Van tachtigers tot vijftigers
door Albert Vogel
Het karakter van een kunstenaarsvereniging en het culturele klimaat van een stad worden niet in de eerste plaats bepaald door de grote namen, de beroemde kunstenaars die hun sporen in het culturele leven van hun tijd hebben nagelaten.
Zeker, aan die baanbrekende figuren waaraan het de Kunstkring in de loop van zijn bestaan gelukkig niet ontbroken heeft, zal op deze tentoonstelling veel aandacht worden besteed, maar daarnaast worden het karakter, de sfeer, het gehalte ook, van de verschillende bijeenkomsten dikwijls bepaald door kunstenaars van minder dominerend kaliber, onder wie soms belangrijke talenten die vaak door hun persoonlijkheidsstructuur of door van buitenaf komende omstandigheden en tijdsstromingen niet tot grote bekendheid zijn gekomen ofwel enigszins vergeten zijn geraakt. Hun activiteit in het verenigingsleven van de HKK was dikwijls zo belangrijk dat er in deze tentoonstelling terecht ook aan deze figuren veel aandacht wordt besteed.
De afdeling fraaie letteren, zoals hij officieel heette, was in 1891, met niet minder enthousiasme van start gegaan dan die van de schilderkunst en heeft op een aantal onbetwiste hoogtepunten kunnen bogen.
Anders dan bij, met name, de beeldende kunst, waarbij men aan de hand van tentoonstellingscatalogi en foto’s nog wel een goede indruk kan krijgen van het door de jaren heen gepresteerde, is het veel moeilijker een beeld op te roepen van de precieze sfeer en van de kwaliteit van een literaire bijeenkomst. Natuurlijk, we kennen de namen van de schrijvers en voordrachtskunstenaars die in de loop der jaren aan het woord waren, maar de toon van hun gedachtenuitwisselingen die van alles waarschijnlijk het belangrijkste is geweest, die is moeilijk te reconstrueren.
Wanneer we aan de literatuur van het einde der 19de eeuw denken valt natuurlijk onmiddellijk het woord TACHTIG. Al was de ineenstorting van de Nieuwe Gids in 1891, het jaar van oprichting van de Kring en van de literaire afdeling, niet ver meer weg, (in datzelfde jaar ook schreef Lodewijk van Deyssel zijn befaamde artikel ‘De dood van het Naturalisme’), de Tachtigers zèlf gaven nog vele jaren de toon in literair Nederland aan. Tachtig was echter vooral een Amsterdamse aangelegenheid. In Den Haag woonden als voornaamste literatoren Louis Couperus en Marcellus Emants. Couperus, zo bleek later, moest niet veel van de Kunstkring hebben, bovendien vestigde hij zich in datzelfde jaar, na zijn huwelijk met zijn nichtje Elisabeth Baud, voor enige tijd in het Gooi en begon daarna aan een leven van reizen en trekken door Europa. Zijn roem was overigens niet onbestreden en eigenlijk voornamelijk gebaseerd op het in 1889 verschenen ‘Eline Vere’.

Het was dan ook niet hem maar Marcellus Emants die de leden van het voorlopig bestuur van de Kring aanzochten om een literaire afdeling op te zetten. Emants (1848-1923) had al in de late zeventiger jaren een actieve rol in het Haagse kunstleven gespeeld als redacteur van het maandblad ‘De Banier’ dat van 1875 tot 1880 verscheen en in bepaalde opzichten een voorloper van de Nieuwe Gids genoemd mag worden.
Het tijdschrift had vooral een lans willen breken voor de ideeën van Wagner en het was dus niet verwonderlijk dat, Emants zich liet strikken voor een vereniging die de onderlinge verbroedering der kunsten als devies in haar vaandel had geschreven. De afdeling fraaie letteren ontplooide haar eerste activiteiten op de zogenaamde kunstavonden waaraan door alle afdelingen werd meegewerkt. Van de derde afdeling konden schrijvers, dichters, voordrachtkunstenaars, acteurs lid worden als ook letterkundigen.
In de loop der jaren werd ook plaats ingeruimd voor de dans, mime en de film. Al voor de eerste kunstavond leverde Emants zelf een bijdrage in de vorm van de tekst van een schimmenspel. Hiervoor had de schilder P. de Josselin de Jong, medeoprichter van de Haagse Kunstkring, die in die eerste jaren zeer actief was, de schimmen gemaakt. Deze schimmenvertoningen keren in de geschiedenis van de Kring met de regelmaat van de klok terug en groeiden uit tot een ware traditie. Hier moet de naam van Frans ter Gast genoemd worden die in de twintiger en dertiger jaren talloze voorstellingen voor de Kring gegeven heeft. Ook hier werkten vaak de verschillende kunsten samen, zoals in 1931 bij het schimmenspel van Ter Gast op Boutens gedicht ‘Beatrijs’, waarbij Jos Vrancken de muziek schreef.



Voor Emants waren de jaren van zijn voorzitterschap van de afdeling Letteren een productieve tijd. In deze periode schreef hij zijn ‘Een nagelaten bekentenis’ dat in 1894 verscheen. De Kunstkring kreeg de primeur van twee van zijn korte toneelstukken.
Waar de emancipatie van de Toneelspeelkunst in Nederland nog maar net begonnen was (en voornamelijk in handen was van de erudiete en literair begaafde Jan C. de Vos) is het begrijpelijk dat het amateurtoneel in beschaafde kringen vaak hoog werd aangeslagen. Bovendien werd Emants’ toneelwerk weinig gespeeld door de beroepsgezelschappen (waarover hij zich vaak beklaagde). Zo is het eveneens begrijpelijk dat hij zelf een eigen toneelgroepje samenstelde ‘Utile et Laetum’, waaraan in de tachtiger jaren ook Couperus vaak meewerkte. Men speelde meestal in de grote foyer van het Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen. In januari 1892 werd in de zaal van de Kring voor de eerste maal zijn dramatisch tafereel ‘Hij’ opgevoerd en twee jaar later ging eveneens voor de Kring de première van ‘Onder ons’.

Die eerste toneelopvoeringen waren schoolvoorbeelden van de samenwerking der verschillende afdelingen. Voor een opvoering van Maurice Maeterlinck’s ‘l’lntruse’ (uit 1891) door ‘Utile et Laetum’, waarin ook Emants vrouw optrad, schreef Emants de vertaling terwijl Karel Textor lid van de afdeling toonkunst er toneelmuziek bij maakte. Overigens een merkwaardig gemengd programma; op éénzelfde avond werden behalve ‘Onder ons’ en ‘l’lntruse’ ook schimmenspelen door Rink, de Josselin de Jong, Moulijn en anderen vertoond, waarbij Boele van Hensbroek eigen teksten sprak terwijl Textor ook hierbij de muzikale begeleiding verzorgde. Er werd zang ten beste gegeven door Mevrouw Spoel, een tableau vivant opgevoerd (naar ‘Breistertje’ van Jozef lsraëls) en een monoloog voorgedragen; ‘de hele avond was karakteristiekartistiek’ schrijft een der meespelende kringleden, ”t enige wat uit de toon viel, was de monoloog: kleinburgerlijk en ploertig!’. Dit was in 1894, toen hier de Maeterlinck-mode op gang kwam.
In datzelfde jaar speelde de Franse acteur Lugné-Poë met zijn gezelschap ‘l’Oeuvre’ het werk van Maeterlinck in ons land, waarbij hij ook in de HKK optrad. Deze verdediging van de scheppende dichterlijke fantasie als reactie op het naturalisme beantwoorde aan de smaak van de tijd en de grote interesse voor het symbolisme, een verschijnsel dat vooral in Den Haag sterk tot uiting kwam.

