tweede afdeling architectuur en kunstnijverheid
door Rudolphine Eggink en Peter Fuhring
Bij het schrijven van een geschiedenis van de tweede afdeling van de Haagse Kunstkring kun je je afvragen waarom men lid werd van een dergelijke vereniging. Voor alle afdelingen was de sociëteit een belangrijke factor, hier ontmoette men niet alleen andere kunstenaars, maar ook de kunstlievende leden, door wier toedoen men direkt of in direkt opdrachten kon krijgen.
Het spreekt vanzelf dat de schilders en sierkunstenaars belang hadden bij de tentoonstellingsgelegenheid die de Kring hen bood. Dit gold in veel mindere mate voor de architecten; immers een bestaand gebouw zegt meer over de kwaliteiten van de architect dan een tekening of foto aan de muur.
Hoewel er in de Kring veel gepraat werd over volkswoningbouw en enkele architecten zich daar intensief mee bezig hielden, zoals W. van Boven, W. Verschoor, A. Pet en W. Greve en in mindere mate J. W. Janzen, zagen de meesten meer in opdrachten voor landhuizen, banken en kerken.

De leden van de tweede afdeling lijken over het algemeen genomen meer geïnteresseerd in de mooie vorm van het gebouw of voorwerp, dan in de toepassing van nieuwe materialen of technieken. In de door ons geraadpleegde kranten en architectuurtijdschriften pleitten de architectuurcritici aan de ene kant voor een esthetisch verantwoord ontwerp, vanwege de opvoedende waarde die daar volgens hen van zou uitgaan, anderzijds werd de eis gesteld dat de architect tot de avant-garde moest behoren. In beide gevallen gaat men alleen in op het aspect van de vorm en geeft men in feite geen gefundeerde kritiek, omdat voorbij gegaan wordt aan de functie van het gebouw, zowel in praktisch gebruik als symbolisch.
Veel meer dan vóór de oorlog ligt nu de nadruk op de kunstnijverheid; in verhouding tot de architecten zijn er sinds de vijftiger jaren steeds meer kunstnijveren lid geworden. Hun werkzaamheden liggen niet meer op het terrein van de industriële productie, maar in de vrije sector, men maakt wandkleden en ander textielwerk, glasmozaïeken enz.
Een recent gehouden enquête heeft uitgewezen dat de leden de Kring graag in de eerste plaats als een belangenvereniging zouden zien, in tweede instantie pas als gezelligheidsvereniging en tentoonstellingsruimte, terwijl in de beginjaren van de Kring het accent voornamelijk op de laatste twee aspecten lag. De belangenbehartiging lag toen vooral in de tentoonstellingsmogelijkheden die geboden werd.
De afdeling architectuur van de Haagse Kunstkring werd in mei 1892, circa driekwart jaar na het ontstaan van de Kring, opgericht. In 1931 schreef de toenmalige erevoorzitter Mr. Dr.F. W. J. G. Snijder van Wissenkerke over het ontstaan van de Kring 1):
‘Zij [de Jongere schilders] werden wel niet en bloc en uit beginsel geweerd als lid der toenmalige kunstgenootschappen [o.a. Pulchri Studio], maar moesten zich meestal getroosten hun werken op tentoonstellingen op de lagere rangen, alias het verdomhoekje, te zien gehangen. Deze ondervinding wekte bij een Théophile de Bock, een Piet de Josselin de Jong, een Veldheer, een Toorop en anderen het verlangen naar een eigen huis waar zij de baas zouden zijn. Maar daarbij beseften zij dat alle kunsten te nauw verwant zijn om van elkaar gescheiden te leven, en zij vonden in hun streven tot vereniging bijval bij enige jonge architecten, letterkundigen en musici die gezamenlijk de oprichting van den Kunstkring tot stand brachten.’ Een andere visie hierop gaf Dr. G. Knuttel, directeur van de Dienst van K & W, in de inleiding op de catalogus van de jubileumtentoonstelling van 1940:
‘Zij werd volstrekt niet – zooals men misschien zou denken, opgericht als een revolutionaire daad van jongeren tegenover een oudere organisatie [in dit geval Pulchri], waar zij geen plaats in zouden kunnen vinden, Integendeel: hoewel vele jongeren er dadelijk deel van uitmaakten, betoonde de Kring de grootste bewondering voor de oudere kunstenaars dier dagen. Dat waren de groote meesters van de Haagsche School. Men moet hierbij bedenken, dat men toen, in 1891, wanneer in Holland van Kunst sprake was, in de eerste plaats aan de schilderkunst dacht. … En zeer belangrijk en voor de nieuwe richting kenmerkend was, dat deze schilders nu inderdaad ook de kunstenaars van andere uitdrukkingsmiddelen om zich heen groepeerden, in de eerste plaats sierkunstenaars en architecten. [J. Jurriaan Kok en de architecten Paul du Rieu, J. A. H Mialaret, G. Brouwer en A. van Delden].


Knuttel wijst er verder op dat in de Kring het karakter van de kunst wordt bepaald door de jongeren en zelfs door de allerjongsten en dat de Kring gekenmerkt wordt door een onafhankelijk en onofficieel karakter.
Als eerste activiteiten van de afdeling architectuur zien we twee historische tentoonstellingen over bouwkunst en kunstnijverheid in Zeeland (in 1893 en in Noord-Holland (in 1894). De oorspronkelijke opzet voorzag in een tentoonstelling voor elke provincie, maar het is bij deze twee gebleven. Beide tentoonstellingen kwamen tot stand met medewerking van Victor de Stuers, in die tijd referendaris van Kunsten en Wetenschappen, een van de eerste personen die zich in Nederland daadwerkelijk inzette voor de monumentenzorg. Bij de Zeeland tentoonstelling verscheen een boekje van zijn hand: ‘Aanteekeningen betreffende Zeelands monumenten’, dat een overzicht gaf van de voornaamste historische en kunstmonumenten voorheen en thans, maar dat eigenlijk voornamelijk een aanklacht was tegen de veelvuldige verwaarlozing van monumenten. De Stuers stond voor de tentoonstelling een groot deel van zijn eigen collectie in bruikleen af. Tevens trad hij op als bemiddelaar bij de minister van Binnenlandse Zaken om verscheidene opmetingen van oude bouwwerken te krijgen, waaraan het belang van de tentoonstelling voornamelijk te danken was. Ter gelegenheid van deze eerste tentoonstelling was de HKK-ruimte, die zich toen nog boven café Riche op het Buitenhof bevond, getooid met de Friese vlag. In tegenstelling tot de tentoonstelling over Zeeland werd de tweede, over Noord Holland, slecht bezocht en bleek de uitgebreide catalogus, die de toenmalige voorzitter van de afdeling Van Delden voorbereid had, financieel niet haalbaar.
De overige activiteiten bestonden in het begin hoofdzakelijk uit het tonen van werk van sierkunstenaars, dit waren meestal eenmanstentoonstellingen. Zo kon men in 1893 ontwerpen van Th. A. C. Colenbrander zien voor tapijten, lopers in Smyrna- en Perzisch weefsel met bijbehorende behangsels, galons, gordijnen, portières enz. bedoeld om door de industrie uitgevoerd te worden in b.v. trijp, zijde, satijn of brokaat. Colenbrander was één van de oprichters van de Haagse plateelbakkerij ‘Rozenburg’ en vervolgens leider van de tapijtfabrieken te Amersfoort en Deventer, hij was destijds al een ‘gearriveerd’ kunstenaar. 2)
In 1896 was er een tentoonstelling van cretonnes van het niet kringlid Michel Duco Crop. Hij was een van de eersten die van de fabrikant eiste dat de naar zijn ontwerp uitgevoerde stoffen betaalbaar zouden zijn voor het grote publiek, dit in tegenstelling tot het ontwerpen van Zwiers voor behangsels en stoffen. 3)
Mogelijk ter gelegenheid van het feit dat in 1896 aan Colenbrander het erelidmaatschap was verleend werd er in dat jaar nogmaals een tentoonstelling aan zijn werk gewijd. Ditmaal waren zijn ontwerpen voor de tapijtfabriek te Amersfoort te zien. In 1899 werd een tentoonstelling gewijd aan het werk van K. Sluyterman. 4) Naast uitgevoerde werken op het gebied van de kunstnijverheid, zoals zilverwerk, waren er de uitgevoerde ontwerpen voor de decoratie van het station in Den Bosch en voor de conversatiezaal in de studentensociëteit ‘De Phoenix’ te Delft tentoongesteld en de ontwerpen voor wandschilderingen voor de sociëteit ‘De Witte’ in Den Haag. Vooral het schetsen voor de halbeschildering met grote vrouwenfiguren in de trant van Mucha trokken de aandacht. De schrijver van de tentoonstellingsrecensie in het Bouwkundig Weekblad 5) betreurde het dat deze ontwerpen niet zijn uitgevoerd:
‘Waarom echter niet aldus? Omdat men denkt dat het voornamer klinkt menschen vanuit het buitenland te hebben doen overkomen? Omdat ‘s-Gravenhage nog wat te conservatief is voor de – niettemin bedaarde en hoogst gedistingeerde – moderne opvattingen van den heer Sluyterman?’.
Men was over het algemeen gauw geneigd zich tot buitenlandse kunstenaars te wenden. De oprichting van ’t Binnenhuis in 1900 door de heren Henny, Berlage en Hoeker, met als eerste directeur Jac. van den Bosch, moet dan ook gezien worden als een reactie op de Arts and Crafts aan de Kneuterdijk te Den Haag, dat onder de leiding van Thorn Prikker de Hollandse kunstnijveren te weinig verkoopgelegenheid bood. Hoezeer de belangenverenigingen als de Vereniging voor Ambachts- en Nijverheidskunst (VANK) opgericht in 1904 en de Bond van Nederlandse Architecten (BNA) uit 1908 in een behoefte voor zagen, bleek uit vrijwel unanieme toetreding van sierkunstenaars respectievelijk architecten.
De eerste en tweede afdeling organiseerden samen de Internationale Invitatietentoonstelling in 1895, waaraan twintig kunstenaars van buiten de kring deelnamen waaronder de architecten P. J. H. Cuypers en L. M. Cordonnier 6) uit Lille. De jongere tweede afdelingsleden, waaronder Kromhout, Limburg en Mialaret, (de laatste met een ontwerp voor een gebouw van de HKK) kregen weinig ruimte toegemeten in vergelijking met de coryfeeën als Berlage (veertien ontwerpen) en P. J. H. Cuypers (ontwerpen voor het Centraal Station en het Rijksmuseum te Amsterdam). Cuypers was geen lid van de Kring, maar was uitgenodigd deel te nemen. Op kunstnijverheidgebied was er aardewerk van de plateelbakkerij ‘Rozenburg’, tapijten, vuurschermen, applicatiewerk en stoelen.
In 1894 was het pand Heerengracht 13 aangekocht, dat op 23 oktober 1897 ingewijd werd met een gezamenlijke tentoonstelling van de eerste en tweede afdeling. Hoewel de sierkunstenaars altijd al deel hadden uitgemaakt van de tweede afdeling heet de afdeling nu pas officieel: architectuur en kunstnijverheid. Op deze tentoonstelling kreeg elk lid evenveel expositieruimte met uitzondering van P.J. H. Cuypers voor wie een ereplaats was ingeruimd, hetgeen waarschijnlijk te maken had met het in 1897 aan hem verleende erelidmaatschap. Deze tentoonstelling werd goed bezocht.
De activiteiten van de Kring bestonden niet alleen uit het organiseren van tentoonstellingen maar ook uit het houden van koseriën, lezingen en kunstbeschouwingen. Voorbeelden hiervan zijn de lezing van J. Th. J. Cuypers over Haarzuijlens en enkele beschouwingen over antieke en moderne Japanse kunstnijverheid, waarvan voorbeelden meegenomen waren door de spreker.
‘… , in ons land [begon] eindelijk de belangstelling voor buitenlandse kunst te ontwaken, ook hierin stond de Kring vooraan.’ 7) Deze opmerking van Knuttel zou voor de tweede afdeling onder andere kunnen slaan op de tentoonstelling van Franse architektuur en decoratieve schilderkunst van 1901 waarop werk te zien was van E. Chedanne, architecte du gouvernement in Parijs (archeologische studies van het Pantheon in Rome, Romeinse beschilderingen), van E. Vaudremer, architecte, membre de l’institut de Paris (kerkelijke architectuur) en van Ch. Lemeire, decoratieschilder te Parijs (uitgevoerde ontwerpen in kartons van gewelfschilderingen en mozaïeken). In hetzelfde jaar was er ook een expositie van Finse kunstnijverheid.
Ter gelegenheid van het tienjarig bestaan was er in januari 1902 een tentoonstelling van werken van eigen leden, waaronder sinds kort K. P. C. de Bazel, die enige afbeeldingen van uitgevoerde bouwwerken en meubelen inzond. Vermeldenswaard is verder een maquette van een draaitoneel op nieuwe constructie, voorstellende het complete decor van Parsifal, vrijstaand gedacht, van A. C. Sommer. 8)

