningen en krabbels’) uit de collecties van mej. Van Gogh, mevr. Theo van Gogh en Hidde Nijland te tonen. Uit het bezit van de laatste, één der vroegste verzamelaars van Van Gogh’s werk in ons land, werd in 1918 voor de Kring nog eens een tekeningententoonstelling samengesteld.

Ruim een maand na de Van Gogh-tentoonstelling van 1892 kwam de Kring al met een nieuwe primeur. Ditmaal introduceerde Toorop in Den Haag een aantal vooraanstaande kunstenaars uit de Brusselse groep ‘Les Vingt’, waarvan hij zelf ook deel uitmaakte, en de Antwerpse ‘Association de l’art’. In 1889 hadden enkele leden van deze Belgische avantgarde al in Amsterdam geëxposeerd, maar de tentoonstelling van 1892 was van bijzonder belang omdat het Nederlandse publiek hier voor de eerste maal op ondubbelzinnige wijze werd geconfronteerd met het neo-impressionisme. Op de onlangs gehouden tentoonstelling ‘Licht door kleur’ werd over de betekenis van deze tentoonstelling voor het Nederlandse luminisme uitgebreid verhaald. Er was werk te zien van Signac, Lucien Pissaro, Henry van de Velde, Theo van Rijsselberghe en hun aller meester, de juist overleden Georges Seurat. Opvallend is overigens dat Toorop zelf, die in de voorafgaande jaren uitgebreid met het pointillisme bezig was geweest, straalde door afwezigheid. Hij had zich inmiddels met volle overtuiging in symbolistisch vaarwater begeven, waarvan de omslag die hij voor de catalogus van deze ‘Les Vingt’ tentoonstelling maakte, getuigt. Het is namelijk één van de vroegste voorbeelden van symbolisme in onze vaderlandse grafiek, en dankzij deze tentoonstelling in de Kunstkring is de poort waaronder op deze omslag een fraaie ridder de nieuwe kunst tegemoet rijdt getooid met een Haagse ooievaar.

Een ander werk van Toorop dat in deze tijd in de Kring te zien was en dat getuigt van zijn banden met ‘Les Vingt’ is het schilderij ‘Lenore’. Dat was gebaseerd op de gelijknamige ballade van Bürger, waarnaar Henri Duparc een symfonisch gedicht componeerde. Toorop heeft hiervan waarschijnlijk in Brussel een uitvoering bij ‘Les Vingt’ bijgewoond, met o.a. Vincent d’lndy aan de piano. Deze laatste was in deze tijd ook te gast bij de Kring, evenals Ernest Chausson. Bij d’lndy zou Toorop’s dochtertje Charlie later nog vioolles krijgen. Van de concerten bij ‘Les Vingt’ nam men overigens in Den Haag de gewoonte over concerten te geven temidden van de schilderijen van kunstbroeders, een symbolisch gebaar in een periode dat de kunsten elkaar voortdurend de hand reikten.

Symbolistisch was behalve de omslag van de ‘Les Vingt’ tentoonstelling ook minstens het werk van één der exposanten, Odilon Redon, maar over hem straks meer. Eerst dient nog een nieuwe primeur vermeld: bescheiden opgehangen in het vestibuulzaaltje van de Kring waren, tegelijkertijd met de ‘Les Vingt’ tentoonstelling, voor de eerste maal in ons land een aantal affiches van Toulouse Lautrec te zien.

Tijdens de tentoonstelling hield Henry van de Velde een lezing over het onderwerp ‘Le paysan en peinture’ waarbij hij vooral inging op de door Van Gogh zo bewonderde Millet. Bij deze gelegenheid ontmoette Van de Velde o.a. Richard Roland Holst en Johan Thorn Prikker. Vooral het contact met de laatste zou leiden tot een zeer vruchtbare samenwerking.

1892 was duidelijk een geslaagd jaar voor de jonge vereniging, die door het ontplooien van al deze activiteiten meteen de leiding had genomen in de artistieke avant-garde van het moment. Wel moet men altijd bedenken dat het een van de karakteristieke trekken van een kunstenaarsvereniging als de Haagse Kunstkring was en is dat men er in tegenstelling tot een schilderkunstige ‘beweging’, die bijeengehouden wordt door één artistiek credo, verschillende richtingen binnen één vereniging aantreft. Generaties en stijlen overlappen elkaar, en maken het moeilijk te spreken van een duidelijk ‘gezicht’. Zo kan men aan de ene kant klachten over ‘malaise’ horen terwijl in een andere hoek van dezelfde vereniging interessante ontwikkelingen te bespeuren zijn. Speelde dit aspect bij ‘Pulchri’ als thuis van een duidelijke school, de Haagse, een veel minder belangrijke rol, een overzicht van de activiteiten van de Kunst kring toont vooral na 1892 een duidelijke gespletenheid. Haags impressionisme en laat negentiende-eeuws naturalisme vindt men er tegelijk met pointillisme en symbolisme. Daarnaast besteedde men er ook betrekkelijk veel aandacht aan kunst uit een veel verder verleden, zoals in december 1891 toen een collectie oude prenten (verz. H. Dirksen) te zien was, waaruit door Jozef lsraëls en Albert Verwey Rembrandt-etsen werden gekocht, terwijl Toorop en De Bock gravures van Dürer verwierven.

De eerste ledententoonstelling van het seizoen 1892-93 (opening 24 september 1892) toonde duidelijk de doorbraak van het symbolisme, al was er ook werk te zien van Haverman, Dankmeijer, Suze Robertson, A. Hijner, Willem de Zwart en de beeldhouwer A. W. M. Odé. Toorop exposeerde enkele van zijn beroemdst geworden symbolistische werken zoals ‘De tuin der oude weeën’, ‘Les Ródeurs’ (eigendom van Frederik van Eeden), ‘O grave where is thy victory’ en het al eerder genoemde ‘Lenore’. Thorn Prikker stond met zijn mystiek/religieuze ‘Zingende serafijnen’, ‘Madonna’ en ‘Kruisiging’ wel heel veraf van het gemiddelde Haags portret of landschap. Jammer genoeg was een ruzie binnen de Kring er de oorzaak van dat hij hier de rest van de negentiger jaren niet meer exposeerde. Zijn werk en dat van Toorop inspireerde in korte tijd tallozen binnen en buiten de Kring. Tegenover zijn vriend Henri Borel beklaagt Thorn Prikker er zich over hoe met name H.A. Daalhof (tot na de tweede wereldoorlog lid van de Kunstkring) ‘de vreeselijkste namakerijen’ van Toorop en hem had geëxposeerd (een titel als ‘O ziel die uitsloeg in branden van rein leven’ uit een catalogus van de Kunstkring liegt er ook niet om).

Op het werk van anderen was de invloed gelukkig waardevoller. De vriendschap met Toorop inspireerde Floris Verster tot enkele prachtige pastels. Tussen Verster’s broer, de heraldicus Cees Verster, en de Kunstkring bestonden trouwens eveneens banden. In de zomer van 1892 had deze in de Kring een heraldisch-sfragistische tentoonstelling gehouden. De door hem als conservator van de Leidse Lakenhal georganiseerde eenmanstentoonstelling van Toorop werd in het voor jaar van 1894 door de Kring in een uitgebreidere versie over genomen. Tijdens deze drukbezochte tentoonstelling hield Toorop’s Belgische vriend en voorman van het blad ‘Van Nu en Straks’, Emile Verhaeren, een conférence.