In het stuk ‘Leven’ van het Kunstkring lid M. Constant, dat in 1895 werd opgevoerd in de Kring, vinden we de invloed van Maeterlinck duidelijk terug. M. Constant was het pseudoniem van een schrijfster, Marie Clant van der Mijll, vooral bekend geworden door het symbolistisch toneelstuk ‘Lotos’, dat onder leiding van Jan C. de Vos in die jaren in het Tivolitheater in Rotterdam werd gespeeld. Maeterlinck bleef in Den Haag jarenlang een geliefd auteur en zijn naam keert steeds terug op de programma’s. De voordrachtkunstenaressen lris Zeilinga-Doodeheefver en mevrouw Boldingh-Goemans hadden zijn werken op hun repertoire. Marie Kalft, beroemde Franse actrice van Nederlandse geboorte, Societaire van de Comedie Francaise, gaf in 1905 nog een hele Maeterlinckavond voor de Kring. Naast Marcellus Emants waren er weinig andere grote namen in deze jaren in het ledenregister van de derde afdeling, Ary Prins was wel lid, maar onthield zich van activiteiten.
De Tachtigers waren elders actief al verschijnen ze wel regelmatig bij bepaalde evenementen in de Kring zoals het bezoek van Verlaine of Stefan George als ook als bezoekers van de tentoonstellingen. Hun werk werd trouwens op de Kring niet verwaarloosd: letterkundigen bespraken het en het stond decennialang op het programma der voordrachtsavonden evenals dat van Couperus die zich weliswaar nooit in de Kring vertoonde maar er veel weerklank vond. In 1899 droeg Phine Beider zijn ‘Psyche’ in de Kring voor.
Oud-Nieuwe Gidser Frank van der Goes sprak in 1896 voor de Kring; het jaar van oprichting van zijn socialistisch maandblad ‘De Nieuwe Tijd’. Echt nauw verbonden was de Kring met de activiteiten van de in 1895 opgerichte Kroniek van P. L. Tak. Vele kunstkringleden werkten hieraan mee.


Eigenlijke literaire Kringleven werd evenwel door een aantal mindere grootheden beheerst, zeker nadat Emants in 1894 veel te vroeg zijn post verliet, dit waarschijnlijk naar aanleiding van een zeer persoonlijke aangelegenheid waarin mogelijk de schrijfster M. Constant verwikkeld was.
Haar eigenlijke naam was toen Snijder van Wissenkerke-Clant van der Mijll, de vrouw van Mr. W. F. Snijder van Wissenkerke, Algemeen voorzitter van 1894 tot 1919, vanaf 1918 erevoorzitter van de Kring. Later scheidden zij en huwde de schrijfster met een ander kunstkring lid, de architect J. Limburg. Mevrouw Snijder van Wissenkerke was een typisch Haagse schrijfster, die in deze periode was angehaucht door een couperiaans symbolisme. We noemden reeds de invloed van Maeterlinck op haar werk ‘Leven’. Dit maakte deel uit van haar boek ‘Zwarte Vlinders’, waarvoor Toorop een prachtig lineair portret van de auteur maakte en ook de band ontwierp. Vanaf 1895 was mevrouw Snijder van Wissenkerke zeer actief in de Kring, waar haar salonstukjes en dialogen gretig aftrek vonden. Titels als ‘Een mondaine’, ‘Ene lente-idylle’ en ‘Kerstavond’ geven al op zich een aardige indruk van het karakter van haar werk.

Als opvolgster van Emants in het voorzitterschap van de afdeling trad eerst op Thérèse Hoven, schrijfster van meisjesboeken en ontspanningslectuur, wier grootste verdienste geweest is dat zij, met het grote succes dat haar tientallen Libelle-romannetjes hadden, haar uitgever L. J. Veen het mogelijk maakte om een moeilijker verkoopbare (en veeleisende!) auteur als Couperus te blijven uitgeven. Ze werd na een jaar opgevolgd door Frits Lapidoth, schrijver van o.a. het boek ‘Goëthia’, een mystiek werk dat nog een Duitse vertaling beleefde, en waarvan de laatste zin luidt ‘Toen was het vertrek vol bloedrige stukken lijk’. Later was hij een bekend recensent.
Hij was enige tijd gehuwd met het zingende hart in onze letterkunde, de sinds 1892 in Den Haag wonende dichteres Hélène Swarth (1859-1941). Beide echtelieden hielden in 1896 voordrachten voor de Kring.
In 1898 nam P. A. M. Boele van Hensbroek (1853-1912) het voorzitterschap van Lapidoth over. Deze schoonzoon en vennoot van de uitgever Martinus Nijhoff was een van de eersten uit een lange rij letterkundigen die lid waren van de Kring of er causerieën hielden. Als leerling van Vosmaer was hij in 1891 nogal bekend geworden door het aan Koningin Emma gewijde ‘Van een koningsvrouw’ (deze was, tussen haakjes, een regelmatige bezoekster van de tentoonstellingen van de Kring, waar zij ook kocht). Boele van Hensbroek sprak voor de Kring o.a. over de Tachtigers, maar hield zich ook bezig met de schilderkunst (o.a. sprak hij over J. lsraëls). Hij schreef ook een catalogus van het museum Mesdag.

Andere letterkundigen die in deze jaren voor de Kring optraden waren de Gids-medewerker Prof. A. G. van Hamel (1842- 1907), die over dictie sprak (een onderwerp dat Albert Vogel Sr in de twintiger jaren nog eens zou uitdiepen) en Prof. Dr. Jan ten Brink (183-1903), leraar van zowel Emants als Couperus. Volgens deze laatste praatte Ten Brink veel mooier dan hij schreef en praten deed Ten Brink dan ook over de graalsthematiek, die door de Wagner-opera’s o.a. erg populair was geworden.
Leden die verder van zich deden horen op de verenigingsavonden waren Edward B. Koster, dichter en hooggeschat vertaler o.a. van Shakespeare, die wat mij betreft de onsterfelijkheid verdiend heeft omdat hij Van Deyssel aanleiding gaf hem te betitelen als ‘iemand met een vies zieltje, een zieltje als een poepje’ en lid van het eerste uur, W. F. Margadant, oud zeeofficier en schrijver van marine-schetsen, monologen en kluchten, die tijdens de eerste wereldoorlog Boele opvolgde als voorzitter.
De internationale gerichtheid van de Kring die de eerste en tweede afdeling tentoonspreidden was ook bij de literaire afdeling aanwezig. Er waren goede banden met het België van ‘Van Nu en Straks’. Evenals bij de afdeling beeldende kunst was het hier ook Toorop die de contacten legde. Toorop, die zich in die jaren zozeer voor de Kunstkring inzette dat hij er zich zelfs voor in Den Haag vestigde, ging daarbij nogal eens onprotocollair te werk. Op 12 april 1894 schrijft de secretaris J. Jurriaan Kok aan voorzitter Th. de Bock: ‘Zo kan het niet langer, Toorop inviteert op eigen houtje Verhaeren, het is een gekkenhuis’.
Op 25 april vraagt Jurriaan Kok aan het hoofdbestuur ontslag waarschijnlijk naar aanleiding van deze kwestie, maar bij nader inzien blijft hij toch aan. Jurriaan Kok speelde vanaf 1894 artistiek de grootste rol in de bekende Haagse fabriek Rozenburg (aardewerk en eierschaalporselein). Hij was een actief secretaris en men zal blij zijn geweest dat hij op zijn ontslag terug kwam. Emile Verhaeren hield in april 1894 in gezelschap van de jonge August Vermeylen een lezing over ‘Les Esthétiques littéraire contemporaines’. Toorop maakte bij deze gelegenheid een portret van Vermeylen.
Verhaeren keerde in 1907 nog eens terug in de Kring. Vanaf 1897 was de Vlaamse schrijver Cyriel Buysse lid van de Kring. Hij was een winterbewoner van Den Haag. In 1929 werd hij samen met Hélène Swarth en Willem Kloos in de Kring gehuldigd.

zitten v.l.n.r. C. Bruysse, Helene Swarth, Willem Kloos
Staand v.l.n.r. tweede van links Jan Ubink daarnaast Ellen Vareno, achter Helene Swarth Albert Vogel Sr. daarnaast; Jeanne Kloos-Reyneke van Stuwe, naast haar: haar zuster Jacqueline R.v.S. uiterst rechts de zanger: Ari Vadesta
Het was in het begin der negentiger jaren vooral Toorop, die door zijn contacten met de groep van Les XX, die later overging in La Libre Esthétique, zorgde voor enige interessante evenementen. Hij was het die samen met de schilder en graficus Philippe Zilcken, die een bekend francofiel was, Paul Verlaine naar de Kring haalde. Van 2 tot 13 november 1892 bezocht de dierbare parnassien ons land en het werd een ware zegetocht.