Over het algemeen kan van deze tijd gezegd worden dat de activiteiten slecht bezocht werden. De lezing van de toenmalige voorzitter van de tweede afdeling Willem van Boven in 1905 over arbeiderswoningen trok slechts zes belangstellenden. De leden bleven elkaar echter op informele wijze ontmoeten in de goedbezochte sociëteit, waar kunstenaars ook contact met de sociëteitsleden en de zogenaamde kunstlievende leden hadden, die direct of indirect voor opdrachten konden zorgen.
De eerste werkelijk grote expositie vond plaats in 1905, negenentwintig personen waren vertegenwoordigd met in totaal 216 nummers.
De inzending bleef niet beperkt tot kringleden, zo was er een academieontwerp van H. J. M. Walenkamp uit 1900 9) en van
J. F. L. Frowein een ontwerp voor het gebouw van de Sierkan aan de Stadhouderslaan te Den Haag.

Van de leden hingen er veel traditionele ontwerpen van landhuizen, banken, kerken e.d., benevens enkele ontwerpen voor een koninklijk paleis te Amsterdam van Willem van Boven.
Willem Kromhout 10) heeft niet veel waardering voor deze traditionele stroming in Den Haag:
‘… Zijn er dan geen architecten in de Hofstad, die onze nationale kunstindustrieele stroming begrepen hebben, er in zitten en haar propageren? Er zijn er wel, doch zeker is het niet de architect, die in de ‘Twee Steden’ zalen maakte van verouder den stijl, die voor dat mooie gegeven, behalve iets buitenlandsch-moderns, nog behagen kon scheppen in complete Lodewijk XIVe zalen, etc.’
De architect Johan Mutters, van wie hier sprake is, had zijn ontwerpen voor het toen in aanbouw zijnde hotel de ‘Twee Steden’ aan het Buitenhof op deze tentoonstelling laten zien. Voor het uitbreken van de eerste wereldoorlog vonden nog drie grote tentoonstellingen van eigen werk plaats. De expositie van 1907, samen met de VANK georganiseerd, toonde uitgevoerde ontwerpen voor interieurkunst. Er namen slechts drie kringleden aan deel, die tevens lid van de VANK waren.

‘… We mogen dus bijna spreken van eene niet-Haagsche tentoonstelling in Den Haag, wat in artistieken zin wet zijne verdiensten blijkt mee te brengen. De groote meubel-firma’s, anders zoo prat op hunne up-to-date meubelen, zijn hier op een enkele uitzondering na niet vertegenwoordigd.’ 11)
Wel is bij elk ontwerp vermeld, door welke firma het is uitgevoerd. Er waren zeven complete interieurs te zien, o.a. van Penaat, de Bazel en Berlage.

Kromhout zet in zijn recensie de ‘artist van het kunsthandwerk’, die zich met ‘zijn oprecht kunstenaarsgevoel in dienst stelt van de cliënt, tegenover de op winst beluste meubelfabrikant, die zich plooit naar de verlangens van het publiek en die met de eer van het ontwerp gaat strijken. De eis van de VANK dat naast de naam van de fabrikant ook de naam van de ontwerper-kunstenaar genoemd moet worden, wordt door hem onderschreven, evenals het feit dat de VANK om deze redenen de firma’s alleen als kunstlievend en niet als werkend lid toeliet.
Deze vorm van belangenbehartiging, vakbondswerk in feite, werd door de HKK grotendeels overgelaten aan organisaties als de bovengenoemde VANK en voor de architecten aan de BNA.
Het is frappant dat rond 1904 de naam van de tweede afdeling van ‘architectuur en kunstnijverheid’ werd veranderd in ‘bouwkunst en kunstindustrie’, waaruit zou kunnen blijken dat de kringleden zich bezig hielden met ontwerpen voor machinale fabricatie. 12)
De architectuurtentoonstelling van 1908 liet behalve het gebruikelijke werk van de leden voor het eerst uitbreidingsplannen zien van enkele steden, waaronder die van Arnhem, Nijmegen, Watergraafsmeer en Diemen van P. Vorkink en Jac. Ph. Wormser en die van Aalsmeer van J. H. W. Leliman. Het uitbreidingsplan dat Berlage in 1908 voor Den Haag maakte was op deze tentoonstelling nog niet te zien.
Naar aanleiding van deze tentoonstelling maakte Kromhout 13} bezwaar tegen de ‘malle zijsprongen van enkele zeer begaafden: renaissancekapriolen bij inderdaad monumentale gegevens’ 14}, gegevens die volgens hem juist om een moderne oplossing vroegen.
Op een van de door de Kring georganiseerde discussieavonden werd op initiatief van Willem van Boven, die inspecteur van volksgezondheid in Den Haag was, aandacht besteed aan de Haagse mistoestanden en aan de woningwet, waarbij vooral ingegaan werd op de middelen die de gemeentebesturen door de woningwet tot hun beschikking hadden. Zo zei art. 28 dat elke gemeente boven de tienduizend inwoners een uitbreidingsplan moest opmaken, iets dat volgens Van Boven moest geschieden met inachtneming van de bestaande erfscheidingen. Per kwartier zou gestreefd worden naar een afwisseling van open, half-open en gesloten bebouwing. Dit werd steeds verzuimd omdat men ten onrechte meende dat open bebouwing de grondprijs opdreef. Als de gemeente bovendien een juist gebruik van haar bevoegdheid zou maken door de hoogte en diepte der bouwblokken vast te stellen, zo zou reeds veel bereikt zijn in het belang der volkshygiëne, aldus Van Boven. De belangrijkheid hiervan bleek ten duidelijkste uit de Haagse mistoestanden, waarvan foto’s een afschrikwekkend beeld gaven.
In het jaarverslag van 1908-1909 wordt melding gemaakt van de intentie van de tweede afdeling zoveel mogelijk jaarlijks een tentoonstelling van het werk van buitenlandse architecten te houden. Aanvankelijk was het de bedoeling dat voor de eerste tentoonstelling Engelse architecten gevraagd werden met wie men zich nauw verwant voelde; echter wegens een tentoonstelling in Engeland zelf kon dit geen doorgang vinden en wendde men zich tot de Duitse collega’s. Het contact verliep niet via een zustervereniging maar via de Duitse gezant, hetgeen een vertraging in de organisatie veroorzaakte in verband met de geboorte van Juliana, waardoor de gezant geheel in beslag was genomen. Uiteindelijk vond de tentoonstelling plaats van 7 oktober tot 1 november 1909. Van de zesentwintig aangeschreven architecten 15} hadden er vijftien gereageerd door werk in te zenden, onder wie Peter Behrens (23 nummers) met ontwerpen van o.a. Haus Obenauer bij Saarbrücken en de Vortragsaal in het Folkwangmuseum te Hagen. Verder was er werk van enkele vertegenwoordigers van de Karlsruher Schule, onder wie Herman Billing en Max Läuger. Van Boven vond dat de tentoonstelling met 659 bezoekers slecht bezocht was en hij betreurde het wegblijven van de studenten van de academie van beeldende kunsten. Het belang van deze expositie werd echter in de recensies wel degelijk onderkend en hij reisde na afloop dan ook door bemiddeling van Arti et Amicitae naar het Stedelijk Museum in Amsterdam. Misschien droeg het feit dat Arti et Amicitae maar de helft van de verzendkosten betaalde bij tot het tekort van 150 gulden waarmee men in Den Haag bleef zitten.