P. C. de Moor en Simon Moulijn, beiden van oorsprong Rotterdammers en beiden daar in 1866 geboren, raakten elk op hun manier onder de bekoring van Toorop’s symbolisme. Moulijn paarde in zijn werk een Haagse natuurgetrouwheid aan een symbolistisch/decoratief gevoel. In de fraaie serie litho’s ‘De Duno’ die hij in 1895 in de Kring liet zien, toont hij een verstilde, parkachtige natuur die ook niet veraf staat van sommig werk van Verstar. Bij P.C. de Moor is het meer Toorop’s conceptie van de ‘femme fatale’ die indruk maakt, zoals we kunnen opmaken uit een titel als ‘hellewijf’ en uit de boosaardige dame die ons aan staart op een omslag die hij voor een kunstkringkatalogus maakte. In een veertiental tekeningen bij het sprookje ‘De Triomf van de List’ die hij in april 1893 exposeerde herkende een recensent symbolisme, mysticisme, prae-rafaelistisme en japanisme, hetgeen aardig overeenstemt met wat De Moor zelf over de Kring opmerkte: ‘(Het was) een tijd dat je overstroomd werd met nieuwe ideeën’.
Etienne Bosch (1863-1933), Boschje voor zijn vrienden, was o.a. zeer door het werk van Maeterlinck geboeid, dat in deze tijd ruime aandacht kreeg van de literaire afdeling. In 1896 toonde hij op de Kring een ‘Pelléas en Mélisande’. Op een in 1893 geëxposeerde ‘Japonnerie’ heeft wellicht ook de in augustus-september van dat jaar gehouden tentoonstelling van japanse prenten uit de collectie van de Parijse kunst handelaar Samuel Bing enige invloed gehad. Bij deze gelegen heid besteedde de Kring als eerste op grootscheepse wijze aandacht aan de japanse houtsnede. De invloed die japanse motieven en kompositiewijze de komende jaren op alle takken van beeldende kunst in Nederland zou hebben, hoeft hier niet meer uiteengezet te worden. Men denke alleen maar aan het Rozenburg-aardewerk (Jurriaan Kok was van augustus 1893 tot augustus 1894 algemeen secretaris van de vereniging, na daarvoor al penningmeester te zijn geweest).
De houtsneden-tentoonstelling werd aangevuld met ‘voorwerpen van oosterse kunstnijverheid’ uit diverse Nederlandse verzamelingen. Hieruit zou ook later nog vele malen geput worden voor tentoonstellingen van Chinese en Japanse kunst (o.a. uit de coli. A. Kuyper en A. Steehman in 1902, Kleykamp in 1904, Henri Borel in 1913 en August Heyting in 1919 en 1920).

Terugkerend tot de ledententoonstelling van het najaar 1892 dient nog één belangrijke exposant genoemd, Theo van Hoytema, die jarenlang actief bij het kringgebeuren betrokken was, en wiens bijdrage aan de decoratie van de lokaliteiten van de Kring al werd gesignaleerd. In 1892 exposeerde hij o.a. zijn baanbrekende boekje ‘Hoe de vogels aan een koning kwamen’, waarin het opnemen van de tekst binnen het raam van de illustratie voor die tijd revolutionair mocht heten. De Kring kon overigens bogen op een elite aan illustratoren in deze tijd. Wij noemden al Toorop, Thorn Prikker, Moulijn, Edzard Koning, maar ook Marius Bauer, J. G. Veldheer en Wenckebach waren in deze tijd lid. In februari 1896, het jaar van Bing’s ‘Exposition International du Livre moderne’ wijdde de Kring een zeer ver zorgde tentoonstelling aan oude en nieuwe boekbanden, waar voor D. F. Scheurleer de catalogus maakte.



In de loop van dit verhaal kwamen al enkele malen de internationale kontakten van de Kring (Les Vingt, Samuel Bing) ter sprake. De statuten noemen uitdrukkelijk: ‘het aanknopen van betrekkingen zoowel binnen als buiten het Rijk’. Op de belangrijke rol van Toorop hierbij wezen we reeds. Tegelijkertijd met de Van Gogh-tentoonstelling waren in de zalen van de Kring ‘etsen van buitenlandse meesters’ te zien, een jaar later gevolgd door grafiek van Rops, Ibels, Pissaro, Steinlen, Vallotton en Lunois. Franse illustratoren als Daumier, Steinlen en dè thans minder bekende H. S. lbels waren zeer populair in de Kring en kregen eigen exposities. Tijdens de ledententoonstelling van het najaar van 1893 was ook werk van Renoir, Monet, Sisley en Pissarro te zien.

Op initiatief van Saar de Swart, de muze van Tachtig, werd van 20 mei tot 1 juli 1894 een grote Odilon Redon-tentoonstelling in de Kring gehouden. Op de ‘Les Vingt’-tentoonstelling was al werk van hem getoond, maar de nieuwe tentoonstelling was ‘de volledigste die tot nu toe van werken van Redon georganiseerd werd’, en volgde onmiddellijk op de eerste Redon tentoonstelling die in Parijs was gehouden bij Durand-Ruel. Er werd o.a. geleend uit de collecties van twee van Redon’s oudste Nederlandse vrienden, Ary Prins en A. Bonger. Edmond Picard, wiens ‘Le Juré’ Redon illustreerde, hield een lezing over de schilder op 30 juni. Aan de informatie die Redon hiervoor aan Picard verschafte danken wij nu nog veel van onze kennis over het leven van de kunstenaar.

De tentoonstelling was een groot succes, wat o.a. blijkt uit het grote aantal nabestellingen van litho’s dat de Kring halverwege de tentoonstelling deed.
In december 1894 exposeerde de Belgische symbolist Charles Doudelet samen met Franz Melchers op een tentoonstelling die ging onder de naam ‘Geluksdroomen’. Op voorspraak van Melchers meldde zich in 1895 de jonge Albert Plasschaert aan voor het lidmaatschap van de Kring, waarbij één van de eerste werken die hij inzond getiteld was ‘Vicieus Veere’ …
Soms werd een beroep gedaan op de Haagse kunsthandel. In maart 1895 toonde men in samenwerking met Van Wisselingh tekeningen, houtsneden en pastels van de Engelsen Shannon, Ricketts en Rothenstein. In 1896 werkte dezelfde firma mee aan een grafiektentoonstelling (deze gingen bij de Kring meestal onder de naam ‘Zwart-en-wit’) waarbij weer werk van Redon, Pissarro en Shannon te zien was, en van Nederlandse kant o.a. Roland Holst exposeerde. De tentoonstelling werd overgenomen door de Rotterdamse Kunstkring, met wie men het jaar daarvoor al had samengewerkt in verband met een Mauve-tentoonstelling.



Al deze activiteiten culmineerden in juli en augustus van 1895 in een grote ‘Internationale Invitatie Tentoonstelling’ die op initiatief van de Kunstkring werd gehouden in het gebouw van de Academie van Beeldende Kunsten aan de Prinsessegracht. De grootst mogelijke verscheidenheid aan contemporaine kunst uit binnen- en buitenland was hier bijeengebracht. De Arnhemse krant meldde: zoo heeft ook het Bestuur van den Kunstkring thans gezegevierd op alles wat bekrompen, kleinzielig en eenzijdig was op ’t gebied der kunstappreciatie. Het drabbige sop laat zij vèr achter zich. Deze zeer bijzondere tentoonstelling is als een bres die door een welgerichten kogel werd geschoten!’. Mr. W. F. G. W. Snijder van Wissenkerke, een niet-kunstenaar die vanaf november 1894 het algemeen voorzitterschap van De Bock had overgenomen en die post ononderbroken tot 1919 zou bekleden, prees de samenwerking van idealisten, symbolisten, en neo-impressionisten, maar noemde ook lsraëls, Roelofs, Gabriel, Maris en Cuypers onder degenen die tot het welslagen hadden bijgedragen. Uit het buitenland was vooral het symbolistisch kamp sterk vertegenwoordigd met Doudelet, Degouve de Nucques, Knophf, Frédéric, Rops en Ensor uit België, Redon uit Frankrijk en Segantini uit Italië.

Twintig werken van kunstenaars van de Haagse Kunstkring onder wie Etienne Bosch, P. C. de Moor, Arnold Koning, F. A. E. L. Smissaert en Albert Plasschaert waren diezelfde zomer te zien op de grote Kunstausstellung te Berlijn.Ook aan de Centennial Exposition in Tenessee zond de Haagse Kunstkring een bijdrage.

Met dit alles mag echter niet de indruk worden gewekt dat de Haagse School en haar talrijke epigonen in de Kring niet meer aan bod kwamen. Voor een tentoonstelling van werk van de drie gebroeders Maris in december 1893 bestond grote belangstelling, die gewijd aan Mauve (1895) en Jongkind (1897) stipten we al aan. In 1899 toonde Jozef lsraëls bij de Kring de illustraties bij zijn Spanje-reis.