In het boekje ‘Quinze jours en Hollande’, dat in samenwerking met de Haagse boekhandelaar Blok verscheen, legde hij later zijn indrukken van dit bezoek vast. Hij gaf totaal vier lezingen in ons land, waarvan twee in Den Haag, een in Leiden en een in Amsterdam. In Den Haag logeerde hij bij de Zilckens in hun villa Hélène tegenover Huis ten Bosch, en in de kortste tijd werd hij voorgesteld aan de hele Nederlandse kulturele elite. Het beviel Verlaine uitstekend in Den Haag. Voor het dochtertje van zijn gastheer, Renée Zilcken, (‘Fillette exquisement mignonne’) schreef hij een gedicht. Hij bewonderde de Passage aan het Buitenhof en verwonderde zich over de naam ‘s-Gravenhage. Op de tweede dag van zijn verblijf maakte Zilcken foto’s van Verlaine. Toorop en Albert Verwey kwamen op bezoek en bleven lunchen. Hij nam die dag ook een kijkje in de zaal waar hij ’s avonds zou spreken. Het was de zaal waar gewoonlijk de Vrijmetselaars hun Loge hadden. Hij sprak die avond voor ongeveer honderd mensen, waaronder opvallend veel vrouwen en meisjes. Er waren ook studenten uit Leiden en Amsterdam.
Tijdens zijn eerste lezing voor de Haagse Kunstkring ontmoette Henriëtte van de Schalk haar latere man Richard N. Roland Holst.
De titel die Verlaine voor zijn lezing opgaf was als volgt: ‘Causerie relative aux écrivains en vers, mes contemporains et compatriotes, suivie de lecture à l’appui. Parallèlement aux Parnassiens, mes vieux amis et camarades de lettres, je parlerai des ‘modernes Décadents, Symbolistes et Romanciers nos successeurs, non moins nos amis’.
Verlaine las ook o.a. gedichten voor uit zijn bundel ‘Sagesse’, die veel succes hadden. Na afloop van zijn lezing wandelde hij met Verwey, Toorop en de Zilckens naar de Sociëteit van de Kring in de Passage, waar nog lang nagepraat werd.
Tijdens zijn verblijf in ons land werd Verlaine nog getekend door Toorop, Isaac lsraëls en Jan Veth. Verlaine op zijn beurt maakte een tekening van Toorop (‘Ce Suberbe Javanais’). Ook ging hij op bezoek bij de schilder Haverman, waar de Haagse componist B. J. F. Varenhorst voor het gezelschap op de piano eigen werken speelde.
Vrijwel tegelijkertijd met Verlaine’s bezoek aan de Kring viel de komst van de Sâr oftewel Joséphin Péladan, grootmeester van de Ordre de la Rose + Croix et du Graal. Leider van een even mystieke als artistieke sekte die in Parijs jaarlijks schilderssalons organiseerde, die het Franse kunstleven tot het eind der negentiger jaren geïnteresseerd en geamuseerd heeft. De Orde was niet zonder invloed op het symbolisme en onze Toorop exposeerde er. Verlaine woonde de lezing van Péladan bij.

De Sâr sprak in de zaal van de Kunstkring, boven Café Riche aan het Buitenhof over: ‘Le Mystere, l’art et l’amour’. Verlaine beschreef de zaal bij die gelegenheid: ‘assez grande, en long plutot faiblement éclairée’. Met Péladan had Verlaine niet veel op (contestable, mais talentueux’).
Op 14 november 1892 beschrijft Albert Verwey het diner dat ter ere van de twee kunstenaars werd gegeven in een brief aan Henriëtte van der Schalk. ‘Het middenstuk van gister was mijn kennismaking met den Sâr – Mr. Peladan wel te verstaan. Aan een tafel met brandende bougies en twintig gasten zat hij over Verlaine, zijn sluwe pikzwarte hoofd, en lenig lijfje in zwartzij jakje met witkanten befje en sluitend tot de vrouwelijke handjes, bruin-satijnen kuitbroek in hooge witte laarzen – en wat een zwierige buiging maakte hij van in-één-zwaai opstaan, omdraaien, nijgen en weer gaan zitten, toen ik binnenkwam. ’t Is een hansworst.
Verlaine was weer mooi, en las ’s avonds bij Zilcken ‘Car l’art, mon enfant c’est d’être absolument soi-même’ – ‘Fi du dandyisme et fi de la pose’. Vanochtend hebben we ‘m gedag gezegd: je me sens comme un enfant, zei-i-aan dat drukke station tusschen al die ratelende treinen. Hij verlangde naar zijn hotelletje en naar ’t hospitaal waar hij ging uitslapen. Toorop was ook aan den trein, er naar toe gerold, ons langs, in een aapje. Hij was na ’t déjeuner met Peladan gegaan naar Scheveningen, al de Scheveningsche jeugd achter ze aan.’
De lezing van Péladan maakte ondanks sprekers bizarre uiterlijk diepe indruk. In zijn manifest dat hij datzelfde jaar als voorwoord bij de catalogus van de eerste tentoonstelling van zijn salon de la Rose + Croix had geschreven noemt hij de kunstenaar: een priester, een koning, een magiër.
De afkeer van de bourgeoiswereld en de neiging tot mystiek, het bijna religieus aanvoelen van de kunstenaarsroeping sprak velen aan. Zozeer zelfs dat, na afloop van Péladans lezing Toorop, R. N. Roland Holst en Thorn Prikker zich opgaven als lid van de orde. Een, zij het kortstondige, gebeurtenis die juist bij deze kunstenaars zeer goed in hun ontwikkelingsgang paste. Het Gouden Boek van de HKK houdt aan beider bezoek een kenschetsende herinnering vast; een bescheiden handtekening van de grote Verlaine en een de gehele bladzijde beslaande sierlijke handtekening van de Sâr. De herinnering aan het bezoek van Verlaine en Péladan werd in de Kunstkring altijd levendig gehouden. Geen wonder dat bij het 15-jarig bestaan in 1906 in een Revue voor de Kring zowel Verlaine als Sâr Péladan ten tonele werden gevoerd. Veertien jaar na Verlaines bezoek aan de Kring hield H. P. Harlem de nagedachtenis aan hem in ere met een lezing over ‘La vie et l’oeuvre de Paul Verlaine’. In 1921 was het Fenna de Meyier die een avond aan de grote dichter wijdde.
Uit Parijs kwam in 1897 C. Mouvy spreken over Dante Gabriël Rossetti, de Engelse Pré-Rafaellitische schilder en dichter, die in de negentiger jaren zo’n grote invloed op onze schilders had.
Uit Duitsland was de voornaamste gast in die jaren Stephan George die door bemiddeling van Albert Verwey werd uitgenodigd om in de Kring uit eigen werk te lezen. Op de avond van 28 maart 1896 las George behalve zijn eigen ‘Neue Gedichte’ ook werk voor van zijn vrienden Hugo van Hoffmansthal en Gerardy. De voornaamste tachtigers waren nu in de Kunstkring bijeen. Gorter, Verwey en Van Deyssel. De laatste schreef naar aanleiding van de avond in de Kroniek van 5 april: ‘Toen hij, na zittend gelezen te hebben, oprees om de ‘Neue Gedichte’ van hem zelf uit-het-hoofd op te zeggen, was dat een moment van zoo ranke princelijkheid en hooghartige geestelijke elegantie, -en klonk zijn licht zingend gezeg zóó als een ver klokje in fijnen reinen wintermorgen in onzen aandacht, – dat de bijwoning een éénig lotgeval mocht heeten.’ Ter gelegenheid van deze lezing maakte Toorop zijn portret van de dichter, waaraan hij naar aanleiding van een later bezoek van George, in mei 1901, toen George in Boschoord sprak, het portret van Verwey toevoegde.