Ter gelegenheid van de tentoonstelling van architektuurschetsen in 1910 kwam in het blad Architectura kritiek op de te weinig opvoedende waarde van deze tentoonstelling, deze zou ‘slechts de vruchten hunner [de architecten[ schetsvaardigheid naar bestaande werken geven, die hunner eigen scheppingskracht ontbreken totaal.’ De opvoedende waarde voor een groot publiek ligt volgens de recensent vooral in het tonen van de ‘beste’ ontwerpen van de ‘beste’ architecten. Een gebouw hoeft dan niet in de eerste plaats praktisch te gebruiken zijn, maar alleen aan een esthetisch ideaal te voldoen.
In de oorlogsjaren lagen de activiteiten grotendeels stil, voor namelijk omdat men in de toenmalige behuizing aan de Koninginnegracht 12a 16} niet de beschikking had over tentoonstellingszalen. In 1917 was dit probleem opgelost door de aankoop van het pand Lange Voorhout 7. Met een gecombineerde tentoonstelling van de eerste en tweede afdeling opende men de nieuwe kunstzalen. Veel van de tentoongestelde tekeningen waren studies en geen uitgevoerde ontwerpen, variërend van ‘bouwkunstige studies’ van Berlage, arbeiderscomplexen van Willem Verschoor tot de eeuwige adviezen voor volkshuisvesting en stadsuitbreiding van Willem van Boven. 17} Verder was er gebrandschilderd glas van J. W. Gips, drijfwerk van F. Zwolle en decoratieve eternietpalen van Frans ter Gast.
Op de bouwkunst en kunstnijverheid tentoonstelling van maart 1918 was het ontwerp van Berlage voor het jachtslot ‘St. Hubertus’ op de Veluwe (bouw 1915-1919) niet te zien, wel de ontwerpen voor het Pantheon der Menschheid (1915) en het Holland House voor de firma Müller & Co. in Londen (1914-1916). Co Brandes kwam met zes landhuizen en diverse meubels, maar het pièce de résistance was het plan van A. Broese van Groenou en S. de Clerq voor een landhuis in Gelderland, dat onderdak bood aan vijf à zes gezinnen. Veel aandacht werd besteed aan volkswoningbouw met ‘Ons Limburg’ te Hoensbroek van Jan Stuijt, tuindorp Meerdervoort te Zwijndrecht van Willem Verschoor (1917) en een arbeiderswoningcomplex van Willem van Boven.

De tweede afdeling vond dat ‘de Hagenaars verre tekortschieten in belangstelling voor architectuur en aanverwante kunsten, maar ook dat die belangstelling nog nooit in voldoende mate opgewekt werd. Zij kennen alleen schilders (en beeldhouwers), die daardoor over het paard getild zijn en gaarne de lakens uitdeelen.’ 16)
Inderdaad, deze tentoonstelling trok slechts 548 bezoekers, dit lage aantal was mogelijk te wijten aan te weinig publiciteit en het te laat verschijnen van de affiche van Albert Oger.
Het was een steeds terugkerend probleem de tentoonstellingen op tijd klaar te krijgen. De leden moesten vaak meermalen aangespoord worden hun werk beschikbaar te stellen. Op een goed moment liep dit zo uit de hand dat het nodig bleek het inzenden voor een tentoonstelling verplicht te stellen, tenzij aangetoond kon worden dat men verhinderd was. Bovendien kwam het werk vaak zo laat binnen dat men met man en macht moest werken om alles op tijd klaar te krijgen. Om het inrichten van de tentoonstelling, wat door de leden zelf gedaan werd, te vergemakkelijken werden de inzenders verzocht hun ontwerpen zoveel mogelijk op één formaat en ingelijst in te leveren.
In 1916 probeerde men om het vanwege de oorlog geslonken ledental weer aan te vullen door architecten uit te nodigen voor het lidmaatschap. Het resultaat was dat reeds in 1919 het ledental, via 29 in 1918 steeg tot 51 en bleef groeien tot 88 in 1924. De stijging van het ledental werd mede veroorzaakt door de recent ingevoerde categorie aspirant-leden, voornamelijk studenten aan de technische hogeschool te Delft. Het aantal activiteiten, met name lezingen en tentoonstellingen groeide navenant.
Jan Wils hield in 1918 en 1919 twee lezingen over ‘Het vrijstaande monument in het moderne stadsbeeld’ en over ‘Hedendaagse stromingen in de bouwkunst’. 19)
Wils behandelde in de tweede lezing Berlage, De Bazel en Kromhout als representanten van de moderne Nederlandse architectuur. Wat hem in het werk van Berlage opvalt is de redelijke constructie en begrip voor het materiaal. In opbouw beantwoordt het gebouw echter niet altijd aan de functionele plattegrond, met uitzondering van de Beurs, waar elk deel van het grondplan zich logies naar buiten ontwikkelt.

Wils slaat De Bazel als bouwkunstenaar lager aan dan Berlage.
‘Resumerend valt er van De Bazels werk dit te zeggen: constructief, niet altijd rationeel, in hoofdzaak gedragen door de ethische stromingen van de tijd’,
want ook De Bazel gaat archaïserend te werk en grijpt terug op het laatste tijdvak der 18de eeuw, vermengd met boeddhistische elementen.
‘Kromhout is geen sociaal denkend mensch als Berlage en geen diep denker als De Bazel. Kromhout is zuiver gevoelsmensch.’

Wils karakteriseert het werk van Kromhout als volgt: ‘Constructief en decoratief (gebruik van oosterse elementen), gedragen door romantische invloeden.’

Wils beantwoordde met zijn keuze van de drie representanten van de moderne Nederlandse architectuur aan de opvattingen die men toen rond 1919 had over wat modern was. Nu zou men eerder geneigd zijn, zijn leeftijdgenoten Robert van ’t Hoff 20), die evenals Wils toen nog lid was van de Stijl of J. Duiker en B. Bijvoet te noemen.

De laatsten waren op de tentoonstelling van architectuur en kunstnijverheid van februari 1919 vertegenwoordigd met het in februari 1918 bekroonde ontwerp voor de rijksacademie prijsvraag in Amsterdam. Hun inzending was niet compleet, de perspectieftekeningen en enige details ontbraken. In 1922, toen inmiddels besloten was dat de academie niet gebouwd zou worden, werd het ontwerp nogmaals in Den Haag tentoongesteld, ditmaal met alle tekeningen en maquettes.

Naast het werk van Bijvoet en Duiker liet Jan Wils op deze tentoonstelling zijn verbouwingsontwerp zien van hotel-café restaurant ‘De Dubbele Sleutel’ te Woerden (uitgevoerd in 1918-1919, onlangs afgebroken).
Rond 1920 was de belangstelling voor stadsuitbreidingsplannen en volkswoningbouw op een hoogtepunt. Willem Verschoor was op bovengenoemde tentoonstelling vertegenwoordigd met bouwplannen voor het tuindorp te Voorschoten, Willem van Boven met een uitbreidingsplan voor Den Helder, waarover hij al eerder in oktober 1918 een lezing had gehouden.