Ook aan de meesters van het tweede of derde garnituur werd behalve op ledententoonstellingen in eenmans- of groepstentoonstellingen plaats ingeruimd. In 1892 kwamen zo P. P. Rink, De Bock, Arnold Koning en Adolf Lange aan de beurt, in 1893 De Moor, Moulijn en Oosterzee. Voordat een dertigtal werken van Philippe Zilcken in de Verenigde Staten zouden worden geëxposeerd waren zij in december 1894 in de Kring te zien. Verder kwamen tot aan de eeuwwisseling nog J. van Steenwijk, H. Hijner, H. v. d. Haar, D. J. R. Jordens, G. D. Gratama, G. J. Roermeester en D. Wiggers aan bod.
De beeldhouwkunst, waaraan bij de oprichting van de Kring zoveel aandacht was geschonken, was er in deze tijd vertegenwoordigd door A. W. M. Odé, Charles van Wijck, Thérèse van Hall en Minca Bosch, terwijl in het seizoen 1897-98 Constantin Meunier gasteerde. In oktober 1899 werd de eeuw, wat de beeldhouwkunst betreft, besloten met een grote Rodin tentoonstelling, dit keer gehouden in samenwerking met Arti et Amicitiae in Villa ‘Boschoord’ aan het Bezuidenhout. Uit Parijs kwam Judith Cladel over om over de meester te spreken.
Een facet van het kringleven dat tot nu toe onbesproken bleef werd gevormd door de zgn. kunstbeschouwingen, waarvoor de leden meestal ’s avonds bijeenkwamen in de sociëteit. Daar werd aan de hand van plaatjes en praatjes over allerhande onderwerpen van gedachten gewisseld. Men liet er zijn kollega’s het laatste werk zien, of toonde er iets uit eigen verzamelingen, De Bock b.v. zijn aardewerkkollektie, Nijland zijn plaat werken, een derde gravures naar Italiaanse meesters. Soms vroeg men buitenlandse gast-exposanten er het eigen werk toe te lichten, zoals H. S. Ibels, of inviteerde men kunsthistorici als Hofstede de Groot, die er over Rembrandt sprak. Het Gouden Boek van de Kunstkring bewaart aan dergelijke bijeenkomsten nog menige getekende of geschreven herinnering.

Eén van de manieren waarop de Kring ook buiten Den Haag van zich liet horen was door het laten rondreizen van een portefeuille met tekeningen en prenten, die her en der in het land ter inzage lag, en waaruit men werken kon kopen. Het niveau kon sterk variëren, maar onder de werken die op deze manier aan de man werden gebracht bevonden zich ook uitschieters als Toorop’s tekening ‘Cor Cordium’, die in het bezit van Verwey kwam.

Een belangrijk evenement binnen de Kring was de jaarlijkse loterij, waarvoor men via een uitgebreid net van korrespondenten in het hele land kon inschrijven. De prijzen bestonden uit kunstwerken en premieplaten, en de opbrengst werd gestort in een fonds waaruit aan kunstenaars die het moeilijk hadden een bijdrage kon worden verleend. Daarnaast steunde de loterij de eigen leden nog op andere manieren, namelijk door de kunstwerken die de prijs vormden uit eigen Kring aan te kopen. Bovendien liet men een lid van de eerste afdeling ieder jaar de premieplaat maken, meestal een ets of een litho, waarvoor de kunstenaar weer betaald werd. Soms ook boden leden aan de premieplaat gratis te verzorgen. Wanneer men de makers van deze prenten opsomt krijgt men een uitstekend beeld van het uitgebreide scala aan goede grafici waarover de Kring kon beschikken. Onder hen waren P. Dupont, Edzard Koning,S. Moulijn, Leon Senf, J. J. Aarts, Willem Roelofs Jr, Storm van ’s Gravesande, Hoytema, Huib Luns, Dirk Nijland, Jan Wittenberg. Bijzonder veel succes had het portret van Koningin Wilhelmina dat Thérèse Schwartze in 1915-16 als premieplaat maakte, en waarvan nog 200 exemplaren een plaats vonden in alle landskantoren in Nederlands-Indië. Ook van Meegeren’s beroemde ‘Hertje’ was een premieplaat van de Kring. Niet iedereen was echter even enthousiast over de instelling ‘premieplaten’. Toen men in 1913 Graadt van Roggen aanzocht om er een te maken weigerde hij, omdat naar zijn mening dit gebruik ‘veel schade aan goede grafische kunst brengt. Overal duiken tegenwoordig de premieplaten als paddestoelen uit den grond … ja zelfs den heer P. Zilcken, die op zijn boekwerk een etsje cadeau geeft, net als bij de margarinekooplieden’.





Nadat rond 1900 de zwaarste wolken van het symbolisme waren overgedreven beleefde in Frankrijk het impressionisme en neo-impressionisme een tweede bloei. In ons land verdiepte de als altijd zeer wendbare Toorop zich nu weer in het luminisme, maar met de Kring had hij in deze tijd (1900-1916) nauwelijks nog kontakt. Hier werd het neo-impressionisme alleen nog vertegenwoordigd door Hart Nibbrig. Wel was weer werk van Monet, Renoir, Pissarro, Sisley, Helleu, Cézanne en Roussel te zien, en in 1904 werd Weissenbruch met een tentoonstelling geëerd, maar uit de keuze van de overige gasten bleek een duidelijker voorkeur voor de internationale art nouveau. In de Kring bleef, zoals in heel Den Haag, de sluier van het fin-de siècle nog rustig hangen.
In 1903 trok het werk van de modieuze Georges de Feure (van oorsprong een Nederlander met de naam Van Sluyters) veel publiek, en oogstte de waardering van de pers. De oude banden met de Parijse kunsthandel Durand Ruel werden hernieuwd, wat resulteerde (in 1905) in een grote tentoonstelling van werk van Puvis de Chavannes.
Het succes was echter maar matig, iets wat door H. P. Bremmer, die tijdens de tentoonstelling een lezing hield, al was voorvoeld. In zijn inleiding tot de catalogus noemt hij de kunst van Puvis de antithese der Hollandse, die steeds het karakteristieke zoekt, en niet, zoals Puvis, het ’typische’.
Op een kunstenaar als Willem van Konijnenburg maakte het werk echter grote indruk, en een jaar later bezocht deze dan ook Parijs om het daar in situ te bestuderen. Ook P.C. de Moor was enige tijd Puvis’ leerling. Eerder, in 1904, had een aantal Antwerpse schilders bij de Kring geëxposeerd, onder wie de jonge Walter Waes, die onder het Nederlandse publiek later veel kopers zou vinden. In 1908 toonde de Kring weer ‘Franse meesters’ waarnaar 600 bezoekers kwamen kijken, maar een toch zeer respectabele keuze uit het werk van Degouve de Nuncques die in 1911 de rij der internationale tentoonstellingen sloot, trok nog maar 380 bezoekers.

Een steeds belangrijker plaats in het kringleven werd aan het begin van de eeuw ingenomen door de zojuist al genoemde Willem van Konijnenburg. Aanvankelijk behoorde hij tot d onstuimige jongeren die door hun ongedisciplineerd gedrag het bestuur zoveel zorgen baarden, ‘om echter op den duur te worden tot, zoals Knuttel hem in zijn monografie over de kunstenaar noemde, ‘de meest priesterlijke der kunstenaars’ en een leidsman voor een hele generatie van Haagse kunstenaars.

Van Konijnenburg was in 1868 in Den Haag geboren en opgeleid, maar bracht lange perioden door in Limburg, het land van herkomst van zijn moeder, met werk uit welke streek hij in 1893 bij de Kunstkring debuteerde. Dit sloot duidelijk aan bij dat van de Haagse meesters wier ateliers hij bezocht, maar aan het eind van de negentiger jaren sloeg hij, zoals blijkt uit wat hij voor de Firma Fop Smit ontwierp, nieuwe wegen in. Voor het weekblad ‘De Kroniek’ waaraan in die tijd door menig kunstkring lid werd meegewerkt (hoewel vaak beschouwd als een typisch Amsterdamse aangelegenheid) leverde hij spotprenten waarvan de geest ook in de Kring niet onopgemerkt bleef. Op een feestavond in 1894 gaf hij een fraaie parodie op Willhelm Tell ten beste, en na een ruzie in de sociëteit schreef hij en waarlijk Deysseliaanse scheldpartij in het klachtenboek, om die daarop in een niet minder honend loflied op de Kring te herroepen. Toen hij eens wegens achterstallige contributie niet op een feestavond dreigde te worden toegelaten, wist hij daar, als ‘dame’ vermomd toch binnen te komen. Dat hij het nog eens tot erelid zou brengen was toen moeilijk te voorzien.
Met het werk ‘Herten’ dat zich nu in het museum Kröller-Müller bevindt, en dat hij in 1898 bij de Kring exposeerde, eindigt definitief het artistiek voorspel en slaat Van Konijnenburg de weg in die in het teken zou staan van de strijd tussen materie en geest, natuur en stilering, die de polen van zijn kunstenaars schap vormden.