Voordrachtskunst
In de komende jaren werd naast causerieën en lezingen, ook wel in cyclus, veel aandacht besteed aan voordrachtskunst.
In 1899 treedt Willem Royaards op met ‘Julius Caesar’ van Shakespeare. Namen die wij later ontmoeten zijn Philippe de la Chapelle, Johan Broedelet, die ook de teksten voor cabarets vervaardigde, Jeanne Visser, Marie Metz-Koning, Louis Landry, terwijl ook Eduard Verkade’s aanbod om voor de Kring de Macbeth voor te dragen gaarne werd aanvaard. De bekendste voordrachtskunstenaar uit zijn tijd was ongetwijfeld Albert Vogel Sr die in 1903 voor het eerst in de Kunst kring optrad met Oscar Wilde’s Salomé, dat twee jaar later door Richard Strauss getoonzet zal worden.
Een programmakeuze, die opmerkelijk genoemd kan worden omdat na Wilde’s dood de herinnering aan zijn proces en veroordeling nog levendig was en de morele verontwaardiging, ook in ons land, zich nog steeds zowel tegen de dichter als diens werk richtte. In 1906 droeg Vogel het aan hem opgedragen drama ‘Koning Svend’ van kunstkring lid Hendrik van der Wal, voor.
En in 1909 was hij voordrager bij Willem van Konijnenburg’s gestenspel in 5 bedrijven: ‘Waarheid en Chimere’. Een symbolisch bewegingsspel waarvoor Van Konijnenburg zowel de tekst geschreven had als ook de ‘choreografie’ ontworpen. De decors waren van Henricus, de muziek gecomponeerd door Willem Landré, aan de piano Henriëtte Roll. Door de samen werking van verschillende kunstvormen, werd het een typisch Kunstkring evenement, dat grote aandacht trok.
Daarna horen we pas in de twintiger jaren weer van Vogel, die dan regelmatig voordraagt voor de Kring. Hij bracht er uit zijn klassiek romantische repertoire o.a. ‘Koning Oedipus’ en ‘Antigene’, Byron’s ‘Manfred’, het Wagneriaanse drama in ver zen ‘Starkadt’ van de Vlaamse dichter Alfred Hegenscheid, maar ook romantische Duitse balladen met pianobegeleiding, waarvoor Willem Landré en Koeberg de muziek schreven. Vogel was van 1926 tot 1932 Algemeen Voorzitter en leidde in die tijd, eveneens als voorzitter, de Maatschappij van Woord kunst die haar bijeenkomsten in de Kring hield en nauw met het Kringbestuur samenwerkte.

In 1933 na Vogel’s dood, werd, mede door de HKK, een comité gevormd om te komen tot de oprichting van een monumentje te zijner nagedachtenis. Het kringlid van het eerste uur Anton Molkenboer ontwierp een mozaïekfontein die in 1935 geplaatst werd op het Frederik Hendrikplein in Den Haag. Op de rand: Aan Albert Vogel 1874- 1933. Daarboven een citaat van Vondel: ‘O, wondre macht van ’t woord vol majesteit’.

Aan het eind van de dertiger jaren zien we het optreden van de befaamde solo-actrice Nel Oosthout met Klabund’s ‘de Krijtkring’ met medewerking van de cellist Albert van Doorn. Zij trad voor de Kring ook op met ‘Elckerlijck’.
Ben van Eysselsteijn droeg verschillende malen uit eigen werk voor evenals André Peters die echter ook met werken van Goethe en Vondel optrad en een eigen bewerking van ‘Parsifal’ bracht met muziek van Wagner. De literair gevoelige Maud Cossaar liet zich verscheidene malen horen terwijl we in deze periode vele malen de namen van Francien Koote-Gerrese en van Iris Zeilinga-Doodeheefver tegenkomen. Laatstgenoemde had reeds in 1929 in de Kring Maeterlinck’s ‘La mort de Tintagiles’ voorgedragen, ter gelegenheid van de Tooropherdenking.
Bij die herdenking werd behalve door de voorzitter van de eerste afdeling J. C. Cossaar, het woord gevoerd door Albert Vogel Sr, Willem van Konijnenburg, Dr. H. Berlage en de ere voorzitter Snijder van Wissenkerke. Hugo van Dalen speelde Rachmaninoff’s ‘Trauer’.
De bekende Rotterdamse voordrachtkunstenaar Jacq. Elsacker werd in 1927 uitgenodigd. Naast mevrouw Boldingh-Goemans die al in 1912 voor de Kunstkring optrad, is het in de twintiger en begin dertiger jaren de voordrachtskunstenares Ellen Vareno die, soms tezamen met haar echtgenoot Albert Vogel, ettelijke voordrachtavonden vult met werk van Couperus, Paul Fort, Charles Peguy, Jan Prins. In het luchtiger genre excelleerden de populaire Mr. A. W. Kamp en Maria Mariette.

Van de vele voordracht-kunstenaarsessen noemen wij de namen van Jan Boezer, Maria van Royen, Mariette Serlé, Toos Hoog, Rodi Medenbach (vrouw van de kunstcriticus A. de Wal) en Thera Latour-Bovens. Behalve de al genoemde acteurs Royaards en Verkade liet de toneelspeler Cor Dommelshuizen zich als voordrager horen, evenals de actrices Betty Holtrop van Gelder (in 1923), Louise Kooiman (o.a. in 1934) en Caroline van Dommelen.
Het spreekt vanzelf dat bij de verschillende herdenkingen (Goethe-Gezelle-Vondel) en bij de huldigingen van o.a. Hélène Swarth, Willem Kloos, Cyriel Buysse, Frederik van Eeden, Johan de Meester en Johannes Reddingius, de bovengenoemde leden van de Kring hun medewerking verleenden. Een genre apart werd vertegenwoordigd door Liesbeth Sanders-Herzberg.

Ook op het gebied van de voordrachtkunst werd graag plaats gemaakt voor buitenlandse gasten. Zo hoorden de leden van de Kring Käthe Guttmann enkele malen voordragen. Alfred Beierle van het Deutsches Theater (Max Reinhard) bood een interessant themaprogramma in 1934 in samenwerking met de pianist Jan Hoog.
En in 1920 werd Elly Reicher uit Berlijn uitgenodigd met een programma waarin verzen van Confutze, Li Tai Po (in Hans Bethge’s vertaling) en Hafis, waarvan het exotische karakter zonder twijfel het Haagse publiek zal hebben aangesproken. In 1922 speelde Elly Reicher naast Eduard Verkade Lady Macbeth bij de Haghespelers in Den Haag. Ze werd in die rol opgevolgd door Louise Kooiman, die ook ettelijke malen voor de Kring optrad.
De Franse actrice Marie Kalft van de Comedie Française, die wij reeds noemden met haar Maeterlinckavond in 1906, kwam in 1911 nogmaals in de Kring met een Soirée van Paul Claudel.
In de jaren tussen de twee wereldoorlogen was August Heyting een actieve figuur in de Kunstkring, met name in de jaren 1919- 1925. Een merkwaardige man. Hij was o.a. kort algemeen secretaris van de Kring. Heyting was dichter en letterkundige. In de laatste hoedanigheid bestreek hij het hele terrein van Maerlant via Vondel en Shelley tot de Tachtigers in een reeks lezingen voor de Kring, vaak afgewisseld met voordrachten van eigen werk dat eerder uit de negentiende dan uit de twintigste eeuw afkomstig lijkt, maar dat door de componist Koeberg het kompliment werd meegegeven zo goed op muziek te zetten te zijn. Hij hanteerde in zijn werk vaak het oud Germaanse stafrijm dat ook Wagner graag gebruikte. Trouwens diens: ‘Nordische’ heldenconceptie vond eveneens bij Heyting weerklank, getuige bijvoorbeeld, zijn drama in verzen ‘Harald de Skalde’.