In september 1919 werd een tentoonstelling geheel gewijd aan volkshuisvesting. Naar aanleiding hiervan gaf de Kring een album uit met vierentwintig platen getekend door Wils, voorzien van een inleiding door Berlage. De omslag werd door Vilmes Huszar ontworpen. Het album bevatte platen van het eerste Rotterdamse tuindorp Vreewijk van Granpé Molière, Verhagen & Kok, De Roos & Overeynder op een stratenplan van Berlage; het burgemeester Vermèdepark te Voorschoten van Verschoor; gemeentelijke woningbouw in Hilversum van Dudok; woningbouw in Velzen en Breukelen van Vorkink en Wormser. Het oorspronkelijke plan wat dit album te laten verschijnen voor de tentoonstelling begon, maar financieel kon men de uitgave niet rondkrijgen. De HKK moest de exploitatie uit handen geven hetgeen snel zou moeten gebeuren in verband met het persklaar zijn van een ander boek over hetzelfde onderwerp, vermoedelijk ‘Arbeiderswoningen in Nederland’ van Berlage, Keppler, Kromhout en Wils, uitgegeven in Rotterdam in 1921 21). De HKK leden bezochten in de zomer van 1921 en in 1922 nog eens het tuindorp Vreewijk waar zij werden rondgeleid door de architecten Kok en De Roos. In oktober 1922 ging er een excursie naar de Spaarndammerbuurt te Amsterdam en naar Amsterdam-zuid om het werk van M. de Klerk, Berlage, Gratama en Versteeg te zien. In juni 1924 trok opnieuw een groep kringleden naar Amsterdam om daar onder leiding van de directeur van bouw en woningtoezicht Tjaden een bezoek te brengen aan een aantal premiewoningen in de Indische buurt en de eerste 2000 gereedgekomen betonwoningen in Watergraafsmeer.

Eerste Rotterdamse tuindorp ‘Vreeswijk’ 1913-19
Afbeelding uit G. Feenstra Tuinsteden en volkshuisvesting in Nederland en Buitenland, Amsterdam 1920


In overeenstemming met de tentoonstelling trachtten de in die tijd gehouden lezingen van P. Zwart over ‘Monumentaliteit’, van Huszar over ‘De moderne kunst in het algemeen’ en van Oud over ‘De moderne bouwkunst’ veel meer dan voorheen een beeld te geven van wat er op dat moment speelde in de architectuur, schilder- en beeldhouwkunst.
Eind 1921 werd een wandschilderingtentoonstelling gehouden waarvoor de voorbereidingen al in 1919 waren begonnen. Men hechtte veel belang aan deze tentoonstelling omdat het de bedoeling was dat schilders en architecten zouden samenwerken. Behalve de beschildering zelf moest ook de wand of een deel ervan waarvoor de schildering was bedoeld, in kleur en bestemming aangegeven worden. Parallel aan de organisatie van deze tentoonstelling liep het onderzoek van een kommissie waarbij de mogelijkheden om tot nauwere samenwerking tussen de afdelingen te komen, werden bekeken. Jan Wils had behalve in deze commissie ook zitting in de commissie voor de wandschilderingtentoonstelling. Wils had eerder samengewerkt met schilders die de door hen ontwikkelde vormentaal niet-figuratieve vormen en gebruik van primaire kleuren naast zwart, grijs en wit, toepasten buiten de begrenzing van het schilderij. Met Theo van Doesburg werkte hij in Alkmaar (1916) en in Woerden aan hotel-restaurant ‘De Dubbele Sleutel’, met Huszar aan het huis van Bruynzeel te Voorburg (1918), waarbij het door Wils ontworpen meubilair door Huszar van kleur werd voorzien, en met Piet Zwart aan de dansschool Gaillard in Den Haag (1921), waarbij Zwart een glas-in-loodraam en de kleuroplossing voor zijn rekening nam.
Toch kwam dit streven naar een eenheid der kunstvormen, zoals voorgestaan door deze kunstenaars niet aan bod op deze wandschilderingtentoonstelling. Alleen de resultaten van de traditionele opvattingen over de relatie van het schilderij of de schildering tot de architectuur waren te zien, terwijl van de nieuwe ontwikkeling niets bleek.
De Keulse uitbreidingsplannen van Fritz Schumacher (1920- 1923) waren eind 1922 een maand lang in de Kunstkring te zien. Men had over het algemeen veel waardering voor dit ontwerp, dat als goed voorbeeld voor Den Haag gezien werd. Berlage, die in 1908 al voor Den Haag een plan 22) had uitgewerkt dat nooit gerealiseerd werd, had in datzelfde jaar in een lezing over ‘Stedebouw’ Schumacher reeds geciteerd.
Schumacher zelf kwam naar Nederland om de tentoonstelling in te leiden. Ook andere buitenlandse kunstenaars kwamen in deze tijd naar de Kring. In november 1922 deelde Theo van Doesburg mee dat de mogelijkheid bestond Hans Richter uit Berlijn een voordracht te laten houden over ‘De film uit verschillend oogpunt bezien’, El Lissitsky uit Moskou over ‘De nieuwe kunst in het nieuwe Rusland’, terwijl hijzelf over De Stijl zou kunnen spreken. Gezien de zwakke financiële positie van de Kring zouden deze lezingen geen kosten met zich mee mogen brengen. Gevolg hiervan was dat alleen El Lissitsky op 23 mei 1923 een voordracht hield. Zo is vermoedelijk hoofdzakelijk geldgebrek de oorzaak van het niet doorgaan van lezingen van Behrens (contact via Granpré Molière in het voor jaar van 1921) en van Herwart Walden (contact via Jacoba van Heemskerk, december 1921).
Ter gelegenheid van een tentoonstelling 23) over zijn werk hield Bruno Taut, ‘Stadsbaurat’ van de gemeente Magdeburg te Duitsland, op 22 september 1923 een voordracht. Ook Erich Mendelsohn was in Den Haag te gast en wel op 7 november 1923, kort nadat hij in Amsterdam een lezing voor Arti et Amicitae gegeven had. In het begin van de twintiger jaren hield Max Eisler uit Wenen geregeld voordrachten in de Kring, enkele malen over Weense onderwerpen zoals in 1921 over Josef Hoffmann en de Wiener Werkstätte en over Anton Hanah en Gustav Klimt, maar ook over algemenere zaken als ‘Der Stadt als Kunstwerk’.
‘Het leven als kunstwerk’ zou een titel geweest kunnen zijn voor de DADA-avond van 10 januari 1923 24), gegeven door Theo van Doesburg, Kurt Schwitters en ‘een dame aan de piano’ (Nelly van Doesburg), waarmee de DADA-tournee door Nederland begon. Een vast onderdeel van het programma was het optreden van Vilmos Huszar met een door hemzelf vervaardigde mechanische pop.