In een serie geschriften uit de eerste jaren van deze eeuw, culminerend in het hoogs ingewikkelde ‘De aesthetische idee’, legde hij zijn opvattingen over kunst in dienst van de idee neer. Twee stappen op weg naar deze zelfbewustwording als kunstenaar beleefden in de vorm van mimespelen hun doop bij de Haagse Kunstkring: in 1907 ‘Schoonheid en Duivel’, in 1909 ‘Waarheid en Chimäre’. De opvoering van de tableaux vivants, waaruit dit laatste werk bestond, was een schoolvoorbeeld van die samenwerking der kunsten die de Kunstkring voorstond. Henricus maakte het decor, Willem Landré de muziek, die door Henriëtte Roll werd gespeeld, terwijl Albert Vogel Sr. ‘plechtig zonder affectatie’ de tekst declameerde. De pers was zeer lovend over het visuele aspect van de avond: ‘Wij herinneren ons niet, op zoo kleine ruimte als het Kunstkringtooneeltje biedt, ooit een zóó schitterende groepeering te hebben gezien’. Onder de aanwezigen was toen ook de jonge Greshoff, die het allemaal prachtig en hoogst interessant vond. ‘Ik had de waarde van het onmiddellijke en allersimpelste taalgebruik nog niet ontdekt’, schreef hij in 1963.
Ruim veertig jaar was Willem van Konijnenburg een toonaangevend lid van de Kring, waar hij regelmatig exposeerde, in tentoonstellingscommissies en jury’s zitting had, en voordrachten hield, in 1912 b.v. over het futurisme. Onder de kringleden had hij talloze bewonderaars, leerlingen en vrienden, zoals Rie Cramer, Chris de Moor, Harry Verburg en G. A. H. van der Stok. Met een tentoonstelling van zijn werk werden in 1921 de statige Grafelijke Zalen ingewijd. In 1928 werd de zestigjarige ‘opvoeder in levensidealisme en brenger van genade’, zoals de toenmalige voorzitter van de Kring, Albert Vogel, hem noemde, uitgebreid gehuldigd en tegelijk met Toorop tot erelid benoemd. De schilder merkte in zijn dankwoord op dat zijn in ziens de Kring toen pas, na het verlaten van De Bock’s impressionisme, was opgeklommen tot een religieus idealisme: ‘Eerst thans komt de Kring aan zijn eigenlijke roeping toe’. Toen en in 1938, bij het zeventigjarig jubileum, alsook bij de tentoonstelling ter gelegenheid van het 45-jarig bestaan van de Kring was zijn werk in de Kring te zien. Bij die laatste gelegenheid bood de Kring een vijftal tekeningen van zijn hand aan aan het Gemeentemuseum.
Een minder dominerend, maar zeker niet minder kleurrijke verschijning in de Kring van die dagen was Henricus (pseudo niem voor Hendricus Jansen, 1867-1921), die nu alleen nog om zijn wandschilderingen in de Haagse schouwburg en het Rotterdamse stadhuis een beperkte bekendheid geniet. Begonnen als naturalist in de Haagse trant was hij in de negentiger jaren een gewaardeerd illustrator, die heel wat pagina’s van ‘Elsevier’s Maandschrift’ voltekende. In 1892 werd hij lid van de Kunstkring, waar hij geruisloos de overgang naar het symbolisme meemaakte. Uit 1893 dateert een affiche voor een speciale verlotingstentoonstelling die de Kring toen organiseerde om de decoratie van haar ruimtes aan het Buitenhof te bekostigen. Voor Henricus echter meer van zich kon laten horen werd hij door het bestuur wegens wangedrag geschorst.


In 1901 keerde hij echter terug om zich tot aan de eerste wereldoorlog als een bijzonder actief kringlid te ontplooien. In 1901 toonde hij hier ‘de vruchten van zijn arbeid in Tunis en omstreken’, waarbij hij duidelijk in het voetspoor treedt van Marius Bauer, die toen zijn reisgenoot was. In december 1903 exposeerde hij, samen met P. C. de Moor, tekeningen naar oudtestamentische onderwerpen. Verreweg het interessantst waren echter de 27 litho’s naar Pol de Mont’s ‘Here Halewine’ die in 1904 te zien waren, en waarbij ook de diverse stadia in het drukken van de kleurenlitho’s te zien waren. De criticus Loffelt was zo enthousiast over dit werk, waarin Henricus had getoond de laatste ontwikkelingen op het gebied der boek illustratie op de voet te hebben gevolgd, dat hij zich afvroeg: ‘Zouden wij in hem een Nederlandschen Walter Crane mogen begroeten?

Meer nog dan door zijn exposities deed Henricus echter van zich spreken door zijn talloze verdiensten voor de Kring: hij zat in jury’s bij tentoonstellingen en ballotages, ontwierp kostuums voor feestavonden en optochten, decors en een aantal affiches (de jubileumtentoonstelling van 1902, de eretentoonstelling voor De Bock in 1905).
Zijn veelzijdig maar ook oppervlakkig kunstenaarschap werd echter ernstig ondermijnd door een op zijn zachtst gezegd onregelmatige levenswandel. Een bohémien pur sang choqueerde hij voortdurend het brave kringbestuur door nu eens met de huurder van de benedenzaal op de vuist te gaan, dan weer ‘eene dame van niet onbesproken gedrag’ in de sociëteit te introduceren. Verder bouwde hij in de loop der jaren aan een monumentale buffetschuld, die hem nog al eens op schorsing kwam te staan. Zijn permanente aanwezigheid in de soos wordt nu nog bevestigd door de talloze krabbels van zijn hand in het Gouden Boek, waardoor menige anekdote uit het kringleven bewaard bleef. In 1923 herdacht de Kring de overleden Henricus met een uitstekend verzorgde tentoonstelling.
Nieuwe leden die in de eerste jaren van deze eeuw toetraden waren o.a. Victor Hageman, Leon Sent en G. D. Gratama. De laatste recenseerde in die tijd veel kringtentoonstellingen, en hij was het die in 1905 de Kring verdedigde toen deze in een artikel van het oud-lid Frits Lapidoth werd aangevallen vanwege de schamele aankleding van de eretentoonstelling van Théophile de Bock.
In 1907 werd Rie Cramer lid, en de eerste werken die zij exposeerde, zoals ‘Chanson de Bilitis’ en ‘Pelléas et Mélisande’ ademen nog geheel het Haagse fin-de-siècle. Zij was dan ook een leerlinge van Veldheer, Van Konijnenburg en Hoytema. Daarna verschijnen de illustraties waarmee ze zich zo’n eigen plaats in ons kunstleven verwierf, en die de laatste jaren weer in de mode zijn gekomen. Belangrijk was haar aandeel in de kinderprentenboekententoonstelling die de Haagse Kunstkring in 1912 organiseerde, en waarvoor zij de affiche maakte.


Vanaf 1909 begroeten we Huib Luns, veelzijdig kunstenaar en schrijver over kunst, en Willy Sluiter, die toen net in Den Haag was komen wonen. De beeldhouwkunst werd vanaf 1901 voornamelijk door Toon Dupuis vertegenwoordigd, met zijn portretten van de Haagse monde en zijn Scheveningse vissersvrouwtjes. Zijn buste van Théophile de Bock trotseert nog altijd in de tuin van de Kring de Haagse motregen, waarbij dit werk heel wat weerbestendiger is gebleken dan de houten ‘picnicpaal’ van zijn jongere collega Van Lunteren. Ook de voorzitters Snijder van Wissen kerke en Albert Vogel werden door Dupuis vereeuwigd. Vele jonge Haagse beeldhouwers, onder wie de thans nog actieve Marian Gobius, behoorden tot zijn leerlingen.

Wanneer men nagaat wat in de jaren kort voor de eerste wereldoorlog nationaal en internationaal in de beeldende kunst gaande was, dan moet men wel concluderen dat veel van het modernste, laat staan het allermodernste, Den Haag geheel voorbij ging. De afwezigheid van een Toorop, die zijn arbeidsterrein naar Amsterdam verplaatst had en zomers in Domburg met Mondriaan nieuwe wegen insloeg, werd scherp gevoeld. Sporadisch duiken in de annalen nog wel eens veelbelovende namen op (b.v. die van Kees van Dongen in 1906), maar eigenlijk blijft het allemaal bij een praatje, in 1912, door Van Konijnenburg over het futurisme. Wanneer dit laatste onderwerp drie jaar later weer wordt aangeroerd is het inmiddels gemetamorfoseerd tot een ‘vermakelijk tableau vivant’ op een Sint Nikolaasavond.
Door financiële moeilijkheden gedwongen verhuisde de Kring begin 1914 naar de Koninginnegracht 12a. De oorlog maakte het echter volstrekt onmogelijk orde op geldzaken te stellen, wat tot gevolg had dat voor een geplande expositiezaal geen middelen aanwezig waren. Grote ledententoonstellingen waren nu onmogelijk geworden. Op initiatief van Albert Roelofs werden echter vanaf september 1914 tot het einde van de oorlog zgn. groepstentoonstellingen gehouden, waarbij telkens twee kunstenaars in de drie bovenkamers van het gebouw hun werk toonden. Onder de exposanten zien we Paul Arntzenius, Herman Bieling, Rie Cramer, Lucie van Dam van lsselt, W. Ding mans, Jaap Gidding, Theo Goedvriend, J. M. Graadt van Roggen, P. A. H. Hofman, de broers Frans en Georges Hooger waard, Theo van Hoytema, D. J. R. Jordens, Edzard Koning, Willem van Leusden, A. M. Luyt, Albert en Willem Roelofs, Dirk Schäfer, Leon Sent en Philippe Zilcken. Ook Toorop was in 1916 weer van de partij.