Kunstkringleden Cossaar, Georges Hoogerwaard en A. M. Luyt illustreerden zijn werk. In december 1939 werd Heyting in de Kring gehuldigd met de uitvoering van een fragment uit zijn ‘Radin’, terwijl de lokalen van de Kring versierd waren met illustraties van zijn werk door de Weense hoogleraar Hans Eibl die, door Berlage geïntroduceerd, in 1920 voor het eerst in de Kring geëxposeerd had. Ook Jan Ubink, jarenlang voorzitter van de afdeling letteren, gaf naast het voorlezen van eigen werk, vele avonden gewijd aan zeer uiteenlopende onderwerpen: ‘de vele mogelijkheden van het debat’, het voordragen van verzen in het publiek’, de relativiteit in de kunst’, de jonge kunstenaar en zijn moeilijkheden’ enz. enz.
Toneel
Jammer, maar begrijpelijk is het, dat echte toneeluitvoeringen in de Kunstkring maar heel weinig tot stand zijn gekomen. Na de amateuropvoeringen in de eerste jaren onder regie van Emants die, op een enkele uitzondering na, niet in de Kring, maar in de foyer van het gebouw van K. en W. werden opgevoerd (en natuurlijk Lugné-Poë’s optreden) haalde slechts een enkel meestal luchtig stuk in het kader van een feestavond de planken. Het zou ook technisch onmogelijk zijn geweest om met de officiële toneelgezelschappen te concurreren.

Nederlandse toneelschrijvers, wier werken in deze tijd slechts zelden tot een opvoering kwamen – een treurige traditie – kregen in de Kunstkring echter vele malen gelegenheid om hun stukken voor te lezen en hun standpunten over de toneelkunst te verdedigen. Zo heeft Bernard Canter enkele malen zijn stukken voorgelezen. August Heyting, Jan Ubink, Frans de Prez, Jan Fabricius, Eduard Veterman en Ben van Eysselsteyn presenteerden voor een vaak enthousiast gehoor hun stukken. Van deze auteurs werden Canter, weinig, Fabricius tot 1918 zeer veel, daarna uitsluitend door amateurs: Veterman en Van Eysselsteyn (die met ‘De duivel op aarde’ n.b. in Praag debuteerde!) regelmatig gespeeld, vooral door Cor v. d. Lugt Melsert.
Na de eerste wereldoorlog werd door het Bestuur een aantal toneelspelers uitgenodigd lid te worden met de bedoeling tot de instelling van een afzonderlijke afdeling toneel te komen. O.a. Cor van der Lugt Melsert gaf zich op. In dat jaar, 1918, trad ook Dr. J. L. Walch toe, de latere hoogleraar (aan de Sorbonne-Parijs) en nog later directeur van de Toneelschool in Amsterdam. Zijn voorganger als directeur van de Toneelschool, Balthasar Verhagen, sprak in 1920 over de ‘Bacchanten’ van Euripides, Otto Schabbel in 1921 over ‘Das Drama in die Niederdeutsche Literatur’, en in 1922 was het Maurits Wagen voort die over de toneelschrijver en zijn publiek sprak.
In 1931 werd een groot aantal avonden belegd in samenwerking met de Bond van Nederlandse Toneelschrijvers waarvan August Heyting voorzitter was. De Prezen Ubink spraken over theaterproblemen en van de laatste werd in 1936 in de Kring zelfs een toneelstuk opgevoerd ‘des Duivels prentenboek’ onder regie van K. Bronsgeest. Eveneens in 1936 sprak Dr. Hans Meyer over: ‘das Theater in Deutschland’.
Het meest spectaculaire evenement dat de Kring op Toneelgebied organiseerde was de ‘Eerste Nederlandse Toneelmaand’ in 1923, die helaas de enige zou blijven. Van 10 februari tot 10 maart van dat jaar werd een grote tentoonstelling van decor-ontwerpen gehouden. De Kring was toen gevestigd in de kelders van de Ridderzaal. In de Ridderzaal zelf werd ter gelegenheid van de Toneelmaand een Mirakelspel opgevoerd door ‘Die Haghe Spelers’ o.l.v. Eduard Verkade. Naast het optreden van het Schouwtoneel o.l.v. Jan Musch in de Schouwburg, waarschijnlijk een ‘gewone’ voorstelling, was er, alweer in de Ridderzaal, een bijzondere opvoering van het maskerspel: ‘The Only Jealousy of Emer’ van W. B. Yeats, in de vertaling van Hélène Swarth, o.l.v. Albert van Dalsum. Verder voordrachten en demonstraties door mevrouw Aleida Roelofsen, Frits van Dijk, Eduard Verkade, een lezing van de grote zangpedagoge Cornelie van Zanten met filmdemonstratie (!). Demonstraties ook, door toneelschoolleerlingen o.l.v. directeur Balthasar Verhagen en o.a. leraar Louis van Gasteren.
Verder, hoe kan het anders, Schimmenspelen in de Kring, met o.a. ‘de Bruiloft van Aladin’ met muziek van Dr. J. Wagenaar en medewerking van Vilmos Huszar. Een openbare les in choreografie werd gegeven door Lily Green en Margareth Walker. Eduard Veterman hield nog een causerie en Jan Fabricius las een nieuw stuk voor.
Op 13 mei volgt dan nog een demonstratie van de methode Jaques Dalcrose rhytmiek door mevrouw Boumans. Al met al een voortreffelijke wapenschouw, ook al door de uiteenlopende stijlopvattingen van Van Dalsum en Verkade, zeer interessant. De verschillende invloeden van Gordon Graig en van Reinhardt waren sinds 1900 verwerkt en aangepast aan de stijl van de Nederlandse regisseurs, waarvan deze beide (Verkade en Van Dalsum) naast Royaards de belangrijkste waren.
Ter gelegenheid van de viering van het dertigjarig bestaan van de Kring waren er vergevorderde plannen om Frederik van Eedens ‘Broederveete’ op te voeren. De schrijver besprak, na via Henri Borel benaderd te zijn, op 4 april 1921 de plannen met het Kringbestuur. Aanvankelijk zou Koeberg de muziek maken, later zette Lise Kuyper zich aan de kompositie. De schrijver zelf, die zich als toneelschrijver schromelijk miskend voelde, zette zich aan het pasklaar maken van de tekst. In juli 1921 werd door Lise Kuyper de muziek op de Kring voor gespeeld maar de opvoering ging uiteindelijk niet door, wèl kwam Van Eeden naar de Kunstkring en kregen de leden ‘De Broederveete’ in de vorm van een causerie te horen.
Lezingen over literatuur en kunstkritiek
Over het literaire leven in Nederland en daarbuiten werd veel gesproken. Zo zien wij in 1908 Herman Robbers, toenmalig toonaangevend criticus spreken over het literaire leven in Nederland, in 1924 de gezaghebbende Johan de Meester Sr en in 1928 de jonge A. den Doolaard die de moderne dichtkunst introduceert.

Op initiatief van de Kunstkring wordt in 1926 een congres belegd over kunstkritiek. Waarschijnlijk om eindeloos gezwets te voorkomen is men zo verstandig geweest om van tevoren een pre-advies in te roepen om uitgangspunten te hebben. Deze adviezen werden gegeven door o.a. E. G. van Bolhuis van de NRC, R. N. Roland Holst, Jan Fabricius, Edward B. Koster, en Herbert van der Poll. Tien jaar later, januari 1936, spreekt Pieter Koomen, criticus van de NRC, nogmaals over kunstbeschouwing en kritiek. In 1939 voert S. C. Tinbergen hierover het woord.