Eind 1923 werd besloten om de veertien dagen praatavonden te houden waarbij naast kwesties van sociaaleconomische strekking op verzoek van verscheidene leden ook onderwerpen die uitsluitend de kunsten betroffen aan de orde kwamen. Voorstellen hiervoor waren o.a.: dilettantisme; kunstenaars en politiek; kunst en opvoeding; moderne kunst en romantiek; weergave van beweging en rust in verschillende kunsten; het doel van de Kunstkring. Er zijn echter geen gegevens over wat er op deze avonden gezegd is. Uit verslagen en brieven is echter wel iets bekend over de houding van de Kring en sommige van haar leden ten opzichte van de politiek. De Kring vond het niet op haar weg liggen zich op het terrein van de politiek te begeven. Toch was men hier niet consequent in, zoals in 1902 bleek toen de Kring wel sympathiseerde met de probeer beweging, terwijl de sociaaldemocraat Anseele niet voor de HKK mocht spreken vanwege het politieke karakter van zijn voordracht.
In oktober 1921 riepen Berlage en Wils de kringleden op namens een Nederlands comité dat samenwerkte met het Nederlandse Roode Kruis, door verkoop van eigen werk geld in te zamelen om de hongerende intellectuelen in Rusland te steunen 25). Het Kringbestuur wilde echter niet dat dit uit naam van de HKK zou gebeuren. In 1934-35 mocht een schilderij van Harmen Meurs met als onderwerp een directe aanval op het bewind van Hitler niet worden opgehangen. Kennelijk waren niet alle leden het hier mee eens en besloot men hierover een debatavond te houden. Op een vergadering van de tweede afdeling in oktober 1938 wilde men het asielrecht voor DuitsJoodse vluchtelingen door de regering laten uitbreiden, mits de Nederlandse arbeidsmarkt daar niet onder zou lijden. Twee maanden later werd uit een bericht duidelijk dat de HKK zich in verband met deze kwestie weer buiten de politiek wilde houden.
Hoewel de Kring geen vakbond was in de zin van de VANK of de BNA zette deze zich in voor de behartiging van de belangen van zijn leden in de vorm van adressen aan de overheid. In 1922 schreef men een brief aan de Tweede Kamer waarin aandacht gevraagd werd voor de niet verbeterde positie van de beeldende kunstenaar en men om tussenkomst van de Kamer verzocht. Drie jaar later, in juni 1925 stuurde het HKK-bestuur een adres aan B & W van Den Haag, aan de Kamer van Koophandel en aan het Departement Den Haag der Maatschappij voor Handel en Nijverheid, met de bedoeling het verlenen van opdrachten aan architecten en kunstnijveren te bevorderen. In het adres dat gepubliceerd werd in de Nieuwe Rotterdamse Courant van 27 juni 1927, zou men de overheid graag zien als een voorbeeld voor de particuliere opdrachtgever en deed men enige suggesties aan de hand in welke situaties kunstenaars zouden kunnen worden ingeschakeld:
‘… Uw collega (heeft) aan particuliere architecten opdrachten laten verstrekken voor de vervaardiging van schetsontwerpen voor de bebouwing van delen van nieuwe terreinen 26). Indien van deze uitzondering regel zou worden gemaakt, zou dit zowel aan het uiterlijk aanzien van de gemeente ten goede komen, als aan het hier gestelde doel voldaan worden:
Ook werd gewezen op de mogelijkheid van het aanbrengen van beeldhouwwerk, terracotta, keramiekwerk en decoratieve onderdelen in het inwendige van gebouwen. Men constateerde dat de kunstzinnige verzorging als iets apart-staands beschouwd werd in deze tijden van grote versobering.
‘… Welk een troosteloze tijd zouden wij … tegemoet gaan, indien iedere vormgeving, gesproten uit de behoefte om het ideale doel van het gestichte tot uitdrukking te brengen, versmoord wordt, doordat, door miskenning van de betekenis daarvan, het uit redenen van zuinigheid, als een overbodigheid, meedogenloos geschrapt wordt.’
Tenslotte wees men op de rol die de kunstenaar kon spelen in de presentatie van een instelling door middel van de verzorging van drukwerk, reclame, verpakkingsmateriaal enz.

Vrij snel kwam een reactie van B & W dat men in beginsel bereid was op beperkte schaal mee te werken aan het aanbrengen van versiering op bruggen, gebouwen, poorten e.d. Aan het eind van de twintiger jaren kwam in de tweede afdeling het accent steeds meer op de architectuur te liggen. Huszar protesteerde hier enkele malen tevergeefs tegen, hij wilde speciaal aan kunstnijverheid gewijde tentoonstellingen organiseren. Het bestuur van de afdeling ging echter niet op dit verzoek in, daar men gebrek aan belangstelling verwachtte. Vlak na de eerste wereldoorlog lag dat nog heel anders. Er waren in 1918 en in 1920 tentoonstellingen gewijd aan ontwerpen voor behangsels, weefsels, stoffen e.d. van L. Zwiers, aan gebrandschilderd glas van Jacoba van Heemskerk en aan de toneelontwerpen van Herman Rosse. In 1922 hield men een eretentoonstelling van Colenbranders werk, die 62 bezoekers trok. Herman Rosse was een leerling van K. Sluyterman en had al toneeldecors in Hollywood gemaakt. Hij schreef enkele artikelen in het maandblad Wendingen over zaken die met toneel te maken hadden. Verder werkte hij mee aan de Internationale Theatertentoonstelling van 1921 in het Stedelijk Museum te Amsterdam. Waarschijnlijk kwam op zijn initiatief het voorstel een vervolg op deze tentoonstelling in Den Haag te organiseren. Men wilde daarvoor proberen medewerking te krijgen van toneelgezelschappen voor demonstraties en bijzondere voor stellingen. Op de tentoonstelling zelf zou men onder andere ontwerpen voor toneelaankleding en verlichting, kostuums, maskers en poppen- en schimmentoneel laten zien. Dit initiatief bloedde echter dood zoals wel meer gebeurde.

Bij de tentoonstelling van uitgevoerde ontwerpen in textielnijverheid voor kleding en interieurs in januari/februari 1926 was weinig overgebleven van het oorspronkelijke plan om in bestaande middenstandswoningen interieurs in te richten met voorwerpen, die op dat moment in de handel verkrijgbaar waren.

Direct na de prijsvraag voor een Volkenbondgebouw te Genève in 1927 wilde men in de Kring de Nederlandse inzending in Den Haag laten zien. De BNA, die aanvankelijk om medewerking gevraagd was in de organisatie, voelde hier weinig voor omdat men liever de mensen die hun schetsen niet tentoongesteld hadden, de gelegenheid wilde geven dit alsnog voor het Nederlandse publiek te doen. De Kring deed het toen alleen en in maart 1928 kon men in de Grafelijke zalen van het Binnenhof de ontwerpen zien van Luthman en Wouda, van Roosenburg, Bremen, Van Rood en Klijnen en de beide bekroonde ontwerpen van Wijdeveld en Van Lingen.


Voor het eerst besteedde men aan het eind van de twintiger jaren aandacht aan de technische kanten van het bouwvak, aan de praktijkproblemen waar de architect mee te maken krijgt. Zo hield J. W. Janzen een reeks lezingen over dit onderwerp, onder andere over ‘Het isolerende vermogen tegen geluid, warmte en koude van afscheiding van etagewoningen’ (9 februari 1927). Naar aanleiding hiervan kwamen discussies in de Kring op gang, die leidden tot de opstelling van een rapport dat naar B & W gezonden werd. In de notulen van 1928 treffen we een verslag aan van een koserie door Janzen gegeven over ‘Architectuur beheerst door de technische mogelijkheden’ geillustreerd met dia’s. Hij wees hierbij op de zeer belangrijke invloed die door het vervangen van hout door bakeliet op de vormgeving kan worden uitgeoefend. De spreker gaf zijn voor keur te kennen door voorbeelden te tonen van zogenaamde internationale architectuur. Er volgt een discussie waarin: ‘Janzen wees op een zijns inziens niet voldoende gemotiveerde plaats welke Le Corbusier in de nieuwe architectuur tracht in te nemen. Wij als Hollanders hebben al jaren de beginselen van rationele architectuur gekend. Voor ons kan gevoeglijk het woord ‘nieuwe’ voor zakelijkheid wegvallen. Fokker 27) wees erop dat bij een gebouw als het sanatorium de Zonnestraal misschien wel met alle materiële eisen is rekening gehouden, maar dat ook de psychische factoren van groot belang zijn. Uit eigen ervaring meende de spreker dat ten opzichte van de Zonnestraal [van de architecten Joh. Duiker en B. Bijvoet, 1926-28] te moeten betwijfelen. Ook is de spreker van mening dat wij als hollanders kunnen voortbouwen op hetgeen onder andere Berlage als grondslag van de architectuur, namelijk de zakelijkheid van de oplossing en de zuiverheid ten opzichte van de toegepaste materialen, reeds werd aangegeven.’ 28) De mening van Janzen werd waarschijnlijk gedeeld door meerdere mensen omdat de mogelijkheid Le Corbusier in 1925 een lezing te laten houden niet werd benut. Een praktisch bezwaar leverde de vijftig gulden op (twee maal zo veel als gebruikelijk) die men hiervoor moest neertellen.

De zogenaamde internationale architectuur werd nader besproken door Janzen in november 1927 naar aanleiding van de Werkbundtentoonstelling ‘Die Wohnung’ te Stuttgart, de Weissenhofsiedlung, aan de hand van de tentoonstellingscatalogus. Het verslag van Janzen’s lezing vermeldt zonder verdere argumentatie dat hij het woningblok van J. J. P. Oud zeer waardeerde en die van Le Corbusier en Taut het minst vond.
Op uitnodiging van de Kring vertelde Cornelis van Eesteren over zijn in 1925 bekroonde reconstructieplan (‘ombeelding’) voor Unter den Linden te Berlijn. Hij gaf de historische ontwikkeling van Berlijn weer en legde zijn eigen ontwerp uit aan de hand van vogelvluchtperspectieftekeningen en straatprofielen.

In de periode 1929 tot 1940 zakte het ledental van de Kring van 226 naar 167, voor de tweede afdeling van circa 60 naar circa 40. Men zag zelf in de tijdsomstandigheden de oorzaak voor de afname van het ledental en het gebrek aan activiteiten binnen de Kring. Door de economische crisis werden er minder opdrachten gegeven aan de beeldende kunstenaars. De Kring probeerde haar leden te behouden door de contributie te verlagen tot f 18,- per jaar voor werkende leden. Werklozen konden bepaalde tentoonstellingen gratis bezoeken op vertoon van hun pas. In het voorjaar van 1934 zagen enkele leden zich ondanks deze tegemoetkomingen genoodzaakt hun lidmaatschap op te zeggen vanwege hun zwakke financiële positie. Net als zijn leden had ook de Kring te kampen met geldgebrek. Onderhandelingen in 1930-31 met Willem Arntz, stadsbouwmeester van Keulen en opvolger van F. Schumacher, over een tentoonstelling van de Keulse uitbreidingsplannen, waarvoor in Den Haag nog steeds grote belangstelling was, liepen vast op de te hoge transportkosten à DM 1200,-. Tevens speelde de verhuizing naar de Lange Houtstraat in 1932-33 de Kring parten. Men was namelijk gedwongen de indertijd afgesloten obligatielening gedeeltelijk af te lossen. Twee en veertig leden stonden werk af om het hiervoor noodzakelijke bedrag van f 10.000,- op te brengen. Het veertigjarig jubileum in 1931, waar voor eerst grootse plannen gemaakt waren, moest door de geboden zuinigheid op bescheiden schaal gevierd worden met een tentoonstelling enkele feestelijke bijeenkomsten verspreid over het jaar.