Tegen het einde van de oorlog maakte kolennood voortijdig een eind aan de traditionele tekenavonden die de Kring sinds jaar en dag voor haar leden organiseerde. Toen op een gegeven moment ook damesleden aan deze nuttige bijeenkomsten dreigden te gaan deelnemen, rezen er heftige protesten van de kant van de heren, waarop de dames zich toen begonnen af te vragen wat er dan al zo besproken werd dat damesoren dit niet zouden kunnen verdragen! In juni 1920 verenigde een aantal hunner zich tot de ‘Damesclub’ die tot doel had het wekken van ‘meerdere waardering van de vrouwelijke prestaties in de kunst’ en ‘het scheppen van een fijn beschaafd kunstenaarsmilieu’. Het Bestuur zag onmiddellijk zijn kans schoon deze energieke dames tot heil van het algemeen in te schakelen en door relaties der dames-leden buitenlandsche connecties te maken in het belang van den Haagschen Kunstkring’.
De economische gevolgen van de oorlog hadden behalve op de Kring zelf ook hun terugslag op de leden. Er werd nauwelijks verkocht. Op zgn. steuntentoonstellingen werden alleen zeer laag geprijsde werken aangeboden om de koopzin aan te wakkeren, terwijl leden die er beter aan toe waren gratis werk afstonden. Om de stemming in deze trieste tijd wat op te krikken organiseerde men verder de nodige feestavonden en een ‘Caricatuur- en kluchttentoonstelling’, in de kleurige catalogus waarvan we zulke coryfeeën tegenkomen als Jan Toorop en Suzette Robertsen.

4 januari 1916
Na de oorlog leefde de Kring weer op. Albert Roelofs konstateerde ‘De Kring is in een soort roes’. De ingebruikneming van het nieuwe pand aan de Lange Houtstraat 7, waar men van eind 1917 tot begin 1921 gevestigd was, zal daartoe aanvankelijk niet weinig hebben bijgedragen.

Men besteedde deze eerste jaren veel aandacht aan de moderne stromingen binnen de eigentijdse kunst, ook al waren de beoefenaars ervan nog niet al te vaak binnen de eerste afdeling zelf te vinden.
De grote bloei van de afdeling architectuur in deze jaren zou ook niet nalaten enige weerklank bij de schilders te hebben. Verder werd in september 1919 door het algemeen bestuur van de Kring, los van het doen en laten van de afzonderlijke afdelingen, een ‘propaganda-commissie’ ingesteld, dit tot taak had de afdelingen onderling tot elkaar te brengen en een wervender politiek naar buiten te voeren. De notulen van de Kring wemelen van de moeilijkheden tussen het algemeen bestuur en dat der afdelingen over deze kommissie, die zich volgens de afdelingen te weinig om het artistieke gehalte bekommerde. De werkelijkheid was dat men soms directe eigen belangen geschaad achtte, omdat nogal eens krachten van buiten de Kring – tegen betaling – werden aangetrokken. In de praktijk was de propagandacommissie echter, ondanks een aantal missers, een gelukkige gedachte omdat de Kring wat nieuw leven werd ingeblazen en naar buitentoe weer een iets vooruitstrevender imago kreeg.
In september-oktober 1918 gasteerde de groep ‘De Branding’ met wat heette ‘Ultra Moderne Kunst’, waarbij ook nog een dito matinée gegeven werd, waaraan werd meegewerkt door Laurens van Kuik, Lou Saalborn, Leo Kok en Leonard Limousin. De laatste gaf met een futuristische declamatie vast een voor proefje van het DADA-gebeuren van enkele jaren later.
Twee maanden hierna toonde Bieling, in deze dagen een vooruitstrevend kringlid (hij nam in het seizoen 1919-20 het initiatief tot een ‘Kunstenaarsraad’ voor Den Haag, bedoeld om de kunstenaar meer inspraak te geven bij het gebeuren in de stad, een plan dat echter op niets uitliep) schilderijen tijdens een voorstelling van expressionistische dansen door Grit Hegesa.

Eind maart 1920 verzocht Theo van Doesburg het Kringbestuur of hij een tentoonstelling van ‘buitenlandse modernen’ mocht houden, waarna hij op 30 maart zijn verzoek persoonlijk kwam toelichten. Het ging hier om de tentoonstelling die voer onder de titel ‘La Section d’Or’ en die, oorspronkelijk uit Antwerpen afkomstig, eind juli 1920 in de Kring plaats had. Van Doesburg had er zelf de affiche voor ontworpen en hield een inleiding over de vorm van kubisme die de leden van de groep aanhingen. Het was bij deze gelegenheid dat ook werk van Mondriaan in de Kring te zien was. Bij die ene maal bleef het wat Mondriaan betreft ook, al waren vele andere Stijlbroeders als Huszar, Wils en Oud regelmatig in de Kring aanwezig en bezig. Als we de catalogus van de Van Doesburg-tentoonstelling uit 1968 mogen geloven was Van Doesburgs optreden overigens in 1920 niet zijn debuut bij de Kring, maar zou hij in 1908 al eens tekeningen en schetsen getoond hebben (het archief van de Kunstkring vermeldt een dergelijke tentoonstelling niet).
In 1921 betrok de Kring, na een tijdelijk onderdak gevonden te hebben in de zaal ‘De Mercuur’ aan het Anna Paulownaplein, ‘op billijke voorwaarden’ de sfeervolle Grafelijke Zalen op het Binnenhof. Dit verleende de vereniging een niet onplezierig cachet. De expositieruimte was er echter, hoewel ‘statig en schoon’, zo duister dat men er alleen met kunstlicht tentoonstellen kon. Toen het dan ook op den duur weer wat minder florissant gesteld was met de Kunstkring en de secretaris van de afdeling schilderkunst, Fokko Mees, sprak over ‘bittere tijden’ werd de schuld geschoven op de lokaliteit: ‘deze zaal (is) feitelijk de dood voor den Kring’.
De aandacht voor het nieuwste op kunstgebied bleef aanvankelijk ook in de voorname omgeving van het Binnenhof bestaan. In mei 1922 sprak Petrus Alma, wiens werk thans weer midden in de belangstelling staat, over ‘Kunst in een revolutionaire periode’, daarmee vooral doelend op de recente ontwikkelingen in Rusland. Dit thema werd precies een jaar later in de Kring weer opgenomen door El Lissitzky, die tijdens zijn toenmalig bezoek aan ons land vruchtbare kontakten onder hield met de artistieke voorhoede. De titel van zijn lezing was ‘Jonge Russische kunst’.

Rudolf Vonka sprak in 1924 over de moderne Tsjechen, en uit Parijs kwam Marie Dormoy om over de Franse beeldhouwkunst sinds Robin te spreken. In februari 1921 was haar de Franse schilder en kriticus André Lothe voorgegaan met een lezing over de Franse schilderkunst. Een aanbod van Feininger om in de Kring te exposeren werd echter afgewezen. Wel toonde men grafiek van de Vlaamse expressionistische groep ‘Lumière’, die in Nederland vooral door de initiatieven van Fokko Mees bekend werd. Voor de lezing door Lumière’s artistieke zegsman, de van vele boeken over kunst bekende Roger Avermaete, was echter weinig belangstelling. Uit de Kring zelf was het vooral Vilmos Huszar die in verschillende lezingen (op 22 februari 1924 uitdrukkelijk voor ‘leken’) over moderne kunst sprak.

Vooral Vilmos Huszar die in verschillende lezingen (op 22 februari 1924 uitdrukkelijk voor ‘leken’) over moderne kunst sprak. Noemenswaard is nog de tentoonstelling van de ‘Branding’ van 1923, waarachter Bieling nu de drijvende kracht was. Hier was namelijk in aansluiting aan zijn optreden op de DADA avond van de Kring, werk van Kurt Schwitters te zien. Een verzoek om een tweede avond te mogen geven werd overigens door de Kring afgewezen, en evenmin was er belangstelling voor een abonnement op ‘MERZ’.