Dichters en vertalers uit en over eigen werk
Dichters en schrijvers uit den vreemde die Den Haag bezochten waren steeds graag geziene gasten in de Kunstkring. Be halve de reeds eerder genoemde Franse, Belgische en Duitse dichters vormde het bezoek van Paul Fort, ‘le Prince des Poètes’, een hoogtepunt. Dat was januari 1920.
Hij sprak over zijn werk in de Kring, zijn vrouw Germaine d’Orfer en Ellen Vareno droegen zijn gedichten voor. In januari 1931, werd de beroemde Roemeense dichteres Helena Vacaresco zelfs met een gala-avond ontvangen. Natuurlijk werden ook onze eigen dichters en schrijvers in ere gehouden. J. C. Bloem kreeg een ere-avond in 1938, en werd later erelid van de Kring.
Een keuze uit de literaire avonden:
In 1939 zien we het optreden van de dichters van het tijdschrift ‘Werk’, waaraan meewerkten o.a. Eduard Hoornik, Adriaan van der Veen, Jaques van Hattum en Theo van Baaren.
Eveneens in 1939 vond de huldiging plaats van Joannes Reddingius.
Van de dichters van 80, was het Dr. Hein Boeken, schildknaap van Willem Kloos, en de gelegenheidsdichter bij uitstek van de Tachtigers, die vele malen voor de Kring sprak en o.a. een inleiding tot Dantes Hemel gaf in 1910. Tien jaar later was het J. K. Rensburg,. uitnemend Dantevertaler, die sprak over deze geniale dichter in verband met ‘de Kunst, de Stijl en de Maatschappij van de naaste toekomst’. De zeer begaafde, wereldvreemde, idealistische Van Rensburg was een veel geziene gast in de Kring.

Annie Salomons sprak over en las voor uit eigen werk in 1921. In 1922 sprak Christine Doorman, de vertaalster van Andersen, over de innerlijke betekenis van sprookjes. Een onderwerp dat vooruitliep op de grote belangstelling van latere jaren, waarin (mede onder invloed van C. Jung) de archetypische waarde van het sprookje in de aandacht kwam (Schuurman – Melly Uyldert enz.).
Aan het eind van de dertiger-jaren spreekt de veelzijdige dichter-tekenaar Ir. Hein von Essen meerdere malen voor de Kring.
Lezingen over kunst en kunstenaars
Onder de zeer vele lezingen die in de loop der jaren voor namelijk onder auspiciën van de derde afdeling voor de Kring zijn gehouden, zijn er een aantal geweest, die wij speciaal willen noemen. Zo sprak in 1914 Anton Molkenboer over ‘Vergelijking der decoratieve kunsten in de Middeleeuwen, Amerika en Holland’. In 1917 sprak Dr. Jan Kalf over-monumentenrestauratie en in 1918 ter gelegenheid van de Vincent van Gogh tentoonstelling in de Kunstkring hield Otto van Tussenbroek over deze schilder een lezing.
In de maanden oktober tot en met december 1918 werd een vijftiental voordrachten gehouden door Dr. M. H. J. Schoenmakers uit Laren over ‘Beeldende wiskunde’.
Een andere, veelgehoorde, spreker was Dr. K. H. E. de Jong, die de Kring reeds in 1920 hoorde over ‘Vondel als denker’. In 1929 spreekt hij over de filosofie van Henri Bergson (gevolgd door een debat), in 1937 is zijn onderwerp ‘De parapsychologie en de kunst”.
In 1941 horen we De Jong weer, ditmaal over ‘de tweede Homerus’ en in 1952 nog werkte De Jong mee aan een symposion over literatuur en kritiek, tesamen met Prof. N. A. Donker sloot, Adriaan van der Veen, en Jos Panhuysen.
Het altijd actuele onderwerp ‘pornografie en literatuur’ werd in 1928 door J. Boender besproken.
De gedachte om een hele cyclus te wijden aan één speciaal onderwerp, dat van verschillende kanten belicht zou worden, leidde in 1940 tot een serie lezingen onder het motto ‘Het dienend karakter van de kunst’.
Het was typerend voor de dreigende sfeer van de tijd dat de Kring, die weliswaar de samenwerking der kunsten nastreefde, maar het maatschappelijk functioneren van de kunst over het algemeen nooit erg benadrukte, tot deze thematiek kwam. De spreker die als laatste min of meer een samenvatting van het onderwerp zou geven, was Mr. W. F. van Royen. Een kunstenaar van grote noblesse, die met Van Krimpen tot onze beste letterontwerpers behoorde. Specialist in het fraaie boek, werkte hij o.a. veel met A. A. M. Stols. Hij was niet alleen een verfijnd estheet, maar ook een man van de daad, die voor zijn overtuiging krachtig opkwam. Als een van de belangrijkste organisatoren van het kunstenaarsverzet is hij in de oorlog gearresteerd en terechtgesteld.
De geest die uit de opzet van deze lezingenserie sprak was een geheel andere dan de vrijblijvende beschouwingen zoals er vele in de Kring gehouden waren. Een veelbelovende nieuwe aanpak, die echter meteen het voorlopig einde van de Kring markeerde. Door het uitbreken van de oorlog op 5 mei werden de lezingen van Van Eysselsteyn en Van Royen uitgesteld tot het najaar van 1940.
In februari 1941, het laatste Kunstkring seizoen (tot 1945 werd de HKK ontbonden) sprak Jan van Kasteel over ‘Het gele huis’ door A. C. Willink, in wiens werk ‘een ontzielde wereld haar ondergang tegemoet snelt’.
Tentoonstellingen
Behalve door middel van het gesproken en geschreven woord werkten de leden van de afdeling letteren ook wel mee aan het samenstellen van tentoonstellingen. Zo werd er in 1912 een tentoonstelling van oude en nieuwe kinderprentenboeken ge houden en stelde Henri Borel, auteur van het veelgelezen boek ‘Het jongetje’, in 1913 zijn befaamde verzameling Chinese kunst tentoon in de HKK.
Borel was schrijver van indertijd beroemde boeken als ‘Schoonheid en wijsheid in China’ en gold als een expert bij uitstek. Hij is lang lid van de Kunstkring geweest. Waarschijnlijk is het Borel’s voorbeeld geweest dat August Heyting ertoe bracht om in 1919 zijn verzameling Chinese Kunst ten toon te stellen, mede als illustratie van zijn lezingen hier over.
Huldigingen
De gelegenheid om mede kunstenaars te huldigen werd door de Kunstkring graag aangegrepen. Vooral de twintiger en dertiger jaren gaven er het voorbeeld van.
Mevrouw Theo Mann-Bouwmeester, wier man, de componist en dirigent Gottfried Mann, medeoprichter van de Kring was geweest, werd gedurende haar jubileumtournee in de Kunst kring gehuldigd in 1926. In datzelfde jaar: Berlage.

In 1929 was het de beurt van J. H. Speenhof en in datzelfde jaar volgde de huldiging van Hélène Swarth, Willem Kloos en Cyriel Buysse.

Een jaar later werden Frederik van Eeden en Johan de Meester bejubeld, en in 1931 werd Jan Fabricius 60 jaar om welke reden ook hij in de Kring gehuldigd werd. Een blijk van warme waardering voor deze eens zo populaire, in die jaren door het beroepstoneel vergeten schrijver.

De grote dichter en beminnelijke mens J. C. Bloem werd in 1938 tot erelid benoemd.