A. H. Wegerif schreef in 1931 een brief aan het bestuur van de Kunstkring waarin hij kritiek gaf op de niet-actieve gang van zaken binnen de vereniging. Hij constateerde dat andere verenigingen, zonder deze te noemen overigens, steeds meer werk gingen overnemen en hij vroeg het algemeen bestuur haar invloed aan te wenden om daar verandering in aan te brengen.

In 1932 werd Jan Wils, die dat jaar weer als werkend lid was toegetreden, verzocht het voorzitterschap van de tweede afdeling op zich te nemen. Hij ging op dit verzoek in op voorwaarde dat er een collegiale samenwerking tussen de leden en het bestuur mogelijk zou zijn.
‘Het doel moet zijn om, naast een prettige omgang, van de afdeling weer een lichaam te maken waarvan de stem in de wereld van de bouwkunst mag worden gehoord, op wier aanwijzingen wordt prijs gesteld en wier tentoonstellingen belangstelling wekken. Daarmee kweken wij niet alleen goede kameraadschappelijke verhoudingen, maar wij versterken daarmee onze maatschappelijke positie tezamen en ieder voor zich.’ 29) Door een propagandacommissie een tentoonstellingsschema te laten uitwerken, probeerde Wils zijn doel te bereiken, wat niet wegnam dat hij de leden herhaaldelijk tot grotere belangstelling moest manen. Bovendien hoopte Wils door de leden aan te moedigen lezingen te houden na afloop van vergaderingen, deze weer aantrekkelijk te maken. De hierboven aangehaalde uitspraak van Wils was wel wat idealistisch. Het is dan ook twijfelachtig of de stem van de tweede afdeling in het verleden in ‘de wereld van de bouwkunst’ gehoord werd. Men organiseerde echter als enige vereniging in Nederland regelmatig architectuurtentoonstellingen. Meestal betrof het werk van eigen leden, maar een enkele keer ook een thematentoonstelling, zoals die over de volkswoningbouw (1919), de wand schilderkunst (1921) of die over Den Haag de laatste 25 jaar (1923).


In hetzelfde jaar vestigde Co Brandes de aandacht op de ‘meer dan onhebbelijke’ kritieken van Piet Zwart en hij vroeg of daar niets aan te doen viel. De erevoorzitter van de tweede afdeling W. van Boven meende dat alleen goede tentoonstellingen tegen een dergelijke kritiek helpen.

Bij de ingebruikname van het pand aan de Lange Houtstraat werd een openingstentoonstelling gehouden van werk van tweede afdelingsleden. Men had dit gebouw al in 1925 na verbouwing opnieuw willen betrekken omdat de Grafelijke zalen geen goede expositieruimte boden, maar dit was toen afgeketst op de hoge huur. Over het algemeen kan gezegd worden dat de architecten oude ontwerpen lieten zien, bijvoorbeeld de flat aan het Jozef lsraëlsplein te Den Haag (1926) van Wils en Lourijsen en zes ontwerptekeningen van Berlage van het Gemeentemuseum. Voor de bouw van een nieuw museum had de HKK al in 1909 bij B & W gepleit. Men was het blijkbaar niet eens met het advies van medelid Jurriaan Kok dat de kunst in het archief ondergebracht moest worden. Toch was het Jurriaan Kok die Berlage de opdracht voor het museum had bezorgd in 1919.


Op 14 april 1936 richtten de HKK en de BNA zich in een gezamenlijk adres aan B&W waarin zij hun bezwaren uitten tegen de reorganisatie van de schoonheidscommissie. Het bezwaar kwam hierop neer dat men vreesde dat de nieuwe commissie de kritisch-esthetische beoordeling buiten beschouwing zou laten en alleen het technisch aspect van het gebouw zou bekijken. De praatavond van 9 mei was geheel aan deze kwestie gewijd. Als antwoord op het adres ontving men een brief op 13 juli over de ‘Regeling inzake de toepassing van de welstandsbepaling der bouw- en woonverordening’, waarin melding gemaakt werd van het besluit de schoonheidscommissie om te zetten in een welstandscommissie met ingang van 4 mei. De leiding berustte bij de directeur van bouw- en woningtoezicht en er zou van geval tot geval worden bekeken of de commissie erbij ingeschakeld zou worden of niet. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de HKK afwijzend reageerde op het verzoek namen van haar leden op te geven die zitting zouden kunnen nemen in deze commissie.



Eind 1933 hield Ir. E. van Genderen Stort twee lezingen over staal- en skeletbouw en begin 1934 vertoonde hij een eigenhandig gemaakte film van het Empire State Building te New York. In vergelijking met andere voordrachten was het aantal belangstellenden, namelijk veertig, groot. In april 1934 volgde een gecombineerde tentoonstelling van HKK (met in de commissie Wils, Prent, Van Heijningen) en BNA (met Van Rood, Hekker en Abspoel) met als doel propaganda te maken voor goede architectuur. De tentoonstelling was naar onderwerp ingedeeld en er hing nog vrij veel ongepubliceerd werk, zoals de ontwerptekeningen voor de nieuwe academie van beeldende kunsten van Dr. Ir. J. A. Plantenga, Ir. Jan W. E. Buys en J. B. Lürsen. Hiervan hoopte men in de kritiek 30) dat de uitvoering mee zou vallen, omdat men vreesde dat het gebouw een te dominerende plaats zou innemen in het huizenfront aan de Prinsessegracht. Verder waren er een groot aantal landhuisontwerpen, waaronder een villa te Voorthuizen van F. Gerretsen en Chr. Wegerif. De bijzondere vormgeving, die voortkomt uit de antroposofische levensbeschouwing van deze architecten komt ook tot uitdrukking in hun ontwerp voor de Vrije School aan de Waalsdorperweg te Den Haag.

Wils was vertegenwoordigd met enkele ontwerpen voor gebouwen voor levensverzekeringsmaatschappijen, waarschijnlijk het inmiddels afgebroken OLVEH-gebouw op de hoek van de Anna Paulownastraat en het Piet Heinplein (1930) en het kantoor van de Centrale Onderlinge (1934).

Interieurs en toegepaste kunst waren er van P. A. H. Hofman en Bas van Pelt. De opzet van de expositie was volgens de criticus maar ten dele geslaagd. Hij voerde als bezwaar aan dat er werk van mindere kwaliteit was, terwijl volgens hem alleen het beste werk opvoedkundige waarde heeft. Het opgehangen materiaal veronderstelde voorts een zeer geschoolde leek, omdat het werk door onvolledigheid een oriëntatie slechts ten dele mogelijk maakte. Het is altijd een probleem geweest architectuur aantrekkelijk tentoon te stellen voor een groot publiek, omdat men aangewezen is op foto’s, plattegronden, maquettes e.d., waarbij het voor een leek niet makkelijk is zich een voorstelling te maken van het uitgevoerde ontwerp, laat staan dat hem meer duidelijk zou worden over de ontwerpbeslissingen van de architect, waarom een gebouw er uitziet zoals het er uitziet.



Een alternatief lijkt te zijn een film van het gebouw te maken, zoals Van Genderen Stort had gedaan met het Empire State Building, maar de beste manier blijft echter het gebouw zelf te bezoeken. Onder leiding van Herman van der Kloot Meijburg trokken zestig kringleden naar Delft om dan ook ter plekke de door hem geleide restauratie van de Nieuwe Kerk en het Gemeentelandshuis van Delfland, waarvan men resultaten op de laatste tentoonstelling had kunnen zien, te bezichtigen.
In september 1936 ging een excursie naar de Provinciale Gelderse Electriciteitsmaatschappij, een gebouw van medelid Fels. Een maand later vertoonde Fels in de Kring een smalfilm over de bouw van deze centrale.
In 1938 werd het 35-jarig bestaan van de HKK ietwat verlaat gevierd met een jubileumtentoonstelling in het Haags Gemeentemuseum. De zalen kregen speciaal hiervoor een lichtere kleur waartegen het tentoongestelde werk beter uitkwam. Uit de catalogus blijkt dat Fels bij zijn gebouwen voor de centrale Gelderland gedeelten van het interieur liet verzorgen door Bas van Pelt en een gebrandschilderd raam had laten maken door de sierkunstenaar Pieter Hofman.
C. A. Abspoel wordt door de criticus Gruyters 31) genoemd als, de duidelijkste vertegenwoordiger van het ‘nieuwe bouwen’, d.w.z. van de ‘functionele’ architectuur in strikte zin.
De HKK steunde de Haagse raadhuisplannen van Luthmann. In een bijlage bij de catalogus van 1938 lichtte de architect zijn ontwerpen, die op deze tentoonstelling in een aparte ruimte geëxposeerd werden, uitgebreid toe. Luthmann had naar aan leiding van een raadhuisprijsvraag (1929-1933) de opdracht gekregen zijn ontwerp nader uit te werken. Op dit plan met zijn traditionele vormgeving kwam de nodige kritiek, o.a. van A. J. Kropholler die ongevraagd een alternatief ontwerp indiende en van Ir. A. Boeken. De laatste, lid van de 8 en Opbouw, vond dat het ontwerp van J. F. Staal evenzeer voldeed aan de eisen van de jury en dat het zelfs beter was qua architectonische vormgeving. Hij vreesde dan ook dat de jury zich niet kon losmaken ‘van de gedachte aan het schablonegebouw met de noodige monumentale attributen (toren) zooals dat zich in de formeele ‘moderne’ Nederlandsche architectuur heeft ontwikkeld en daardoor in het ontwerp Staal het grootsteedsche raadhuis van heden niet heeft kunnen herkennen.’ 32)