Door het aaneenschakelen van een aantal hoogtepunten, zou zonder meer een aardig progressief beeld van de Kring in deze tijd opgehangen kunnen worden. De werkelijkheid gebiedt te zeggen dat bij het doorlezen van de verslagen en notulen van de Kring de gemiste kansen talrijk zijn, en wat progressief was, althans wat de schilderkunst betreft, meestal van buiten kwam. Toonaangevend waren nog steeds mannen als Van Konijnenburg en de late Toorop (Plasschaert hield in november 1922 nog een voordracht over zijn werk). In het jaar van DADA telt de Kring ook een Han van Meegeren onder haar leden. Wie zich al of niet op een dood spoor bevond was vanuit het perspectief van die dagen niet eenvoudig te onderkennen. Voor aanstaande critici als de zojuist genoemde Plasschaert zetten zich in voor de monumentale kunst, en symbolistisch-idealistische ideeën die een Van Konijnenburg na aan het hart lagen, hielden in een wat andere vorm ook een Mondriaan en een Van der Leek bezig. Het zou interessant zijn te weten wie er zo al onder de toehoorders waren, toen Dr. M. Schoenmaekers, wiens banden met de Stijlbeweging vooral benadrukt zijn, in 1918-19 zijn cursussen beeldende wiskunde in de Kunstkring gaf.
De laatste grote tentoonstelling die voor de verhuizing naar de Grafelijke Zalen plaatsvond was er een van wandschilderingen. Jaren van voorbereiding waren aan deze grootscheeps opgezette tentoonstelling vooraf gegaan, en de Gemeente Den Haag had er een flinke subsidie voor gegeven. Derkinderen, Toorop, Berlage, Mendes da Costa en Van Konijnenburg, kortom alle voormannen van de Gemeenschapskunst vormden de jury, en Van Konijnenburg, Jac. Jongert en Richard Roland Holst hielden lezingen (de laatste had al in 1908 over monumentaliteit in de Kring gesproken). Het motto was dat ‘Kunst niet langer als een nutteloze weelde, maar meer als een organisch deel van het werkelijke leven’ moest fungeren. Geheel overeenkomstig de idealen van de Kring waren steeds een schilder en een architect in één project verenigd.
Onder de deelnemers bevond zich de thans vrijwel vergeten Jan Linse, over wiens werk De Gruyter zich toen al in het Vaderland weinig positief uitliet als ‘cerebrale symboliek’, ondanks het feit dat Linse’s ‘Mozes’ toch ‘de voorstellingslooze kunst van Mondriaan’ naderde. Linse maakte aan het eind van de twintiger jaren vooral veel opgang in de Kring, waar twee maal (de tweede keer weliswaar naar aanleiding van zijn dood) een eenmanstentoonstelling aan zijn werk werd gewijd. Beide malen sprak Berlage het openingswoord.
Een andere kunstenaar die lange tijd lid van de Kring was en in dit kader genoemd dient te worden is Antoon Molkenboer, aan wie de Kring later de opdracht voor het mozaïek-monumentje voor Albert Vogel zou verlenen.
Molkenboer was een zeer veelzijdig man, die dan ook lid was van verschillende afdelingen tegelijk. Helaas maakte hij nooit het veelbelovende begin van zijn boekje ‘Mincelijn’ uit 1897 geheel waar.
Ook de openingstentoonstelling van de Grafelijke Zalen, beschreven als ruimten ‘vol wijding’, stond in het teken van de monumentale kunst, in casu Van Konijnenburg. Evenzeer de in 1922 en 1923 gehouden tentoonstellingen van werk van Thorn Prikker en de herdenkingstentoonstelling voor Henricus.
De malaise aan het eind van de twintiger jaren en het begin van de dertiger jaren betrof helaas niet alleen de economie, maar ook de kunst. De grootste zorg voor de kunstenaars lijkt eerder het levens- dan het kunstpeil hoogte houden, al vallen nog wel enkele positieve uitschieters (een Otto Dix-tentoon stelling in 1928) te melden. Er werd algemeen slecht verkocht, en weer moesten steuntentoonstellingen, nu ‘zomerverkoop tentoonstellingen’ geheten, redding brengen. Hiervoor kon men jury-vrij inzenden, terwijl geen prijs hoger dan f 100, mocht zijn. Doormiddel van thematische tentoonstellingen als ‘Het Naakt’, ‘Eros in de kunst’ e.d. trachtte men meer publiek te trekken, maar wat hoopte men te verkopen aan de werkelozen die op vertoon van hun werklozenkaart gratis binnen mochten? Voor vele leden kwam onherroepelijk het uur dat ook het betalen van contributie niet meer mogelijk was. In enkele gevallen moest de Kring ertoe overgaan leden tot erelid te benoemen om hun naam op de ledenlijst te kunnen handhaven.

Van de kunstenaars die aan het einde der twintiger jaren in de kring de boventoon voerden, zoals Georges Hoogerwaard, Fokko Mees of J. C. Cossaar (de laatste was van 1926 tot 1929 voorzitter van de eerste afdeling) kan men zeggen dat zij gerenommeerd waren, maar zeker niet geavanceerd, en van enige impuls van hun werk op dat van anderen kan niet ge sproken worden.
Een typische kringfiguur was in deze tijd Han van Meegeren. In tegenstelling tot wat wel beweerd wordt was ‘Van Meegeren, groot-kleine man, die ‘Darling’ zoo goed schild’ren kan’ (aldus een fraai kringlied) lange tijd een zeer gewaardeerd lid, wiens medewerking aan feestavonden, waarvoor hij decors maakte en waar hij ook wel als conférencier optrad, zeer op prijs werd gesteld. Met Henricus is hij de trouwste krabbelaar in het Gouden Boek, waarin we aan zijn talent als sneltekenaar rake portretten van Louis en Lily Bouwmeester, J. H. Speenhoff, Paul Fort, J. K. Rensburg, en de danser Jodjana danken. Zijn premieplaat ‘Het hertje’ werd een begrip ook buiten Den Haag.
Mei 1933 verliet Van Meegeren echter teleurgesteld de Kring, overtuigd dat hem groot onrecht was aangedaan. Het jaar daarvoor had hij op een nogal onsympathieke manier bestuurslid van de Kring willen worden, aankondigend dat hij in dat geval de Kring uit de financiële moeilijkheden zou kunnen halen, een vorm van chantage die niet op prijs werd gesteld. Bovendien dreigde een groep van twintig jonge schilders uit de vereniging te zullen treden wanneer Van Meegeren werd gekozen, omdat ‘Van Meegeren niet objectief genoeg zal zijn om de verschillende opvattingen gelijk recht te geven’.
In 1939 kreeg Van Meegeren, zij het onder zijn pseudoniem van Johannes Vermeer, nog eenmaal aandacht van de Kring. Louis Meys wilde toen een brochure laten verschijnen over het door Boymans aangekochte schilderij ‘De Emmausgangers’, aan de echtheid waarvan hij twijfelde. De brochure kwam er nooit, wel echter nodigde men de kunsthistoricus Hammacher uit om over het onderwerp te discussiëren.
De financiële moeilijkheden waarin Van Meegeren verlichting had willen brengen waren inderdaad niet gering. Opnieuw noodzaakten ze een verhuizing, en wel terug naar de Lange Houtstraat 7. 42 leden stonden in totaal 10.000 gulden aan kunstwerken af om de verbouwing te kunnen bekostigen. Chronisch geldtekort maakte het verder noodzakelijk de zalen van de Kring veel aan derden te verhuren, waardoor weinig tijd voor exposities overbleef, wat natuurlijk de wrevel van de heren schilders opwekte. Ook voor de aflossing van een obligatie lening brachten in 1936 kunstenaars weer voor duizenden guldens bijeen. Onder hen komen we voor de eerste maal de naam van Nanninga in de Kring tegen.
De onrustbarende ontwikkelingen in Duitsland hielden veel kunstenaars bezig, maar het Kringbestuur nam het principiële besluit dat men zich als vereniging niet met politiek zou bezighouden. Toen de schilder Harmen Meurs in 1934 dan ook een werk inzond dat een directe aanval tegen het Hitler-bewind behelsde, werd dit geweigerd. Wel haastte men zich te zeggen dat het werk op artistieke gronden zeker toegelaten zou zijn, en men stond de schilder toe een debatavond over het onderwerp te houden. Toen de schilder C. Gerritsen iets dergelijks overkwam verbond hij er echter een andere consequentie aan en zegde zijn lidmaatschap op. Ook bij een in 1935 gehouden tentoonstelling van karikaturen werd de inzenders verzocht ‘geen werk van scherp politiek karakter in te leveren’.
Daarentegen was sommigen de Kring weer te modern. Er bedankte een lid omdat men de brochures in moderne spelling (en zonder hoofdletters) rondstuurde, terwijl de schilder F. Hoogerwaard zich door de ultramoderne tendensen der jongeren en ‘de maniakale opvattingen van ‘Modern’ zijn van het bestuur” in het nauw voelde gedreven.
Tegen het midden van de dertiger jaren begint de Haagse Kunstkring langzamerhand weer zo iets als een gezicht te krijgen. Ondanks klachten over het gemis aan een ‘spil’ ontstaat weer een mate van homogeniteit, zoals de bloeitijd van de Haagsche school die kende. Zo kom n we in deze tijd de namen van Hein von Essen, Rein Jan Drayer, Hubert Bekman, Jan Franken en M. Schipper, die van 1931 tot 1935 samen ‘De Groep’ hadden gevormd, een verre voorvaar van het latere ‘Verve’. Franken was al sinds 1919 lid en van 1933 tot 1937 was hij voorzitter van de eerste afdeling. Bekman was Kringlid sinds 1928, Von Essen vanaf 1932, de anderen werden het rond 1934-35. Drayer toonde op de Kring zijn eerste beelden van de verlaten moderne stad. Jan van Heel, wiens actieve rol in het Kringleven aparte vermelding verdient, ving aan met zijn indrukwekkende rij clowns en scènes uit het variété-leven. Bekman viel op vanwege zijn fraaie houtsneden, waarvan de Kunstkring er één als kerstkaart gebruikte.