Experimentele evenementen
Tot de belangrijkste historische evenementen in de Kunstkring valt zeker te noemen de eerste Nederlandse Dada bijeenkomst die op 10 januari 1923 in de zalen van de Kunstkring plaatsvond. Ondanks de onvermijdelijke Heyting, heeft dit optreden van Theo van Doesburg en Kurt Schwitters sterk de aandacht getrokken: ‘verrassende Dadaïstische avonden, tot in de verste uithoeken van ons land, ja in Duitsche Dadaïstische pamfletten besproken’ lezen wij in het jaarboek.

De Kring heeft het altijd een eer gevonden de plaats te zijn waar de tournee van Dada door Nederland is begonnen. De dichter K. Schippers heeft in zijn boek ‘Holland Dada’ een verslag gereconstrueerd van deze gedenkwaardige avond, waaruit wij het volgende citeren:
‘Het begin van de tournee wordt doorgaans in december 1922 gedateerd, maar volgens een bericht in het Algemeen Handelsblad van 9 januari 1923 was Schwitters toen opgehouden. ‘De dadaïst Kurt Schurtters (Schwitters) uit Hannover, die op 27 December een dadaïstischen avond zou geven in den ‘Haagsche Kunstkring’, – welke echter door pasmoeilijkheden niet doorging – zal morgen, 10 Januari in den ‘Haagschen Kunstkring’, Binnenhof 8, zijn bekende ‘Anna Blume’ en zijn satire ‘Ursachen und Beginn der grossen glorreichen Revolution in Revon’ voorlezen. De schilder Theo van Doesburg zal dezen avond met een korte inleiding tot het dadaïsme openen.’

Aan de hand van verslagen in de krant is het mogelijk het programma van die eerste avond te reconstrueren. Op het toneel staat een tafeltje met een schemerlamp en een glaasje water erop. Aan dat tafeltje zit Theo van Doesburg, gekleed in een zwart pak en een zwart hemd. Hij draagt een witte gebreide das, witte zijden sokken, zwarte lakschoenen en in een oog klemt hij een monocle. Een criticus zou van ‘een fotografisch negatief’ spreken en een ander schreef dat alles wat bij een gewoon mens zwart, bij Van Doesburg wit was en omgekeerd. Een derde gaf een variant op de bekende versregel van William Wordsworth: ‘He was a phantom of delight/when first he gleamed upon my sight/a lovely apparition sent/to be a moment’s ornament.’
Van Doesburg begon zijn door De Stijl voor deze tournee apart uitgegeven manifest Wat is Dada? (1923) te lezen, waarbij Kurt Schwitters, die achter in de zaal zat – niemand kende hem -, zijn redevoering van tijd tot tijd met krachtig geblaf onderbrak. Schwitters zou later schrijven dat hij op een teken van Van Doesburg – het drinken van een slokje water – voor de eerste keer zou blaffen en wel om het dadaïsme te demonstreren en ook omdat hij nog geen woord Nederlands kende. Volgens de kranten moet hij verder zijn gegaan. Koeren als een duif, kwaken als een kikker, kraaien als een haan en dan nog blazen, sissen en kermen.’ …
. . . ‘Een korte pauze volgde, waarin een deel van het publiek, aangestoken door Schwitters, allerlei geluiden begon te maken. Na Van Doesburg kwam Schwitters op het podium voor zijn ‘Ursachen und Beginn der grossen glorreichen Revolution in Revon’. Het publiek werd vooral uiterst rumoerig door de eindeloze herhalingen.’
Terwijl Schwitters las, werd de schaduw van een dansfiguur zichtbaar, die achter het toneel op een wit doek werd geprojecteerd. Een door Vilmos Huszàr gemaakte marionet. (Het is wel opmerkelijk dat er altijd schimmen aan te pas moesten komen in de Kring.)
‘Pauze. De kunstenaars verkochten exemplaren van Mécano, Anna Blume, Merz, Wat is Dada? en Memoiren Anna Blumes in Bleie, welke laatste bundel Schwitters in 1922 bij uitgeverij Walter Heinrich in Freiburg had gepubliceerd en waaruit hij in Nederland veel zou voorlezen. De pers zag dit als een ondadaïstische, commerciële activiteit en besliste dat deze (anti) dadaïsten toch niet zo gek waren als zij eruitzagen.
Net voor de pauze had de pianiste Nelly van Doesburg nog De bruiloftsmars voor een krokodil van Rieti gespeeld en meteen na de pauze kwam zij terug met de Treurmars voor een vogel en de Militaire mars voor een mier van deze Italiaanse componist. Deze muziek werd in de pers nog ‘zeer aanhoorbaar’ genoemd en soms prees men de pianiste, die met ‘veel vaardigheid’ speelde.
Daarna verscheen Schwitters weer. Ditmaal had hij een als een ‘kinderharpje’ omschreven instrument in zijn hand, ‘een als een ratel ronddraaiende koker, waarin metalen klanktongen worden aangeslagen en daar uit een ragfijn zingend geluid ontstaat’ en waarop hij de eerste twee maten van ‘lch hatt eine Kameraden’ ten gehore bracht. Daarna een gedicht: Die zute Tute’ …
… ‘Een heer van de Haagsche Kunstkring sprak het dank woord: ‘Dom, domdomdomdom, domderedom, domderedom, heel dom, heel dom, meerdandom, meerdandom, dom’, waarmee hij probeerde aan te sluiten bij de stemming van het publiek. Nelly van Doesburg ondersteunde zijn woorden door de Ragtime van Erik Satie uit het ballet Parade te spelen, die in het programma als ‘Rag Time Dada’ vermeld stond.
In Merz 2 (april 1923) kwam Theo van Doesburg op dit dankwoord terug: ‘De heer August Heyting (… ) verklaarde zich bereid een Hollandsche Dadaïstisch volklied te maken (muziek van Voormalen (Voormolen)). Het motief door den heer Heyting daarvoor gekozen luidt: ‘dom dommer domst meer dan dom allerdomst’, womit er nicht sich meint. Bij wijze van hulde heeft de heer August dit motief op de eerste dada-soirée voorgedragen. Het publiek huilde Zwieback. Na dit geslaagde debuut als August de domme van de HKK hop hop (Lijn 13) heeft de heer Heyting de snit van zijn geklede jas laten ombeelden in een onberispelijke Biedermeyersnit’.
Beschamend is het dat de Kunstkring – ondanks alle loftuitingen in de verslagen van de vereniging – niet bereid was om de paar drankjes die Van Doesburg en de zijnen in de sociëteit hadden gedronken, te betalen! Theo van Doesburg was jarenlang lid van de Kunstkring en had daar al eerder gesproken over moderne schilderkunst.

In oktober 1918 had er al een ‘Ultra Moderne Matinee’ plaats gevonden door een groep die zich ‘De Branding’ noemde waaraan onder andere de dichter Herman van den Berg mee werkte evenals Louis Saalborn. De Futuristische declamatie werd door Laurens van Kuyk ten beste gegeven die ook de inleiding hield en door Leonard Limousin. Lidya Lyta gaf moderne dansen. Nog geen twee maanden later wordt er een soiree moderne gepresenteerd, op 15 december 1918, waar Jaap Kool sprak over moderne danskunst als inleiding tot expressionistische dansen door Grit Hegesa. En dat alles in een zaal waarin schilderijen van H. F. Bieling, die naar aan leiding van deze dansen gecreëerd waren.
Danskunst
Trouwens ieder jaar waren er regelmatig dansvoorstellingen. Zo vinden we in 1910 een dansmatinée door mademoiselle Villany ‘Danseuse moderne’ met ‘danses Stylisées, danses mythologiques, danses pieds nus, danses orientales’. Het soort dansen die door lsadora Duncan in zwang waren gekomen en waaraan ook Mata Hari haar naam te danken had.
In de dertiger jaren treed Darja Collin op, nog later Han Reinbeck.
Indië
Ook aan exotische danskunst werd veel ruimte gegeven. Gezien de sterke banden tussen Den Haag en het oude Indië valt het niet te verwonderen dat er in de programma’s veel aan dacht wordt gewijd aan de kunstuitingen van dat land.