In zijn recensie 33) van de tentoonstelling van 1938 constateert Jos Gruyters bij de jonge schilders een dergelijk neigen naar traditionele opvattingen:
‘Dit proces, dat zowel een nivellering als een kalmer en ruimer worden inhoudt, zal zich vermoedlijk voor geruime tijd voortzetten; vermoedelijk, want in het huidige Europa is men nooit zeker van zijn zaak.’
In februari 1939 vertelde Peter Meyer, redacteur van het tijdschrift ‘Das Werk’, over de moderne Zwitserse architectuur. 34) Om een verklaring te geven voor de eigentijdse architectuur is, zijns inziens, eerst een algemeen overzicht noodzakelijk van de Europese architectuur. Dan valt op dat de behoefte tot verandering een van de hoofdfactoren is van de kunst, maar dat vooral door de bevolkingstoename en de nieuwe technische middelen er nu anders gebouwd wordt dan twintig-vijftig jaar geleden. De genezing van het bouwen waarin een gebouw dat qua bestemming dar helemaal niet om vroeg een monumentale vorm kreeg, ging uit van de fabrieksbouw, omdat daar nog geen tradities voor bestonden.
In 1939 sprak Bas van Pelt over binnenhuiskunst en meubelontwerpen en illustreerde dit aan de hand van een zelf gemaakte film. Op deze zogenaamde ‘ronde tafelavond’ discussieerde men aan de hand van de getoonde voorbeelden over de verhouding van machinehandwerk, de arbeidslust van de arbeider en het al of niet geoorloofd gebruik van fineren. Deze ronde tafel avonden waren een voortzetting van de praatavonden, die gestart waren in 1923-24, maar waarvoor de belangstelling in de loop der jaren sterk verminderd was.
In het kader van de lezingencyclus ‘Het dienend karakter van de kunst’ 35) sprak voor de tweede afdeling de architect Dudok over stedenbouw en de uitbreiding van Den Haag, waarvoor in 1932 door hem een ontwerp was gemaakt. Het dienend element in het stadsplan is volgens hem het bouwen van zo goed mogelijke woningen, omdat de architectonische schoonheid van het gewone woonhuis de architectonische schoonheid van de stad bepaalt. Stedebouw heeft met vier punten rekening te houden: plaatsing, werken, wonen, en recreatie. 36)
Nieuwe denkbeelden op deze gebieden ontstaan met name door veranderde verkeersmiddelen: spoorwegen werken concentratie van de steden in de hand; auto, radio en bioscoop werken decentralisatie in de hand. Men keert terug tot steden van middelbare grootte (woonvoordeel).
Het is gewenst de omvang van de stad te ‘breidelen’, Dudok ziet een optimum waarboven het wonen ongenietbaar wordt. Den Haag is volgens hem een karakteristieke woonstad. Bij stadsuitbreiding moet men echter ook denken aan de belangen van het ‘gave land’. Het probleem van de recreatie zal een steeds grotere plaats gaan innemen. Elke bouwverordening zou moeten beginnen met: het is verboden te bouwen, mits …. Voor Den Haag volgt uit primaire verkeerseisen een rechthoekig stratenplan, met aandacht voor voldoende speelgelegenheid, sportterreinen en vooral groen. Dit laatste acht hij zeer belangrijk in verband met de zogenaamde passieve recreatie.
Door het bouwen van zo goed mogelijke woningen tot het dienend element in het stadsplan te bestempelen ontduikt Dudok als het ware de tijdgebonden, aan de crisistijd gerelateerde inhoud van het gebruikte begrip ‘dienend karakter’. Hij geeft er een algemene, altijd geldende uitleg aan.
De centrale kommissie van kunstenaarsverenigingen vroeg begin 1940 naar de wensen van de HKK in verband met de oorlogssituatie. De opdrachten waren namelijk schaars geworden, en die er waren werden veelal geannuleerd. Ook kon men niet meer in het buitenland exposeren en waren er moeilijkheden bij het verkrijgen van bouwmaterialen.
Zelf richtte de HKK een adres aan de gemeenteraad, waarin verzocht werd te beginnen met de bouw van het raadhuis op het Alexanderveld met het oog op vermindering van de werkloosheid in de bouw. Arbeiders werden vrijwel niet door overheidskassen gesteund en verkeerden door het uitblijven van bouwopdrachten in grote moeilijkheden. De gemeente zou hiermee een goed voorbeeld geven om andere bouwplannen zoveel mogelijk door te laten gaan. 37)
Uit de archieven blijkt vrijwel niets van de reactie van de kringleden op de oorlogssituatie. Geregeld werden er nog lezingen gehouden en in mei 1941 werd het vijftigjarig jubileum van de Kring gevierd met een tentoonstelling in het Haagse Gemeentemuseum en werd een toneelstuk opgevoerd door enkele kringleden. De tentoonstelling, die ook naar het Stedelijk Museum te Amsterdam ging, liet in verhouding weinig werk van architecten en sierkunstenaars zien, waarschijnlijk omdat zij in verband met de oorlog weinig nieuws konden tonen. Tijdens de oorlog lag het officiële kringleven verder stil. Een kleine groep leden van de tweede afdeling echter, uitgebreid met enkele gasten, maakte in de oorlogsjaren op wekelijkse vergaderingen bij elkaar thuis een studie over woningbouw, zoals die na de oorlog plaats zou moeten vinden in nauw contact met andere groepen in Den Haag en elders. Daarnaast werden nog bijeenkomsten gehouden waarop de leden afwisselend iets over hun werk lieten horen of zien of een kleine koserie hielden over een kunstzinnig onderwerp.

In 1945 was het tijdens de oorlog teruggelopen ledental spoedig weer gestegen tot 40 ‘vooroorlogse’ leden, uitgebreid met tien nieuwe. Verder werd een twintigtal gerenommeerde architecten voor het lidmaatschap uitgenodigd. Het eerste bestuur na de oorlog, bestaande uit Thunnissen (voorz.), Hofman (tweede voorz.), Jan Piets (sekr.), Roeters van Lennep (tweede sekr.) en Abspoel (lid), vestigde de aandacht op de wederopbouw van Den Haag en riep op tot medewerking aan het doen herrijzen van de stad. De nadruk lag op de vraag of men het Voorhout, het Smidsplein en het Smidswater geheel of gedeeltelijk moest herstellen. Hierover werd een vergadering belegd, waarbij M. D. Ozinga een inleiding hield over de geschiedenis van dat stadsdeel en vervolgens zijn visie gaf op dit probleem. Men zette zich met name hiervoor in omdat de mogelijkheid bestond dat veel leden aan de herstelwerkzaamheden zouden kunnen meewerken. Tegelijkertijd zocht men voor de Kring een pand van historische en esthetische waarde. De gemeente stelde het pand aan de Korte Vijverberg 7 beschikbaar.



Na de oorlog bleek het moeilijk te zijn om op de oude voet verder te gaan. Veel leden beschouwden de Kring als een doorgangshuis, zodat men het financieel moeilijker had dan andere verenigingen.
Abspoel, in zijn hoedanigheid als algemeen voorzitter, constateert in zijn voorwoord bij de catalogus van de jubileumtentoonstelling van 1951, dat in vergelijking met de periode waarin de Kring werd opgericht de werkelijke belangstelling voor de kunst over het algemeen sterk is verminderd. De oorzaak hiervan ziet hij in de enorme ontwikkeling van de natuurwetenschappen en de techniek, die de belangstelling voor de kunst heeft verdrongen. Daarbij komt nog dat de kunst nu niet meer door mecenassen of ‘gegoede burgers’ wordt gestimuleerd. Voor Abspoel is een aaneensluiting van de kunstenaars dan ook noodzakelijk en hij ziet in de unieke samenstelling in vier afdelingen van de Kring een goede mogelijkheid hiertoe alhoewel de steun van de overheid en de Haagse burgerij hierbij niet gemist kan worden.
Abspoel is het eerste kringlid dat zich in het openbaar uitlaat over de positie van de kunst in de samenleving. Uit zijn verhaal blijkt duidelijk dat hij de kunst als een vast gegeven ziet en dat hij de oplossing voor de verminderde belangstelling niet in de eerste plaats meent te moeten zoeken in het ‘opvoeden’ van het publiek maar in een samenwerken van de kunstenaars.
Op de jubileumtentoonstelling in het Haags Gemeentemuseum kregen de architecten evenveel zaalruimte als de schilders tot hun beschikking, dit was veel in vergelijking met vorige gekombineerde tentoonstellingen. Behalve werk van oude leden als Hofman, Zaalberg, Abspoel, Brandes, Van der Kloot Meyburg en Roeters van Lennep waren hier ook ontwerpen te zien van enkele naoorlogse leden. Hiervan noemen wij Steltman, met goud- en zilversmeedwerk, en Ir. Jan Buys en Joan Lürsen met een arbeiderswoningcomplexs voor de BPM te Vlaardingen (1949-1951 ).