Al sinds 1926 was Chris de Moor lid van de Kring om dat tot in de vijftiger jaren te blijven, zodat men hem in al zijn gedaanteverwisselingen heeft kunnen volgen. Tweemaal nam hij voor korte tijd het voorzitterschap van de afdeling schilderkunst op zich. Verder nam hij behalve via exposities ook op andere manieren deel aan het verenigingsleven, o.a. door het houden van lezingen. Als leider van de Eerste Nederlandse Vrije Studio werkte hij nauw samen met de leden Willem van den Berg, Harry Verburg en Kees Andrea.
In 1933 ontdekken we de namen van o.a. Pyke Koch en Wim Oepts onder de nieuwe leden, van wie de laatste ook inderdaad exposeerde. Van Koch horen we echter nooit meer. Zo lijkt ook Paul Citroen’s aanmelding als lid in 1934 slechts loos alarm, maar sinds 1940, toen hij o.a. een portret van Ter Braak tentoonstelde, is zijn werk ieder jaar bij de Kring te zien geweest.
Willem van Leusden, die men in het algemeen eerder met het Utrechtse kunstleven zal associëren, maar die rond de eerste wereldoorlog al veel etswerk in de Kring had geëxposeerd, keerde in 1934 terug met o.a. een van zijn boeiende zelfportretten.
Ondanks al deze veelbelovende namen was de Kring nog niet helemaal gezond. Zo verloor men in 1936 in een half jaar nog zo’n 35 leden. Verder werd er geklaagd dat met name de jongeren de sociëteit links lieten liggen. Geen wonder, wanneer men leest dat de toenmalige beheerder er regelmatig laveloos werd aangetroffen, de jenever met water was aangelengd (vroeger was dat met de port gebeurd) en de melk op het damestoilet werd koel gehouden.

Door samenwerking met diverse kunsttijdschriften als ‘De Delver’, ‘Prisma der Kunsten’ en ‘De Keten’ trachtte men wat meer publiciteit te krijgen, wat niet zonder resultaat bleef. In 1938 werden bovendien alle krachten gebundeld om het 45-jarig bestaan waardig te vieren met een tentoonstelling in het Gemeentemuseum. Ondanks het bedanken van een aantal leden omdat hun werk bij die gelegenheid niet was geëxposeerd, viel er vanaf dat moment een duidelijke kentering waar te nemen. De Kring kreeg er in 1939 in een half jaar weer 59 leden bij. Tot degenen die kort voor de oorlog toetraden behoorden Johan Mekking, Paul Kromjong, Chiem van Houwinge, Harry Verburg, Wim Sinemus, Kees Andrea, Willem Schrofer. De voornaamste trekken van het gezicht van het na-oorlogse Haagse kunstleven waren al gegeven. Wel ruilde een aantal hunner later het kringlidmaatschap in voor dat van Pulchri, maar dat is nu eenmaal in Den Haag dé manier om te tonen dat men ‘arrivé’ is. Al in 1904 verzuchtten de notulen van de Kring ‘Zoo Pulchri vooruit gegaan is heeft het dit in niet geringe mate te danken aan den Kunstkring’.

Het uitbreken van de oorlog onderbreekt abrupt het hervonden élan. Al in 1939 kon een geplande uitwisseling met Antwerpse schilders door de inval van de Duitsers in dat land niet door gaan. In mei 1940 wordt dan een zojuist geopende tentoon stelling van werk van W. J. Rozendaal en W. Schrofer vanwege de Duitse inval in ons land onderbroken. De bezetting gooide het hele Nederlandse kunstleven in de war, en dat van de Kunstkring maakte hierop geen uitzondering. De zalen van de Kring werden zelfs door de Duitsers voor inkwartiering gebruikt, zodat tentoonstellingen en uitvoeringen onmogelijk werden. Voor het eerst sinds 35 jaar werd geen toestemming verleend voor de jaarlijkse verloting.


Het bestuur, onder aanvoering van Hein von Essen, poogde nog enige tijd tussen de klippen door te zeilen, maar moest het laten bij opmerkingen als ‘de plannen tot gildevorming van het Departement baarden vele leden zorg’. De Nieuwjaarsgroet voor 1941 besloot met ‘meer dan ooit zullen wij gaan beseffen wat ‘Nederlandsch’ beduidt’. Om aan de dwang van de Duitse kultuurpolitiek te ontkomen geven de meeste leden er de voorkeur aan zich als werkend lid af te melden, en slechts kunstlievend lid te blijven. Vervolgens wordt onder de bekwame G. J. van Haersma Buma, die tot dan toe voornamelijk de verloting van de Kring had georganiseerd, een zakenbestuur gevormd dat het officiële voortbestaan van de Haagse Kunstkring verzorgt.
In 1941 wordt in samenwerking met het Gemeentemuseum op stijlvolle wijze het 50-jarig jubileum gevierd. Kasper Niehaus constateert in zijn recensie van die tentoonstelling, die ook in Amsterdam te zien was: ‘De Kring vormt in onzen verscheurden tijd nog zoo iets als een althans uiterlijke eenheid der kunsten’. In november 1941 wordt nog een Limburgse week gehouden in de lokaliteiten van Bas van Pelt, een van de kringleden die de oorlog niet zouden overleven. Dan wordt het stil in de Kring.

Na de bevrijding komt de Kring fris uit zijn schijnslaap tevoorschijn. Zo snel mogelijk wordt de eerste expositie geopend, want zoals Willem Schröfer in 1947 voor de Kring zei ‘Cultuur is nodig als dat gewone brood dat wij dagelijks eten’. In deze eerste tijd bemiddelt de Kring bij het verstrekken van verf en linnen dat aanvankelijk nog schaars is. De eerste tentoonstellingen werden gehouden in het eigen gebouw aan de Lange Houtstraat 7, om na een kort intermezzo in het gebouw van Panorama Mesdag tot 1957 onderdak te vinden in het gebouw Korte Vijverberg 7, waar het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie .is gevestigd. Sociëteit houdt men dan samen met Pulchri. Zoals enkele malen eerder in de geschiedenis van beide verenigingen wordt serieus over een samengaan gedacht, maar er blijkt steeds weer dat de eigen identiteit te sterk gevoeld wordt om samensmelting mogelijk te maken.
Omdat de ruimtes niet toereikend zijn wordt weer geëxposeerd volgens het systeem van de groepstentoonstellingen, waarbij al spoedig de Kring in twee voornaamste richtingen gesplitst blijkt te zijn: de zgn. experimentelen (dat is meestal ook ‘abstracten’) aan de ene kant en de ‘nieuwe figuratieven’ of ‘moderne realisten’ aan de andere. Van het nieuwe talent dat de eerste afdeling in overvloed bezit behoren Theo Bitter, Wil Leewens, Jaap Nanninga en Jan Schoonhoven tot de eerst genoemden, Herman Berserik en Co Westerik tot de tweede categorie. Tot de actiefste leden behoren na de oorlog vooral Willem Schröfer, sinds 1948 getrouwd met Hannie Bal en George Lampe, die beiden jarenlang het voorzitterschap van de eerste afdeling bekleden.



Bijzonder gelukkig kon de Kring zijn met in zijn gelederen drie beeldhouwers van het kaliber van een Theo v.d. Nahmer, Aard v.d. IJssel en Rudi Rooijackers.