In 1909 al organiseert mevrouw Van Zuylen-Tromp een tentoonstelling van Indische kunstnijverheid die zij mondeling toelicht, maar vooral in de twintiger jaren zien wij een grote belangstelling voor Indië, mede door de komst in de Kunstkring van R.M. Jodjana en de dichter R.M. Noto Soeroto. Deze laatste sprak verschillende malen voor de Kring.
Met een groep medewerkers (waarschijnlijk een groep Javaanse studenten uit Leiden) werden in 1921 een aantal dansavonden met Gamelanbegeleiding georganiseerd, waarbij de grote danser Jodjana het middelpunt was.

Bovendien sprak Noto Soeroto in dat jaar over het smeden van krissen. In 1929 danste Surya Thirta op Indische motieven begeleid door de gamelan.
April 1933 komt de Indiase danser lndra Ramonsay Hindoedansen uitvoeren met eigen begeleiding. In 1934 is de Javaan R. S. Hardjodirengo gast van de Kunstkring; ook in het seizoen 1937-1938 wordt er een avond gewijd aan toneel en dans in de Indische Archipel.
Cabaret en Revue
Naast deze hooggestemde kunstavonden waren er gelukkig veel vrolijke bijeenkomsten waar voor de gelegenheid gemaakte revue’s en cabarets werden opgevoerd. Medewerkers waren niet zelden uitstekende beroepskrachten maar meestal waren het de kringleden zelf die als amateur deelnamen.
Enkele voorbeelden:
In 1915 een revue geheten ‘Kunst en onafhankelijkheid’ gevolgd door ‘een spel van klank, dans en beweeg’. Tussen beide stukken in werd vertoond: ‘Kletsprent’ van Cornelis Veth, die in de Kunstkring zeer actief was en er onder andere sprak over karikaturen.
In 1916 een revue: ‘Hadjememare’, genaamd naar de toen bekende Amsterdamse zwerver had-je-me-maar, die in de Amsterdamse Gemeenteraad was gekozen.
In datzelfde jaar een cabaretavond waar onder meer de Kunstkringmarsch van Bart Verhallen ten gehore werd gebracht. Het programma bevatte schimmenspelen en een mimespel ‘De gloeiende tomaat’ geheten van Johan Broedelet dat door de leden zelf werd opgevoerd.
In 1931 is Han van Meegeren conferencier en in 1939 worden de conferences gehouden door Louis Gimberg, die met zijn latere ABC-cabaret als zodanig befaamd zou worden. In 1933 geeft Willy Corsari een avond cabaretliedjes.

Discussieavonden
Los van al deze evenementen stond een steeds terugkerende activiteit op kleine schaal: de zogenaamde rondetafel bijeenkomsten. Na een korte inleiding van een daartoe uitgenodigd kunstkring lid over een, al dan niet actueel, onderwerp kunst betreffende, werd er opgewekt gediscussieerd waarbij het peil naarmate het uur later werd en het drankverbruik steeg, wel niet altijd even hoog zal zijn gebleven. De animo en de gezelligheid waren er niet minder door.
In 1932 was er bijvoorbeeld een serie van 5 rondetafel avonden onder leiding van Drs. Tiemen Gerritsen over het onderwerp ‘Autonomie en harmonie’.
Over het algemeen, zo krijgt men de indruk, overheersten de beschouwende onderwerpen de actuele.
Bij het overzien van de activiteiten in de Kring gedurende de jaren 20 en vooral de jaren 30, valt ons op, dat in het bijzonder het belangrijke onderdeel ‘Letteren’ van de derde afdeling niet weerspiegelt wat er op literair gebied in Nederland voorviel. Dichters en schrijvers van ‘Het Getij’ – ‘de Gemeenschap’ – ‘Forum’ en hun werk werden niet of zelden aan de orde gesteld. Menno ter Braak, Greshoff, Engelman, du Perron, Marsman, Slauerhoff bijvoorbeeld zijn nooit officieel de gast geweest van de Kring. Nijhoff wel, maar pas na 1945 kwam hij regelmatig. Voor een deel is dat te wijten aan de hyper-individualistische afkeer die velen dezer schrijvers voelden tegen alle verenigingsleven. Maar toch krijgt men de indruk dat men in de HKK zich – vooral in de dertiger jaren – te veel opsloot in een opgewekt en druk verenigingsleven (een reactie op de dreigende ‘buitenwereld’ misschien, met crisis en naderende oorlog), en zich te weinig spiegel en weerklank toonde van wat er juist in deze jaren in de wereld der letteren zich afspeelde.
Het karakter van de Kring is weliswaar voor een groot deel gericht op een echt sociëteitsleven waar gezelligheid en onderling contact vooropstaan, maar toch verbaast men zich erover dat men in de programma-thematiek zo weinig betrokkenheid bespeurt met wat toen in het midden van veler gedachtenwereld moet hebben gestaan. Het toch wel à-politieke karakter van de Kring zal daar ook niet vreemd aan zijn geweest. De gehele geestelijke sfeer van Nederland vóór 1940 was voornamelijk gericht op neutraliteit. Men sloot de ogen voor wat er politiek dreigde en in die zin weerspiegelt de Kring toch wel zijn tijd. In de persoonlijke contakten en aan de ‘ronde-tafel bijeenkomsten’ zal zonder twijfel gesproken en gediscussieerd zijn, maar in de programma’s en lezingen kwamen de actuele onderwerpen niet of zelden tot uiting.
Het enorme succes van en de overweldigende belangstelling voor het programma van Lien Jaldati: ‘Joodse Kunst’ op 20 april 1940 in de zaal van de Kring, wijst er overigens op dat de betrokkenheid bij het toen al losgebroken oorlogsgeweld in Europa heel duidelijk aanwezig was en toonde ook aan waar de sympathie lag.
Opvallend is het dat na 1945, met het élan van herbeginnen, de actualiteit, zowel artistiek als politiek, een grote rol speelt.
Zo vindt er al in 1947 een discussieavond plaats in samenwerking met Pulchri Studio over ‘Abstract/Rijmloos’ (Beeldende Kunst en Dichtkunst) met medewerking van J. B. Charles, Willem Hussem en Paul Rodenko. Een toen brandende kwestie. In 1956, naar aanleiding van de rel die Fatsoensrakkers in de pers hadden ontketend tegen Anna Blaman, werd een avond georganiseerd: ‘Fatsoen en onfatsoen in de literatuur’ waaraan meewerkten: Anna Blaman, Jeanne van Schaik-Willing, Prof. S. van Dresden, Alfred Kosmann en Jos Panhuysen. Alweer was de Kring graag het podium van buitenlanders: In 1955 sprak Dr. Robert Junck over: ‘De toekomst is reeds begonnen; Michel Carrouge sprak in 1953 over Surrealisme en in 1958 werd Dr. William E. S. Dubois in de Kring ontvangen. Hier moet de naam van Nico Wijnen genoemd worden die eerst als secretaris, later als voorzitter van de derde afdeling de meeste van deze evenementen organiseerde.
Ook op het Toneelgebied werd veel gedaan. In 1955 een Toneel Forum met o.a. Verkade, Johan de Meester, Willy Pos en Fred Engelen.
In 1956 een internationaal symposium over nationaal toneel met Kenneth lreland, Wilhelm Mundt, Firmin Mortier en A. den Hertog.
In 1960 kwam de experimentele toneelgroep ‘Test’ voor de Kring met de première van drie Nederlandse éénakters: van Sybren Polet, Paul Rodenko en Harry Mulisch.
Elders in deze catalogus zal uitvoeriger over de periode nà 1945 worden ingegaan; daarom beperken wij ons tot deze korte opsomming om aan te tonen dat de HKK ook na de oorlog zijn taak en karakter behouden heeft.