In de jaren na de jubileumtentoonstelling organiseerde de tweede afdeling geen tentoonstellingen meer van eigen werk tot de verhuizing in 1957 naar de Denneweg 64.
* Om van de activiteiten na de dertiger jaren enigszins een beeld te krijgen, zijn er gesprakken gevoerd met enkele kringleden, met W, H, Gispen, Jan van Heel, _Ir. A. W, P. Thunnissen, D. J. Brouwers en mevr. J. H. van Pelt-Jansen.
Het was helaas niet mogelijk de door ons voorziene bijlage op te nemen 1 ‘Jubileum Haagsche Kunstkring’, recensie in Het Vaderland 6 nov. 1931
2 ‘De tentoonstelling ‘Colenbrander’ te ‘s-Gravenhage’, recensie door J. Jurriaan Kok, dir. van de Haagse Plateelbakkerij ‘Rozenburg’, in Bouw kundig Weekblad 13 (1893) p. 118
3 In de praktijk pakte dit anders uit. De Engelse cretonne was in de mode, vandaar dat de Hollandse cretonne over Engeland Nederland moest binnenkomen, omdat men het nationale en minder kostbare fabricaat zonder dit etiket niet wilde. (uit: H. P. Berlage. Inleiding tot de kennis van de ontwikkeling van de toegepaste kunst, Rotterdam 1923)
4 Deze tentoonstelling was later ook te zien in Arti et Amicitiae te Amsterdam
5 ‘Tentoonstelling van ontwerpen en teekeningen van K. Sluyterman’, BW 19 (1899) 28; twee ontwerpen voor de hal zijn afgebeeld in BW 19 (1899) 40
6 Cordonnier had ontwerpen voor de beurs in Amsterdam gemaakt in 1884-85. In 1905 kreeg hij de eerste prijs voor zijn ontwerp voor het Vredespaleis te Den Haag
7 Inleiding op de catalogus van de HKK jubileumtentoonstelling in het Haags Gemeentemuseum 1941
8 Van dit ontwerp is ons verder niets bekend
9 Dit ontwerp werd pas in 1905 gepubliceerd, zie ‘Architectura 1893-1918’, tentoonstellingscatalogus van het architectuurmuseum, Amsterdam, 1975, p.55-56
10 ‘Interieurkunst op den Haagschen Kunstkring’, Architectura 15 (1907) 38, recensie door Willem Kromhout, architect, HKK-lid en redactielid van het weekblad Architectura, orgaan van het genootschap Architectura et Amicitia te Amsterdam
11 Zie noot 19
12 De naamsveranderingen van de tweede afdeling zijn een goede illustratie van de problemen die de sierkunstenaars/kunstnijveren/decorateurs/binnen huisarchitekten/kunstnijveraars hadden bij de benoeming van het soort produkten dat zij maakten. Wij laten hierbij een overzicht van de namen volgen, voor zover we dit konden nagaan
Vanaf 1897 architectuur en kunstnijverheid, ca. 1904 – ca. 1918 architectuur/bouwkunst en kunstindustrie, ca. 1918-1938 architectuur/bouwkunst en kunstnijverheid, 1938 architectuur en sierkunste
1941 bouwkunst, kunstnijverheid en toegepaste beeldhouwkunst, 1951 architectuur en sierkunsten,
ca. 1960- ca. 1970 architectuur en gebonden kunst, ca. 1970 – heden architectuur en toegepaste kunst
13 ‘De bouwkunsttentoonstelling te Den Haag’, Architectura 16 (1908) 36
14 Waarschijnlijk doelt Kromhout hier op het op deze tentoonstelling aanwezige plan voor een Wereldcentrum bij Den Haag van K. P. C. de Bazel
15 De uitnodiging was afgeslagen door o.a. B. Pankok, J. Hoffmann, B. Paul, K. Moser en J. M. Olbrich (overleden 1908)
16 Het pand Koninginnegracht 12a gekocht in november 1913, betrokken op 1 mei 1914
17 Tot nu toe is het ons niet gelukt al dan niet uitgevoerde ontwerpen van Willem van Boven terug te vinden
18 BW 39 (1918) p. 69-70
19 ‘Hedendaagse stroomingen in de bouwkunst’, tekst in het Wils-archief, NOB, Droogbak 1a, Amsterdam (ongepubliceerd manuscript)
20 HKK-lid in 1908-09; op de architectuurtentoonstelling van 1908 vertegenwoordigd met een ontwerp voor het landhuis ‘De Leye’ te De B21 J. P. Mieras: ‘De literatuur over volkswoningbouw in ons land neemt sneller toe dan de bouw van woningen zelf’; de regering verleende wel steun aan boeken, maar niet aan arbeidersboeken zelf. Uit: BW 41 (1921) p. 318
22 Deze opdracht was aan Berlage gegeven op voorstel van Jurriaan Kok, evenals Berlage lid van de HKK. Jurriaan Kok zou er in 1919, toen hij inmiddels wethouder van openbare werken in Den Haag was geworden, voor zorgen dat Berlage de opdracht voor het Haags Gemeentemuseum kreeg
23 Georganiseerd in samenwerking met de afdeling ‘s-Gravenhage van de vereniging Nederland-Duitsland en de Deutsche Verein. Zie voor een algemeen verslag Bruno Taut, Architektonische Vortragsreise (Februar 1923) im besetzen Gebiet Deutschlands und in Holland, in: BW 44 (1923) 25
24 Recensie in Het Vaderland 12 januari 1923
25 Op initiatief van P. Alma gesticht. Officieel heette het echter: De Nederlandse afdeling van de internationale organisatie voor steun en hulp aan de hongerende boeren en arbeiders
26 Een voorbeeld hiervan is de villawijk Marlot te Den Haag (‘buiten wonen in Den Haag’) van de architecten Brandes, Hellendoorn en Verschoor
Zie: Residentiebode 24 januari 1923
27 Ir. J. P. Fokker, lid van de tweede afdeling van 1916 tot 1934
28 Ongepubliceerd verslag van de lezing in de HKK, notulenboek 1928-29, nr. 12
29 Gedeelte uit een ongepubliceerde brief van Jan Wils aan de leden van de tweede afdeling, in: HKK jaarboek 1932-33, p. 55
30 NRC 27 april 1934, ‘Tentoonstelling in den Haagschen Kunstkring’
31 Het Vaderland 12 juni 1938
32 De 8 en opbouw, 15 (1934) p. 113-118
33 Het Vaderland 12 juni 1938. Overigens lijkt Gruyters hier zelf te beantwoorden aan zijn eigen omschrijving van de critici in zijn tijd, die minder individualistisch-emotioneel en meer kunsthistories zouden schrijven
34 De Kring was sinds 1938 geabonneerd op een kunst- en literatuurtijdschriftenportefeuille, waarin behalve Das Werk nog 33 andere bladen waren opgenomen
35 In het kader van de lezingencyclus ‘Het dienend karakter van de kunst’ spraken de volgende personen: 30-11-39 W. M. Dudok; 19-12-39 S. van Ravesteyn, ‘De dienende bouwkunst’; 9-01-40 W. F. Gouwe, ‘Toegepaste en decoratieve kunst’; 30-01-40 E. F. van Royen, ‘De dienende functie van de kunstenaars’; 20.02.40 G. Knuttel, ‘Schilderkunst’; 5-03-40 Sem Dresden, ‘Het dienend element in de muziek’; 19-03-40 P. A. H. Hofman, ‘Glas en glas schilderkunst’; 9-04-40 Chris de Moor, ‘Wandtapijten’; 23-04-40 Jan Walch, ‘Het dienend karakter van het tooneel’; 14-05-40 Ben van Eysselstijn, ‘Het dienend element in de letterkunde’
36 Vergelijk het CIAM congres uit 1933 met als thema ‘De functionele stad’, waarbij eenzelfde functieverdeling gepropageerd werd. Zie het verslag van dit congres (Le Corbusier), La Charte d’Athènes, 1941-42
37 De gemeenteraad ging niet in op dit verzoek van de HKK: de bouw startte ca. 1953