Een groot aantal leden sloot zich aan bij de groep ‘Verve’ die in 1951 van start ging. De naam was een vondst van Willem Schröfer, terwijl het initiatief was uitgegaan van drie andere kringleden: Theo Bitter, Nol Kroes en Frans de Wit. Hun woordvoerder was Paul Rodenko die vanuit de literaire afdeling graag uitstapjes naar het rijk der schilderkunst maakte De leden van ‘Verve’ werden nu eens gekarakteriseerd als ‘nieuwe expressionisten’, dan weer begroet als een nieuwe Haagse school. De schilders zelf stelden hun grenzen erg ruim, al was er aanvankelijk zeker sprake van een zekere stelling name tegen de abstractie. Maar dit criterium verviel al gauw, toen Hubert Bekman, Rinus v. d. Neut, Frans de Wit evenals de later toegetreden Wil Bouthoorn, de non-figuratieve kant opgingen.


George Lampe kon zich op een gegeven moment niet langer met de idealen van ‘Verve’ verenigen, omdat hij reëel en surreëel, abstract en figuratief niet in termen van tegengesteldheid wenste te zien. In het door hem opgerichte ‘Fugare’ diende de kunstenaar alle dogmatiek af te zweren. ‘Anti-absolutistisch’ en ‘bevrijdend’ waren de wachtwoorden.
Deze twee epitheta passen ook uitstekend bij de doelstellingen van de in 1947 opgerichte ‘Vrije Academie’, waarmee de Kring vanaf het eerste begin nauwe banden onderhield. Livinus van de Bundt en George Lampe waren de eerste directeur en vicedirecteur, en de kringleden Victorine Hefting en Chris de Moor vormden het eerste bestuur, waarin zij later weer werden opgevolgd door C. A. Abspoel, de eerste naoorlogse voorzitter van de Kring, en het latere erelid Nico Wijnen. Een overzicht van de eerste leraren, of liever ‘begeleiders’ aan de Vrije Academie komt in feite neer op een steekproef uit het register van de Haagse Kunstkring: Kees Andrea, Jan Goeting, Theo van der Nahmer, Huib Hierck, Uvinus van de Bundt, Rudi Rooijackers, George Lampe, Ber Mengels, Hessel de Boer, Hans van der Lek, Ton Hoogendoorn, Gerard Lutz, Lisette van Meeteren, Jan Snoeck.
Ook met de huidige ‘Vrije Academie nieuwe stijl’, die haar naam verrijkte met de toevoeging ‘sociaal creatief centrum voor visuele communicatie’ is de band onverminderd gebleven. Op dezelfde manier voelde de Kring zich nauw betrokken bij het in 1948 opgerichte ‘Kunststudiecentrum’, waarvan Wim Sinemus een der drijvende krachten was. Helaas was dit projekt geen lang leven beschoren.
Allerlei vooroorlogse facetten van het verenigingsleven keerden na 1945 terug. De loterij werd door de onvermoeibare Van Haersma Buma weer op poten gezet, en ook de zomerverkooptentoonstellingen keerden terug. Hoewel gering in aantal organiseerde men ook enige bloeiende discussieavonden en lezingen. Zo hield men in 1948 in samenwerking met Pulchri een avond op het thema ‘abstract-rijmloos’, waarin o.a. werd deelgenomen dor Rodenko en de dichter-schilder Willem Hussem. Paul Citroen hield op 19 december 1952 een lezing over ‘Het ontstaan van nieuwe vormen in de schilderkunst’, waarbij hij zich nog geenszins afzette tegen zijn Bauhaus-verleden. Voor een veel wijder, algemeen publiek was de serie avonden.

‘In de werkplaats van de kunstenaar’ bedoeld. De eerste hiervan, op 31 januari 1961, was gewijd aan de beeldende kunst Enkele schilders vertelden over hun manier van werken. Er werd verder ingegaan op de noodzaak zowel als de betrekkelijkheid van de kritiek, en men besprak de problemen verbonden aan het maken van een tentoonstelling. De uiteenlopende visies van verschillende kunstenaars werden verduidelijkt aan de hand van ter plaatse gemaakte portretten van aanwezigen. Commentator hierbij was George Lampe.

De buitenlandse kontakten van de Kring golden na de oorlog vooral België, hoewel in 1958 ook Joegoslavische kunstenaars te gast waren. De in 1939 door het uitbreken van de oorlog mislukte uitwisseling met Antwerpen vond in 1946 alsnog plaats, en wel met de groep ‘Het Getij’. Daarna was regelmatig werk van leden van de ‘Jeune Peinture Beige’ te zien.
In oktober 1956 opende de Belgische ambassadeur een ten toonstelling met werk van de Belg lsidore Opsomer en de Nederlander Jan Sluyters. Net als Berserik toen kan men zich afvragen wat deze kunstenaars in wezen met de Kring tè maken hadden. Dan waren huldigingen als die van de 70-jarige Jan Franken in 1948 en die van Herman Bieling in 1958 toepasselijker.
Nog steeds jubileerde de Kring graag wanneer de kalender daar aanleiding toe gaf, en zag men met voldoening om naar het rijke verleden. Wat dit betreft stond men al vroeg op goede voet met de Nostalgie. Zo werd in het kader van de manifestatie ‘Pluche en Plastic’ een tentoonstelling ‘De Haagse Kunstkring toen en nu’ gehouden, die liet zien wat de Kring tussen De Bock en Berserik had gepresteerd.

Berserik was de eerste die na de opening van het voorlopig laatste thuis van de Kring aan de Denneweg 64 een eenmanstentoonstelling kreeg, een eer die hem zowel toekwam vanwege zijn dominerende artistieke positie als om het vele dat hij in deze stijl aan organisatorische arbeid voor de Kring verzette. Dankzij kunstenaars van zijn formaat – men denke hierbij ook aan Livinus van de Bundt, Co Westerik, Jenny Dalenoord, W. J. Rozendaal en Harry Disberg – kon de Kring ook na de oorlog blijven bogen op een ononderbroken traditie op het gebied van de grafiek. Sinds de dagen van Hoytema en Moulijn was deze tak van de beeldende kunst altijd uitzonderlijk goed in de Kring vertegenwoordigd. Om dit te onderstrepen werd ter gelegenheid van het 75-jarig bestaan van de Kring een fraaie reeks prenten uitgegeven, waaraan werd bijgedragen door o.a. Berserik, Westerik, Rozendaal, Ap Sok, Cees Vlag, Jan Kuiper, Aat Verhoog, Pauline Braat, Peter Struycken en Theo Mooyman.

Sinds de ingebruikneming van het gebouw aan de Denneweg in 1957 zijn alweer twintig jaar verstreken, en is een hele nieuwe generatie kunstenaars aan bod gekomen. Was het al niet eenvoudig uit de eerste 75 jaren Kunstkringgeschiedenis een ‘representatieve’ keus te doen, een evaluatie van wat thans aan belangrijk talent in de Kring gevonden kan worden is vrijwel zeker gedoemd te stranden. In wezen past deze ook niet in het ‘historisch’ overzicht dat hier werd gegeven. Nog dagelijks kan men het werk van deze kunstenaars volgens de maatstaven die men daarvoor wil aanleggen beschouwen en wegen. De drempel van de tijd hoeft hiertoe niet te worden overschreden. De aanwezigheid van het werk van een aantal ‘oudere’ leden zal daarbij des te duidelijker doen uitkomen dat de ouderdom van een vereniging als de Haagse Kunstkring en haar betekenis voor ons niet zozeer afhangen van de datum van oprichting of de leeftijd van het oudste lid, maar van de geest die uit haar laatste expositie spreekt.

1 Voor dit artikel werd in hoofdzaak geput uit het rijke archief van de Haagse Kunstkring, met name uit de zich daar bevindende Jaarverslagen, Jaarboeken, Notulenboeken, catalogi en knipsels. Lacunes konden veelal worden verholpen dankzij catalogi en knipsels van het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie te Den Haag.
Van de voorts geraadpleegde literatuur dient in het bijzonder te worden vermeld:
B. Spaanstra-Polak, Het fin-de-siècle in de Nederlandse schilderkunst, ‘s-Gravenhage 1955
Van Gogh-studies door J. M. Joosten (met name de artt. 12 en 13), in het Museumjournaal van 1969 en 1970
Dr. G. Knuttel, Willem van Konijnenburg, paletserie, Amsterdam 1941 Katalogustentoonstelling ‘Verve’ in het Haags Gemeentemuseum, 19 oktober- 24 november 1974.
De afkorting GB verwijst naar de zgn. Gouden Boeken, in het bezit van de Haagse Kunstkring, waarin tal van evenementen door de leden zijn vastgelegd.